ECLI:NL:TGZRAMS:2025:73 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7155

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:73
Datum uitspraak: 01-04-2025
Datum publicatie: 01-04-2025
Zaaknummer(s): A2024/7155
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist. De moeder van klaagster (patiënte) is behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. Patiënte is overleden. De internist was de hoofdbehandelaar van patiënte. Klaagster is, kort gezegd, niet tevreden over de medische behandeling die de patiënte heeft gekregen. Het college is van oordeel dat de internist conform de (destijds) geldende Richtlijn Borstkanker heeft gehandeld. Zo is het conform de richtlijn dat patiënte bij de nacontroles op de mama poli steeds is gezien door de verpleegkundig specialist en niet door de internist. Ook is de duur van de hormoontherapie voldoende geweest. Verder is het college van oordeel dat de behandelingen die de internist heeft ingezet, juiste behandelingen zijn geweest voor patiënte in haar conditie en dat zij voldoende heeft gereageerd op de (pijn)klachten van patiënte. De klacht is kennelijk ongegrond.

A2024/7155

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 1 april 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
internist, werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de internist,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes en mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar moeder (hierna: de 
patiënte) die is overleden. De patiënte werd behandeld voor borstkanker met uitzaaiingen. De 
internist was de hoofdbehandelaar van patiënte. Klaagster is, kort gezegd, niet tevreden over de 
medische behandeling die de patiënte heeft gekregen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 april 2024;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  de brief van klaagster, ontvangen op 11 oktober 2024, met als bijlagen transcripties van 
geluidsopnamen;
-  de brief met bijlagen van de gemachtigde van de internist, ontvangen op 30 oktober 2024, met een 
reactie op de transcripties.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   De patiënte, geboren in 1959, was vanaf oktober 2014 onder behandeling in het E (hierna: het 
ziekenhuis) vanwege borstkanker. De patiënte was daarnaast bekend met schizofrenie, diabetes 
mellitus, obesitas en obstructief slaapapneusyndroom.

3.2  In november 2014 is bij patiënte een borstsparende operatie rechts gedaan met 
schildwachtklierprocedure. Vanaf december 2014 kreeg patiënte bestraling en hormoontherapie.

3.3   Voor de reguliere controles op de mammacare-poli (polikliniek voor borstkanker) werd 
klaagster vanaf januari 2015 gezien door een verpleegkundig specialist (verweerster in de zaak 
A2024/7151).

3.4   Verweerster is internist-oncoloog. Vanaf augustus 2015 was zij betrokken bij de behandeling 
en was zij de hoofdbehandelaar van patiënte.

3.5   In februari 2015 startte patiënte met chemotherapie (FEC) en stopte zij tijdelijk met de 
hormoontherapie. De chemotherapie werd in april 2015, na drie kuren, afgebroken in verband met 
ernstige bijwerkingen. Hierna kreeg patiënte weer hormoontherapie.

3.6   In januari 2016 is in een ander ziekenhuis een MRI van de linkerknie gemaakt vanwege 
aanhoudende klachten na een val. Deze MRI liet een drietal afwijkingen zien. De internist 
adviseerde om aanvullend onderzoek te doen. Vervolgens zijn in het ziekenhuis een controle-MRI, een 
CT-scan en een botscan gemaakt en is laboratoriumonderzoek gedaan. Uit deze onderzoeken volgden 
geen aanwijzingen voor uitzaaiingen.

3.7   Tijdens de controle van 27 juli 2016 op de mammacare-poli meldde patiënte dat zij 
pijnklachten had in haar rechterborst. De verpleegkundig specialist adviseerde hiervoor 
oedeemtherapie. De pijnklachten aan de rechterborst en de oedeemtherapie kwamen opnieuw aan de orde 
tijdens de consulten bij de verpleegkundig specialist van 8 september 2016, 29 maart 2017 en 23 
november 2017. Tijdens het consult op 24 mei 2017 meldde patiënte dat zij klachten had in haar 
linkerborst. Naar aanleiding hiervan werd afgesproken om de mammografie te vervroegen.

3.8   De mammografieën in de periode van 8 september 2016 tot en met 7 oktober 2019 lieten geen 
verdenkingen op recidief borstkanker zien. Op 24 oktober 2019 werd ook een botscan gemaakt en 
hierop waren geen aanwijzingen voor uitzaaiingen in de botten te zien.

De verpleegkundig specialist deelde mee dat patiënte per november 2019 kon stoppen met de 
hormoontherapie. Op de mammografie van juni 2020 werd opnieuw geen aanwijzing voor borstkanker 
gezien.

3.9   Op 15 februari 2021 werd patiënte opgenomen in het F in verband met een urineweginfectie. Er 
werd een CT-scan gemaakt waarop afwijkingen in de lever werden gezien die verdacht waren voor 
uitzaaiingen. De internist heeft naar aanleiding hiervan een PET-CT-scan en een afspraak voor een 
leverbiopt aangevraagd. Uit deze onderzoeken bleek dat er sprake was van een grote uitzaaiing in de 
lever en de omliggende lymfeklieren. Er werd gestart met Palbociclib (CDK4/6-remmer, een medicijn 
waarmee de groei van kankercellen wordt geremd) in combinatie met de hormoontherapie.

3.10  Op verzoek van patiënte heeft de internist op 3 maart 2021 een second opinion aangevraagd bij 
het G. Patiënte vroeg zelf een second opinion aan in het H en in een ziekenhuis in I.

3.11  Tijdens de consulten van 26 en 27 maart 2021 is gesproken over de achteruitgang van de 
nierfunctie en het optimaliseren van de pijnstilling. Tijdens volgende consulten in april 2021 is 
besproken om over te stappen naar een tweedelijns hormoontherapie. Patiënte had hier geen 
vertrouwen in. In afstemming met patiënte en het G werd besloten om over te gaan op eerstelijns 
chemotherapie en bij afname van de ziekte te beoordelen of een lokale interventie (radioembolisatie 
van de lever in het G) iets zou kunnen toevoegen.

3.12  Tijdens de controle op 26 april 2021 bleek dat op 19 maart 2021 in een ander ziekenhuis een 
PET-CT-scan was gemaakt, waarop te zien was dat zich in de longen abnormaal weefsel had gevormd dat 
verdacht was voor nieuwe uitzaaiingen. Verweerster adviseerde nogmaals om de chemotherapie te 
starten. Begin mei kreeg patiënte de eerste chemotoediening met Nabpaclitaxel en dit werd 
voortgezet in juni en juli 2021.

3.13  Op 10 mei 2021 meldde patiënte dat zij krampende pijn in haar buik had. De internist 
adviseerde om een urinekweek te laten maken en schreef antibiotica voor. De volgende dag, tijdens 
het consult van 11 mei 2021, zei patiënte dat zij pijn had linksonder in haar buik. De internist 
sprak met patiënte af om het nog aan te kijken omdat patiënte al sterke pijnstilling had. Eventueel 
kon later een sterkere pijnstilling (fentanyl) worden gebruikt. Een paar dagen later bleek dat uit 
de kweek geen bijzonderheden naar voren waren gekomen en werd de antibioticakuur gestaakt.

3.14  Op verzoek van patiënte heeft de internist op 25 mei 2021 een psycholoog van het ziekenhuis 
in consult gevraagd. De psycholoog adviseerde om psychologische zorg in de thuissetting aan te 
vragen. Verder vroeg de internist op verzoek van patiënte eind juni 2021 een consult met een 
chirurg (verweerder in de zaak A2024/7153) om met patiënte de mogelijkheden van leverchirurgie te 
bespreken. De chirurg heeft tijdens dat consult aan patiënte uitgelegd dat een operatie op dat 
moment geen reële optie was.

3.15  Op 7 september 2021 vond een nieuwe PET-CT-scan plaats. Hierop was een fraaie metabole afname 
van de kanker te zien.

3.16  Op 29 september 2021 kreeg patiënte de laatste chemotherapie toediening. Tijdens het consult 
van 6 oktober 2021 werd besproken om met de hormoontherapie door te gaan. Tijdens het consult van 
29 oktober 2021 zei patiënte dat zij opnieuw chemotherapie wenste. De internist besprak met 
patiënte dat eerst de embolisatie in het G moest worden afgewacht. Deze embolisatie vond plaats op 
30 november 2021 en ging technisch goed.

3.17  Op 21 december 2021 is een PET-CT-scan gemaakt. Op de scan was een plekje op de wervel te 
zien, een nieuwe uitzaaiing in het bot.

3.18  Tijdens het telefonisch consult van 26 januari 2022 zei patiënte dat zij koorts had, last had 
van haar luchtwegen en dat zij nauwelijks op haar benen kon staan. Ze was gestopt met de 
hormoontherapie vanwege de bijwerkingen. De internist adviseerde, na overleg met de huisarts, dat 
patiënte met haar huisarts zou overleggen over welke zorg nodig was. Patiënte werd die dag op de 
eerste hulp beoordeeld.

3.19  Op 4 februari 2022 werden een PET-CT-scan en een CT-longembolie gemaakt. Een longembolie kon 
worden uitgesloten. Uit de PET-CT-scan bleek dat er een toename was van uitzaaiingen in de lever en 
in het bot. De longen lieten een progressief beeld zien met meerdere verdachte 
plekken/uitzaaiingen. Op 7 februari 2022 besprak de internist dit slechte nieuws met patiënte en 
een zus van klaagster. De opties waren palliatie of toch nog andere chemotherapie. Patiënte had een 
sterke behandelwens en wilde graag immuuntherapie. De internist heeft bij een ander ziekenhuis 
nagevraagd of patiënte mee kon doen met een studie met immuuntherapie, maar dat bleek niet 
mogelijk. Tijdens het consult kwam verder aan de orde dat patiënte kortademig was. De internist 
heeft hierover contact gehad met de huisarts van patiënte en de longarts in het F. Thuis was 
zuurstof gestart en zo nodig kon prednison worden gegeven.
3.20  Tijdens consulten op 9 februari 2022 maakte de patiënte kenbaar dat zij een zeer sterke 
behandelwens had. De internist heeft uitgelegd dat de prognose slecht was en heeft het palliatieve 
team in consult gevraagd. Op 11 februari 2022 startte patiënte met een nieuwe chemokuur (Caelyx).

3.21  Tijdens een telefonisch consult op 3 maart 2022 zei patiënte dat het iets beter leek te gaan, 
maar hierna verslechterde de situatie verder. In de nacht van 13 op 14 maart 2022 is patiënte 
opgenomen in het F met verdenking van een sepsis. Op 14 maart 2022 is patiënte overleden.

4. De klacht en de reactie van de internist
4.1  Klaagster verwijt de internist:
a) dat zij de verpleegkundig specialist te veel op de voorgrond heeft gezet zonder de patiënte zelf 
op de poli te zien;
b) dat zij fouten heeft gemaakt in de duur van de hormoontherapie;

c) dat zij niet een goed behandelplan heeft opgesteld;
d) algemene tekortkoming om een patiënte te behandelen.

4.2  De internist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het college begrijpt dat het ziekteproces en het overlijden van patiënte veel impact op 
klaagster heeft gehad. Het college heeft daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier (moeten) 
beoordelen of de internist een verwijt in tuchtrechtelijke zin kan worden gemaakt.

De criteria voor de beoordeling
5.2   De vraag is of de internist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de internist geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden.

5.3   Klaagster heeft van de gesprekken met de internist en andere artsen heimelijk geluidsopnames 
gemaakt. Deze geluidsopnames zijn met transcripties aan het college overgelegd. Geluidsopnames die 
zonder toestemming zijn gemaakt, worden in beginsel als bewijs in tuchtzaken toegelaten. 
Vanzelfsprekend is het wel fatsoenlijk om de betrokken gesprekspartners vooraf te informeren over 
het maken van opnames. Dit geldt ook als de geluidsopnames voor eigen gebruik worden gemaakt.

Klachtonderdeel a) policontroles door de verpleegkundige
5.4   Klaagster verwijt de internist dat patiënte bij de nacontroles op de mamma poli steeds is 
gezien door de verpleegkundig specialist en niet door de internist. De internist heeft hiermee 
volgens haar alle verantwoordelijkheid afgeschoven op de verpleegkundig specialist.

5.5   Het college overweegt als volgt. Volgens de destijds geldende (en huidige) Richtlijn 
Borstkanker (hierna: de richtlijn) worden patiënten na de operatie of bestraling voor follow- up 
van de hormoontherapie zelfstandig gezien door de mammacare-verpleegkundige. Bij vragen kan de 
verpleegkundige overleggen met de internist-oncoloog en deze treedt ook op als supervisor van de 
verpleegkundige. De gevolgde werkwijze in het ziekenhuis is dus conform de richtlijn. 
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) duur hormoontherapie
5.6   Klaagster verwijt de internist dat patiënte, in strijd met de richtlijn, niet de volledige 
vijf jaar hormoontherapie heeft volgemaakt. Vanwege een onderbreking van december 2014 tot en met 
maart 2015, heeft de hormoontherapie volgens haar vijf maanden te kort geduurd. Patiënte heeft 
destijds laten weten dat zij graag door wilde gaan met de hormoontherapie, maar de verpleegkundig 
specialist heeft na overleg met de internist gezegd dat de hormoontherapie niet zou worden voortgezet.

5.7   Het college oordeelt dat de duur van de hormoontherapie volgens de richtlijn voldoende is 
geweest. Uit de onderzoeken in oktober 2019 bleek dat patiënte schoon was. Een verlenging van de 
hormoonbehandeling was daarom niet nodig. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) en d) het behandelplan en de behandeling in het algemeen
5.8   Vanwege de samenhang beoordeelt het college deze klachtonderdelen gezamenlijk. Klaagster is 
van mening dat de internist beter andere behandelingen had kunnen inzetten en dat zij 
behandelingen, zoals radiotherapie en chemotherapie, ook had kunnen combineren. Daarnaast verwijt 
zij de internist dat zij onvoldoende heeft gereageerd op pijnklachten van patiënte in haar buik en 
borsten, de ademhalingsproblemen en dat zij geen psychologische hulp heeft ingeschakeld.

5.9   Uit de richtlijn volgt dat de keuze van chemotherapie bij uitgezaaide borstkanker van diverse 
factoren afhangt. In de richtlijn is niet vastgelegd welke behandeling en welke volgorde van 
behandelingen hierbij moet worden gevolgd. Het is aan de behandelaar om te bepalen welke 
behandeling het beste past bij de patiënt, er is geen absolute optimale therapiekeuze of volgorde. 
Met name de conditie van de patiënt speelt hierbij een belangrijke rol. Uit het dossier blijkt dat 
de internist de behandelingen regelmatig heeft besproken met andere behandelaren en oncologen van 
andere ziekenhuizen. Ook zijn er door de internist en door patiënte zelf meerdere second opinions 
aangevraagd. Uit deze overleggen is niet naar voren gekomen dat de internist een andere behandeling 
had moeten inzetten. Het is ook niet gebruikelijk om chemotherapie voor borstkanker te combineren 
met radiotherapie of met embolisatie. De behandeling met chemotherapie wordt dan vaak tijdelijk 
stopgezet. Naar het oordeel van het college zijn de behandelingen die de internist heeft ingezet, 
juiste behandelingen geweest voor patiënte in haar conditie.

5.10  Het college is verder van oordeel dat de internist voldoende heeft gereageerd op de 
(pijn)klachten van patiënte. Naar aanleiding van de buikpijnklachten heeft de internist onderzoeken 
aangevraagd en heeft zij met patiënte gesproken over pijnstilling. De pijnklachten in de borsten 
kwamen aan de orde tijdens de consulten met de verpleegkundig specialist en hier heeft de 
verpleegkundig specialist passende adviezen voor gegeven.

5.11  Voor de longklachten was aandacht tijdens de consulten in februari 2022. Gebleken was dat de 
kanker was uitgezaaid naar de longen en dat patiënte hier ook benauwdheidsklachten van zou kunnen 
ondervinden. De internist heeft naar voren gebracht dat zij aan patiënte heeft uitgelegd dat de 
chemotherapie ook de klachten van kortademigheid zou kunnen verlichten. De internist heeft een 
longarts van het ziekenhuis in consult gevraagd, maar patiënte had ook al contact met haar longarts 
in het F. Afgesproken werd om de contacten voor de longproblemen verder via de longarts uit het F 
te laten verlopen. Niet gebleken is dat de internist onvoldoende aandacht heeft gehad voor deze 
klachten.

5.12  Ten slotte heeft de internist op verzoek van patiënte de psycholoog in het ziekenhuis in 
consult gevraagd. Dat de psycholoog verdere psychologische zorg in de thuissetting heeft 
geadviseerd, betreft het handelen van de psycholoog en niet dat van de internist en kan haar dus 
niet worden verweten.

5.13  De klachtonderdelen c) en d) zijn op grond van het bovenstaande ook kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.14  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 april 2025 door E.A. Messer, voorzitter, L.W.M. Creemers, 
lid-jurist, C.M.F. Kruijtzer, H.R.H. de Geus en D. Boerma, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.