ECLI:NL:TGZCTG:2026:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3178 herziening
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:115 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-05-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3178 herziening |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft bij het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 52 Wet BIG een verzoek ingediend tot herziening van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 26 november 2025. Het Centraal Tuchtcollege concludeert dat alleen om herziening kan worden verzocht door degene over wie is geklaagd. Daarnaast is herziening bedoeld om een beslissing te herstellen die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt en niet voor een hernieuwde discussie over uitspraken. Op basis hiervan heeft het Centraal Tuchtcollege verzoeker (klager) niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herziening van de beslissing van 26 november 2025 |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing op het verzoek tot herziening in de zaak onder nummer C2026/3178 van:
A.,
wonende te B.,
verzoeker,
strekkende tot herziening van de beslissing d.d. 26 november 2025 van het Centraal
Tuchtcollege gegeven in de zaak met nummer C2024/2586 van:
A.,
wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C.,
oogarts,
werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. D. Benamari, verbonden aan
VvAA Legal te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 Verzoeker heeft op 3 januari 2022 een ooglaserbehandeling ondergaan. De ingreep
is uitgevoerd door een in het buitenland opgeleide oogarts onder supervisie van de
oogarts. Na de ingreep heeft klager last gekregen van droge ogen en pijn. Verzoeker
heeft op 8 september 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen de oogarts
een klacht ingediend. Verzoeker verweet de oogarts:
a) het veelvuldig afwijken van de Consensus 2018 van het Nederlands Gezelschap voor
Refractie Chirurgie (NGRC);
b) klager niet te hebben gevraagd naar zijn motivatie voor de behandeling en daardoor
geen niet-invasieve alternatief te hebben aangeboden;
c) de operatie te hebben doorgezet, terwijl klager in een risicogroep viel;
d) onvoldoende informatie te hebben verstrekt en onvoldoende bedenktijd te hebben
gegeven;
e) de operatie uitgevoerd te hebben zonder dat voorafgaand de daartoe toegewezen
tests zijn uitgevoerd;
f) om bedrijfseconomische redenen lage complicatiekansen te hebben weergegeven;
g) inadequate verslaglegging;
h) inadequate nazorg;
i) klager niet te hebben geïnformeerd over het gegeven dat de ingreep onder opdracht
is uitgevoerd, en dat noch de oogarts noch de zorgverlener die de opdracht heeft uitgevoerd
voor de operatie kennis met hem heeft gemaakt;
j) het medisch dossier gebrekkig te hebben aangeleverd;
k) dat zij opdracht heeft gegeven aan een onbekwaam en onbevoegd persoon;
l) dat er geen calamiteitenrapport is opgesteld en dat er geen sprake is van een
lerende houding.
1.2 Bij beslissing van 9 augustus 2024 met zaaknummer A2023/6071 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:190) heeft het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam klachtonderdelen g) en i) gegrond verklaard en aan de arts een waarschuwing opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Verzoeker heeft bij het Centraal Tuchtcollege beroep ingesteld tegen deze beslissing. Bij beslissing van 26 november 2025 met nummer C2024/2586 (ECLI:NL:TGZCTG:2025:192) heeft het Centraal Tuchtcollege het beroep verworpen.
1.3 Klager heeft op 6 februari 2026 bij het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 52 Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) juncto artikel 23 e.v. Tuchtrechtbesluit BIG een verzoek ingediend tot herziening van de beslissing van 26 november 2025.
1.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft het verzoek tot herziening buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer behandeld.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek
2.1 Verzoeker vraagt het Centraal Tuchtcollege zijn herzieningsverzoek in behandeling te nemen omdat geen sprake zou zijn geweest van een eerlijk proces. Die mogelijkheid biedt het recht hem echter niet. Dat wordt hierna uitgelegd.
2.2 Op grond van artikel 52 van de Wet BIG is herziening mogelijk van een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing waarbij een in artikel 48 eerste, tweede of vierde lid van die wet omschreven maatregel werd opgelegd. Vereist is dan, dat naderhand omstandigheden zijn gebleken die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid indien zij tijdig bekend waren geworden. Op grond van artikel 23, eerste lid van het Tuchtrechtbesluit wordt de herziening bij het Centrale Tuchtcollege verzocht door degene over wie was geklaagd.
2.3 Door herziening kunnen dus beslissingen worden herzien op verzoek van de beklaagde aan wie een maatregel was opgelegd, en wel ter correctie van naderhand onjuist gebleken feitelijke uitgangspunten. Dit instrument leent zich niet voor een hernieuwde discussie over uitspraken – noch op initiatief van de beklaagde, noch dat van de klager.
2.4 Wat verzoeker in zijn herzieningsverzoek heeft aangevoerd dwingt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet tot afwijking van (i) de wettelijke regeling dat alleen om herziening kan worden verzocht door degene over wie is geklaagd of (ii) het uitgangspunt dat dit instrument is bedoeld om een beslissing te herstellen die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege het herzieningsverzoek niet in behandeling kan nemen. Het Centraal Tuchtcollege zal verzoeker daarom in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot herziening van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 26 november 2025.
Deze beslissing is op 7 mei 2026 genomen door: E.J. Daalder, voorzitter, A.S. Gratama
en
M.W. Zandbergen, leden-juristen en M.K. Dees en B.L.M. Zijlmans, leden-beroepsgenoten,
en bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.