ECLI:NL:TGZCTG:2026:143 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2800
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:143 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 06-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2800 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een longarts. Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het ziekenhuis waar de longarts werkzaam is. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en borstkanker. De longarts is betrokken geweest bij een behandeling van patiënte op de spoedeisende hulp (SEH). Volgens klaagster heeft de longarts onzorgvuldig gehandeld, omdat hij geen behandeling heeft voorgesteld voor de dyspnoeklachten en/of geen zuurstofbeleid heeft opgesteld voor het toedienen van zuurstof. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2800 van:
A.,
wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: C., echtgenoot van klaagster,
tegen
D.,
longarts,
werkzaam in B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de longarts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend
in het E. (E.). Zij is - kort gezegd - niet tevreden over de zorg die haar moeder
kreeg. De moeder van klaagster is in 2022 in het E. overleden. De longarts was betrokken
bij de behandeling van de moeder van klaagster op 24 februari 2022 op de spoedeisende
hulp (SEH) van het E.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
Het Centraal Tuchtcollege is het eens met die beslissing en zal het beroep van klaagster
verwerpen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing in raadkamer van het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 1 april 2025 met nummer
A2024/7147 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:76). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing
gehecht. De longarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
2.2 De zaak is op de zitting van 18 mei 2026 gezamenlijk maar niet gevoegd behandeld met de zaken C2025/2798 en C2025/2799. Klaagster, haar echtgenoot, de longarts en de gemachtigden van de longarts waren daarbij aanwezig. De spreekaantekeningen die klaagster en mr. Mooibroek hebben gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van
de volgende feiten:
3.2 De moeder van klaagster, geboren in 1959, (hierna: patiënte) was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en mammacarcinoom (borstkanker).
3.3 Patiënte was bij een college van de longarts (verweerder in zaak C2025/2798, hierna: de behandelend longarts) in behandeling voor longklachten wegens haar astma. De behandeling van de borstkanker vond plaats in een ander ziekenhuis. Daar waren uitzaaiingen in de lever vastgesteld.
3.4 Bij beeldvormend onderzoek in februari 2021 werden diverse verspreide noduli (verdichtingen) in de longen gezien, passend bij sarcoïdose dan wel metastasen (uitzaaiingen). Verder onderzoek hiernaar werd zowel risicovol als niet bijdragend geacht voor de behandeling van patiënte.
3.5 Op 5 en 7 februari 2022 was patiënte bij het E. in verband met dyspnoeklachten.
3.6 Patiënte is op 10 februari 2022 in een verpleeghuis opgenomen.
3.7 In verband met toenemende benauwdheidsklachten kwam patiënte na overleg tussen de behandelend longarts en de huisarts op 24 februari 2022 vanuit het verpleeghuis naar de SEH van het E. Patiënte is daar opgevangen door een arts-assistent en mede-beoordeeld door de longarts.
De bloedgaswaarden (ABG) van patiënte waren:
“ABG (met 2L 02): pH 7.430,p02 11.2, pC02 5.8, BE 4.6, bic 28.1, sat 97%. Lactaat
1.8. “
3.8 De longarts en de arts-assistent hebben besproken dat er nog aanvullend onderzoek zou worden gedaan. Om 15.30 uur is patiënte door de arts-assistent overgedragen aan een SEH-arts in opleiding. De verantwoordelijkheid voor patiënte is om 17.00 uur overgegaan van de longarts naar de behandelend longarts. In de loop van de avond is patiënte teruggebracht naar het verpleeghuis.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over?
4.1 Volgens klaagster heeft de longarts onzorgvuldig gehandeld, omdat hij geen
behandeling heeft voorgesteld voor de dyspnoeklachten en/of geen zuurstofbeleid
heeft opgesteld voor het toedienen van zuurstof. In het klaagschrift heeft klaagster
gesteld dat de longarts de opdracht had moeten geven om haar moeder op zijn minst
pas naar huis te sturen met een gedegen zuurstofbeleid en/of een behandeling voor
de dyspneu waar haar moeder zeer veel last van had. Ook had hij volgens klaagster
een CO2-meter moeten voorschrijven.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren. De longarts heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.
Toetsingskader
4.3 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Omvang beroep
4.4 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen
die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel
uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd.
Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Klaagster is niet-ontvankelijk
in de nieuwe klachten die zij in beroep heeft toegevoegd. Dit betekent dat het Centraal
Tuchtcollege deze klachten niet inhoudelijk kan beoordelen.
Inhoudelijk oordeel
4.5 De longarts is op 24 februari 2022 betrokken geweest bij de zorg voor patiënte
vanaf haar komst naar de SEH rond 12.00 uur totdat hij eind van de middag de zorg
overdroeg aan de behandelend longarts. Hij heeft die middag het beleid afgestemd met
de arts-assistent en een aantal onderzoeken in gang laten zetten. De uitslagen van
deze onderzoeken waren nog niet allemaal bekend toen hij de zorg overdroeg aan de
behandelend longarts. Dit betekent dat de longarts niet betrokken was bij de keuzes
die op basis van de uitkomsten van de onderzoeken zijn gemaakt over het beleid en
dat hij evenmin betrokken was bij het ontslag van patiënte. Alleen al hierom kunnen
de klachten niet slagen.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege kan het gedurende de dag in gang gezette beleid goed volgen. Uit de verrichte meting blijkt dat de bloedgaswaarden op dat moment normaal waren en dat er geen aanwijzing was dat er sprake was van intoxicatie van zuurstof. De longarts heeft adequaat aanvullend onderzoek laten doen. Dat patiënte in de loop van de avond moe en benauwd terug is gebracht naar het verpleeghuis, kan de longarts dan ook niet verweten worden. Hij was niet verantwoordelijk voor het ontslag en de overdracht naar het verpleeghuis. Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de longarts geen verwijt kan worden gemaakt.
Conclusie
4.7 Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege
de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klaagster
niet kan slagen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter,
R.A. Boon en H.M. Wattendorff, leden-juristen, en C.L. van den Brand en K.W. van
Kralingen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.