We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:134 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2805

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:134
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 06-07-2026
Zaaknummer(s): C2025/2805
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een internist. Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar moeder (hierna: de patiënte) die is overleden. De patiënte werd behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. De internist was de hoofdbehandelaar van patiënte. Klaagster is, kort gezegd, niet tevreden over de medische behandeling die de patiënte heeft gekregen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2805 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: de heer C. echtgenoot van 
klaagster,

tegen

D., internist-oncoloog, werkzaam in E.,
verweerster in beide instanties, 
hierna: de internist,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, advocaat in Utrecht.  
            
1.    De kern van de zaak
1.1    Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar moeder (hierna ook: patiënte) die is overleden. Patiënte werd behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. De internist was de hoofdbehandelaar van patiënte. Klaagster is, kort gezegd, niet tevreden over de medische behandeling die haar moeder heeft gekregen.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam heeft de klacht op 1 april 2025 ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens zodat het beroep niet slaagt.     

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1     Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 1 april 2025 met nummer A2024/7155 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:73). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, van het beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 

2.3    De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 mei 2026 behandeld. De internist was op de zitting aanwezig en werd bijgestaan door mr. Mooibroek. Klaagster is ook verschenen en werd bijgestaan door haar echtgenoot. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De pleitaantekeningen van klaagster en 
mr. Mooibroek zijn aan het dossier toegevoegd. 

3.    De feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2    De patiënte, geboren op 4 september 1959, was vanaf oktober 2014 onder behandeling in het F. (hierna: het ziekenhuis) vanwege borstkanker. De patiënte was daarnaast bekend met schizofrenie, diabetes mellitus, obesitas en obstructief slaapapneusyndroom. 

3.3    In november 2014 is bij patiënte een borstsparende operatie rechts gedaan met schildwachtklierprocedure. Vanaf december 2014 kreeg patiënte bestraling en hormoontherapie. 

3.4    Voor de reguliere controles op de mammacare-poli (polikliniek voor borstkanker) werd patiënte vanaf januari 2015 gezien door een verpleegkundig specialist (verweerster in de zaak C2025/2824). 

3.5    Vanaf augustus 2015 was de internist betrokken bij de behandeling en was zij de hoofdbehandelaar van patiënte.

3.6    In februari 2015 startte patiënte met chemotherapie (FEC) en stopte zij tijdelijk met de hormoontherapie. De chemotherapie werd in april 2015, na drie kuren, afgebroken in verband met ernstige bijwerkingen. Hierna kreeg patiënte weer hormoontherapie.  

3.7    In januari 2016 is in een ander ziekenhuis een MRI van de linkerknie van patiënte gemaakt vanwege aanhoudende klachten na een val. Deze MRI liet een drietal afwijkingen zien. De internist adviseerde om aanvullend onderzoek te doen. Vervolgens zijn in het ziekenhuis een controle-MRI, een CT-scan en een botscan gemaakt en is laboratoriumonderzoek gedaan. Uit deze onderzoeken volgden geen aanwijzingen voor uitzaaiingen. 

3.8    Tijdens de controle van 27 juli 2016 op de mammacare-poli meldde patiënte dat zij 
pijnklachten had in haar rechterborst. De verpleegkundig specialist adviseerde hiervoor oedeemtherapie. De pijnklachten aan de rechterborst en de oedeemtherapie kwamen opnieuw aan de orde tijdens de consulten bij de verpleegkundig specialist van 8 september 2016, 
29 maart 2017 en 23 november 2017. Tijdens het consult op 24 mei 2017 meldde patiënte dat zij klachten had in haar linkerborst. Naar aanleiding hiervan werd afgesproken om de mammografie te vervroegen. 

3.9    De mammografieën in de periode van 8 september 2016 tot en met 7 oktober 2019 lieten geen verdenkingen op recidief borstkanker zien. Op 24 oktober 2019 werd ook een botscan gemaakt en hierop waren geen aanwijzingen voor uitzaaiingen in de botten te zien. De verpleegkundig specialist deelde mee dat patiënte per november 2019 kon stoppen met de hormoontherapie. Op de mammografie van juni 2020 werd opnieuw geen aanwijzing voor borstkanker gezien.

3.10    Op 15 februari 2021 werd patiënte opgenomen in het G. in verband met een urineweginfectie. Er werd een CT-scan gemaakt waarop afwijkingen in de lever werden gezien die verdacht waren voor uitzaaiingen. De internist heeft naar aanleiding hiervan een PET-CT-scan en een afspraak voor een leverbiopt aangevraagd. Uit deze onderzoeken bleek dat er sprake was van een grote uitzaaiing in de lever en de omliggende lymfeklieren. Er werd gestart met Palbociclib (CDK4/6-remmer, een medicijn waarmee de groei van kankercellen wordt geremd) in combinatie met de hormoontherapie.  

3.11    Op verzoek van patiënte heeft de internist op 3 maart 2021 een second opinion aangevraagd bij het H.. Patiënte vroeg zelf een second opinion aan in het I.-Ziekenhuis in J. en in een ziekenhuis in K.. 

3.12    Tijdens de consulten van 26 en 27 maart 2021 is gesproken over de achteruitgang van de nierfunctie en het optimaliseren van de pijnstilling. Tijdens volgende consulten in april 2021 is besproken om over te stappen naar een tweedelijns hormoontherapie. Patiënte had hier geen vertrouwen in. In afstemming met patiënte en het H. werd besloten om over te gaan op eerstelijns chemotherapie en bij afname van de ziekte te beoordelen of een lokale interventie (radio-embolisatie van de lever in het H.) iets zou kunnen toevoegen.  

3.13    Tijdens de controle op 26 april 2021 bleek dat op 19 maart 2021 in een ander ziekenhuis een PET-CT-scan was gemaakt, waarop te zien was dat zich in de longen abnormaal weefsel had gevormd dat verdacht was voor nieuwe uitzaaiingen. Verweerster adviseerde nogmaals om de chemotherapie te starten. Begin mei kreeg patiënte de eerste chemotoediening met Nabpaclitaxel en dit werd voortgezet in juni en juli 2021.  

3.14    Op 10 mei 2021 meldde patiënte dat zij krampende pijn in haar buik had. De internist adviseerde om een urinekweek te laten maken en schreef antibiotica voor. De volgende dag, tijdens het consult van 11 mei 2021, zei patiënte dat zij pijn had linksonder in haar buik. De internist sprak met patiënte af om het nog aan te kijken omdat patiënte al sterke pijnstilling had. Eventueel kon later een sterkere pijnstilling (fentanyl) worden gebruikt. Een paar dagen later bleek dat uit de kweek geen bijzonderheden naar voren waren gekomen en werd de antibioticakuur gestaakt. 

3.15    Op verzoek van patiënte heeft de internist op 25 mei 2021 een psycholoog van het ziekenhuis in consult gevraagd. De psycholoog adviseerde om psychologische zorg in de thuissetting aan te vragen. Verder vroeg de internist op verzoek van patiënte eind juni 2021 een consult met een chirurg (verweerder in de zaak C2025/2803) om met patiënte de mogelijkheden van leverchirurgie te bespreken. De chirurg heeft tijdens dat consult aan patiënte uitgelegd dat een operatie op dat moment geen reële optie was.  

3.16    Op 7 september 2021 vond een nieuwe PET-CT-scan plaats. Hierop was een fraaie metabole afname van de kanker te zien. 

3.17    Op 29 september 2021 kreeg patiënte de laatste chemotherapie toegediend. Tijdens het consult van 6 oktober 2021 werd besproken om met de hormoontherapie door te gaan. Tijdens het consult van 29 oktober 2021 zei patiënte dat zij opnieuw chemotherapie wenste. De internist besprak met patiënte dat eerst de embolisatie in het H. moest worden afgewacht. Deze embolisatie vond plaats op 30 november 2021 en ging technisch goed. 

3.18    Op 21 december 2021 is een PET-CT-scan gemaakt. Op de scan was een plekje op de wervel te zien, een nieuwe uitzaaiing in het bot. 

3.19    Tijdens het telefonisch consult van 26 januari 2022 zei patiënte dat zij koorts had, last had van haar luchtwegen en dat zij nauwelijks op haar benen kon staan. Ze was gestopt met de hormoontherapie vanwege de bijwerkingen. De internist adviseerde, na overleg met de huisarts, dat patiënte met haar huisarts zou overleggen over welke zorg nodig was. Patiënte werd die dag op de eerste hulp beoordeeld. 

3.20    Op 4 februari 2022 werden een PET-CT-scan en een CT-longembolie gemaakt. Een longembolie kon worden uitgesloten. Uit de PET-CT-scan bleek dat er een toename was van verdachte plekken in de lever en uitzaaiingen in het bot. De longen lieten een progressief beeld zien met meerdere verdachte plekken/uitzaaiingen. Op 7 februari 2022 besprak de internist dit slechte nieuws met patiënte en een zus van klaagster. Op de vraag van patiënte hoe lang haar kans om nog te leven is, heeft de internist als volgt geantwoord:
“Het is ook weer afhankelijk van wat de behandeling doet. Dus als de behandeling aanslaat dan kan je weer even iets vooruit. Maar gemiddeld denk je meer in maanden dan in jaren.”
De opties waren palliatie of toch nog andere chemotherapie. Patiënte had een sterke behandelwens en wilde graag immuuntherapie. De internist heeft bij een ander ziekenhuis nagevraagd of patiënte mee kon doen met een studie met immuuntherapie, maar dat bleek niet mogelijk. Tijdens het consult kwam verder aan de orde dat patiënte kortademig was. De internist heeft hierover contact gehad met de huisarts van patiënte en de longarts in het G.. Thuis was zuurstof gestart en zo nodig kon prednison worden gegeven.  

3.21    Op 9 februari 2022 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. In het medisch dossier staat dat vanwege de zeer sterke behandelwens van patiënte in overleg is besloten om te starten met een tweedelijns chemotherapie. Verder staat in het dossier: ”levensverwachting van maanden besproken en qol belangrijk daarin.” 
Op 11 februari 2022 is patiënte gestart met de nieuwe chemokuur (Caelyx).

3.22    Tijdens een telefonisch consult op 3 maart 2022 zei patiënte dat het iets beter leek te gaan. Op 11 maart 2022 heeft de internist telefonisch met klaagster besproken dat het nog te vroeg was om iets te kunnen zeggen over de werking van de chemokuur en dat patiënte over vier weken zou kunnen switchen naar een andere chemo als deze kuur geen resultaat gaf. In de nacht van 13 op 14 maart 2022 is patiënte opgenomen in het G. met verdenking van een sepsis. Op 14 maart 2022 is patiënte overleden.

4.    De klacht
4.1    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de verwijten van klaagster als volgt samengevat.

Klaagster verwijt de internist:
a)    dat zij de verpleegkundig specialist te veel op de voorgrond heeft gezet zonder de patiënte zelf op de poli te zien;
b)    dat zij fouten heeft gemaakt in de duur van de hormoontherapie;
c)    dat zij niet een goed behandelplan heeft opgesteld; 
d)    algemene tekortkoming om een patiënte te behandelen.

De klacht is door het Regionaal Tuchtcollege ongegrond verklaard.

5.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
5.1     Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle omvang beoordeelt en de klacht alsnog gegrond verklaart.

5.2    De internist heeft verweer gevoerd en heeft het Centraal Tuchtcollege verzocht om het beroep van klaagster te verwerpen.

Toetsingskader
5.3    Die vraag die het Centraal Tuchtcollege moet beantwoorden is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de internist geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen, is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt in het tuchtrecht het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Inhoudelijke beoordeling
5.4     Het beloop van het ziektetraject is voor de moeder van klaagster en alle familieleden heel verdrietig en belastend geweest. Het is duidelijk dat de moeder van klaagster een zeer sterke behandelwens had en er alles aan wilde doen om haar leven voort te kunnen zetten. Het Centraal Tuchtcollege is zich hiervan bewust. Aan de hand van alle stukken en alles wat er door beide procespartijen naar voren is gebracht, zal het Centraal Tuchtcollege op een zakelijke manier moeten oordelen of de internist patiënte gedurende dit traject voldoende adequaat heeft behandeld en begeleid. 

Klachtonderdeel a) policontroles door de verpleegkundig specialist
5.5    Klaagster verwijt de internist met dit klachtonderdeel dat zij de verpleegkundig specialist (verweerster in de zaak met nummer C2025/2824) te veel op de voorgrond heeft gezet zonder patiënte zelf op de poli te zien. 

5.6    Het Centraal Tuchtcollege overweegt net als het Regionaal Tuchtcollege dat volgens de destijds geldende en huidige Richtlijn Borstkanker (hierna: de richtlijn) patiënten na de operatie of bestraling voor een follow-up van de hormoontherapie zelfstandig worden gezien door de mammacare-verpleegkundige. Bij vragen kan de verpleegkundig specialist overleggen met de internist-oncoloog en deze treedt ook op als supervisor van de verpleegkundig-specialist. Dit is een gebruikelijke werkwijze conform de hiervoor genoemde richtlijn. Uit de overgelegde stukken en de toelichting hierop blijkt ook niet dat patiënte en/of klaagster indertijd de wens hadden om de internist vaker te zien. Het Regionaal Tuchtcollege heeft dit klachtonderdeel terecht en op goede gronden ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel b) duur van de hormoontherapie
5.7    Klaagster verwijt de internist dat patiënte, in strijd met de richtlijn, niet de volledige vijf jaar hormoontherapie heeft volgemaakt. Vanwege een onderbreking van december 2014 tot en met maart 2015 en een latere onderbreking, heeft de hormoontherapie volgens haar vijf maanden te kort geduurd. 

5.8    Vast staat dat de hormoontherapie vijf jaar na de start hiervan is beëindigd terwijl er gedurende de therapie tweemaal een onderbreking heeft plaatsgevonden. In die zin is niet de volledige vijf jaar aan hormoontherapie volgemaakt. Het college overweegt dat volgens de richtlijn de standaardduur van hormoontherapie vijf jaar is, in combinatie met een ‘schone’ diagnose. De internist heeft op de zitting uitgelegd dat samen met patiënte de hormoontherapie is besproken en dat daarbij ook is gekeken naar de risico’s. Ook heeft de internist verklaard gebruik te hebben gemaakt van een tool waarin gegevens over patiënten worden geanalyseerd en vervolgens een overlevingswinst door deze hormoonbehandeling voor de komende tien jaar wordt geschat. Indien dat percentage rond de 3% à 10% is, wordt hormoontherapie in overleg met de patiënt overwogen, aldus de internist. Bij patiënte was sprake van 5% en om die reden is indertijd de hormoontherapie gestart. Het college overweegt verder dat bij patiënte geen sprake was van uitzaaiing in de lymfeklieren of andere indicaties om langer dan de standaardbehandeling van vijf jaar aan te houden. Gelet hierop en het feit dat uit de onderzoeken in oktober 2019 bleek dat patiënte schoon was, is het college van oordeel dat er voldoende aanleiding bestond om te stoppen met de hormoontherapie. Alsnog verlengen met de gemiste maanden was klinisch niet relevant voor de prognose en het verdere behandelbeleid en diende dus geen doel meer. Uit de stukken en de mondelinge toelichting blijkt verder dat de keuze om te stoppen adequaat is besproken en in overleg is besloten met patiënte. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.

Klachtonderdelen c) en d): het behandelplan en de behandeling in het algemeen
5.9    Klaagster is van mening dat de internist beter andere behandelingen had kunnen inzetten en dat zij behandelingen, zoals radiotherapie en chemotherapie, ook had kunnen combineren. Daarnaast verwijt zij de internist dat zij onvoldoende heeft gereageerd op pijnklachten van patiënte in haar buik en borsten en op de ademhalingsproblemen. Ook verwijt zij haar dat zij geen psychologische hulp heeft ingeschakeld. 

5.10    Op grond van de stukken en dat wat partijen over en weer op de zitting in beroep nog naar voren hebben gebracht, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege deze klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege hierover onder 5.8 tot en met 5.12 neemt deze hier over. Het beroep- en verweerschrift en de toelichting van partijen op de zitting geven het Centraal Tuchtcollege wel aanleiding tot aanvullende opmerkingen.

5.11     Klaagster heeft in beroep haar verwijten over het behandelplan en de behandeling nader onderbouwd. Zo heeft zij aangevoerd dat de internist ten onrechte een levensverwachting van drie tot zes maanden heeft genoemd toen patiënte in de nacht van 13 tot 14 maart 2022 werd opgenomen in het ziekenhuis en heeft zij toegelicht dat haar moeder als proefpersoon is gebruikt. 
Ook verwijt zij de internist dat zij de verhoging van de tumormarkerwaarde tot 23 niet heeft opgemerkt. 

5.12    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de internist op 7 februari 2022 met patiënte en klaagster de slechte uitslag van de PET-CT-scan heeft besproken. Er was een toename van uitzaaiingen in de lever en een toename van uitzaaiingen in het bot. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat tijdens dat gesprek de internist over de kans om te overleven heeft aangegeven dat het afhankelijk is van het effect van de behandeling, maar dat gemiddeld meer in maanden moet worden gedacht dan in jaren. Klaagster heeft daarnaast naar voren gebracht dat op 11 maart 2022 de internist haar heeft uitgelegd dat eerst de uitslag van de scan moest worden afgewacht en dat ze nog geen uitspraak kon doen hoe het verder zou gaan. In combinatie met het feit dat patiënte op 14 maart de tweede chemokuur zou krijgen, vindt klaagster het onbegrijpelijk dat de internist in de nacht van 13 maart 2022 telefonisch aan een collega-arts heeft doorgegeven dat patiënte een levensduur van drie tot zes maanden had. Het Centraal Tuchtcollege acht het begrijpelijk en invoelbaar dat op basis van eerdere gesprekken bij patiënte en de familie verwachtingen zijn ontstaan waar zij hoop op nog wat meer tijd van leven uit putten, en dat die verwachtingen voor hen moeilijk te rijmen waren met de boodschap van de nacht van 13 maart 2022 en het snelle, op dat moment onverwachte, overlijden van patiënte de dag daarna. Het college stelt echter ook vast dat de internist meermalen duidelijk heeft gemaakt dat het slecht nieuws was en dat er twee opties waren, namelijk palliatie of toch nog chemotherapie. Vanwege de sterke behandelwens heeft zij uiteindelijk een nieuwe chemokuur geadviseerd waar patiënte op 11 februari 2022 mee is gestart. Dat de internist vervolgens in het telefoongesprek met klaagster op 11 maart 2022 heeft besproken dat eerst de uitslag van de scan afgewacht moest worden voordat zij een uitspraak kon doen over hoe het verder zou gaan, past binnen de context waarin deze opmerking is gemaakt, te weten de levenswens van patiënte en de keuze om weer in te zetten op chemotherapie. In de nacht van 13 maart 2022 was er sprake van een andere situatie. Het college kan goed volgen dat de internist toen met de collega-arts over een levensverwachting van drie tot zes maanden heeft gesproken. Dat is ook in lijn met de informatie die eerder aan de familie is verstrekt bij de bespreking van de PET-CT-scan. 
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de internist in de jaren dat zij patiënte heeft behandeld goed heeft meegedacht en zich zeer bewust was van de sterke levenswens van patiënte. Die wens is veelvuldig ter sprake gekomen en heeft de internist telkens bij haar beslissingen en behandelkeuzes meegewogen. Uit de gesprekken die in het dossier zijn opgenomen, blijkt naar het oordeel van het college dat de internist patiënte zoveel als mogelijk in die wens wilde steunen. Alles overziend is het college van oordeel dat de internist zich ruimschoots voldoende heeft ingespannen voor patiënte en voldoende duidelijk heeft gecommuniceerd.

5.13    Klaagster is ook van mening dat de internist ten onrechte de verhoogde tumormarkerwaarde in juni 2020 niet heeft opgemerkt. Het Centraal Tuchtcollege merkt hierover op dat patiënte voor de reguliere controles op de mammacare-poli werd gezien door de verpleegkundig specialist. Hiervoor onder 5.6 is vastgesteld dat dit een gebruikelijke werkwijze conform de richtlijn is. Uit de stukken en de toelichting op de zitting volgt dat de internist niet op de hoogte was van de stijging naar 23 maar het college is van oordeel dat zij dat gelet op het voorgaande ook niet hoefde te weten. Aanvullend merkt het college nog op dat het in de fase van follow-up van een mammacarcinoom -in tegenstelling tot een gemetastaseerde fase- niet gebruikelijk is een tumormarkerwaarde te bepalen. Daarnaast hoeft een verhoging van de tumormarkerwaarde binnen de bandbreedte van de normaalwaarden niet te betekenen dat sprake is van kanker, maar een normale tumormarkerwaarde sluit een tumor ook niet uit. In dat laatste geval kan sprake zijn van een zogeheten valse geruststelling. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de tumormarkerwaarde zich binnen de normaalwaarden bevond en op dat moment in de gegeven omstandigheden geen klinische relevantie had. Daarbij overweegt het college dat als de waarde wel bij de internist bekend was geweest, dit niet tot verdere actie had geleid nu uit de stukken en de mondelinge toelichting volgt dat de markers bij een volgende controle weer geprikt zouden worden. Alles overziend vormde de waarde uit juni 2020 geen aanleiding om de eerstvolgende controle te vervroegen. 

5.14    Wat betreft het verwijt dat patiënte als proefpersoon zou zijn gebruikt, oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat dit waarschijnlijk berust op een misverstand. Uit het dossier volgt dat de laatste chemotherapie ‘op proef’ werd voorgeschreven. Dit betekent niet dat sprake is van een experimentele behandeling, maar dat de therapie werd gestart om te bezien of deze al dan niet zou aanslaan. Het college is het met de internist eens dat het middel een bekend en veelvuldig gebruikt middel is, dat niet aan patiënte is gegeven in het kader van medisch wetenschappelijk onderzoek of enig experiment. 
    
5.15    Alles bij elkaar komt het Centraal Tuchtcollege tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege alle klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. 

Conclusie
5.16    Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster niet kan slagen. 

6.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep. 

Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, B.J.M. Frederiks en A.S. Gratama, leden-juristen en R.H.H. Bemelmans en I.K. van Groeningen, leden-beroepsgenoten en bijgestaan door E. van der Linde, secretaris. 
Uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.
         Voorzitter   w.g.                        Secretaris w.g.