ECLI:NL:TGZCTG:2025:192 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2586
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:192 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-11-2025 |
| Datum publicatie: | 26-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2586 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft op 3 januari 2022 een ooglaserbehandeling ondergaan. De ingreep is uitgevoerd door een in het buitenland opgeleide arts onder supervisie van de oogarts. Na de ingreep heeft klager last gekregen van droge ogen en pijn. Volgens klager is het vooronderzoek niet juist uitgevoerd, waardoor niet duidelijk is geworden dat hij in een risicogroep viel en de operatie ten onrechte is uitgevoerd. Verder is hij ontevreden over de informatie die hij voor de operatie heeft ontvangen. De risico’s zijn daarin te rooskleurig weergegeven, als gevolg waarvan hij geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken. Verder verwijt hij de oogarts dat zij opdracht heeft gegeven aan een onbevoegd en onbekwaam persoon om de ingreep uit te voeren. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft twee klachtonderdelen gegrond verklaard en ter zake daarvan aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2586 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
H., oogarts, werkzaam te F., verweerster in beide instanties,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager heeft op 3 januari 2022 een ooglaserbehandeling ondergaan. De ingreep
is uitgevoerd door een in het buitenland opgeleide oogarts onder supervisie van de
arts. Na de ingreep heeft klager last gekregen van droge ogen en pijn. Volgens klager
is het vooronderzoek niet juist uitgevoerd, waardoor niet duidelijk is geworden dat
hij in een risicogroep viel en de operatie ten onrechte is uitgevoerd. Verder is hij
ontevreden over de informatie die hij voor de operatie heeft ontvangen. De risico’s
zijn daarin te rooskleurig weergegeven, als gevolg waarvan hij geen weloverwogen keuze
heeft kunnen maken. Verder verwijt hij de arts dat zij opdracht heeft gegeven aan
een onbevoegd en onbekwaam persoon om de ingreep uit te voeren.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft twee klachtonderdelen gegrond
verklaard en ter zake daarvan aan de arts de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt
tot hetzelfde oordeel.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2023/6071 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:190). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure
in eerste aanleg, het beroepschrift van klager, het verweerschrift in beroep van de
arts en alle nadien ingestuurde stukken.
2.3 De zaak is op de zitting van 1 oktober 2025 behandeld. Klager en de gemachtigde
van de arts, mr. Van Oosterhout, waren in de zittingszaal aanwezig. De arts heeft
de zitting bijgewoond via een videoverbinding. Partijen hebben vragen van het college
beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager
en mr. Van Oosterhout zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
zoals weergegeven in overweging ‘3. Wat is er gebeurd?’ van de beslissing van het
Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende,
bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep heeft tot doel, zo begrijpt het Centraal Tuchtcollege, dat de klacht alsnog
in zijn geheel gegrond wordt verklaard.
4.2 De arts kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
en verzoekt het beroep van klager te verwerpen.
4.3 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen
die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel
uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd.
Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake
is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.
4.4 In artikel 73, eerste lid onder a, van de Wet BIG wordt bepaald dat door
een klager tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege slechts beroep
kan worden ingesteld voor zover zijn klacht ongegrond is verklaard of voor zover hij
niet-ontvankelijk is verklaard. Dit betekent dat in beroep uitsluitend de klachtonderdelen
die door het Regionaal Tuchtcollege ongegrond zijn verklaard, ter beoordeling voorliggen.
Voor zover het beroep van klager zich richt tegen de door het Regionaal Tuchtcollege
gegrond verklaarde klachtonderdelen, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.
4.5 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop komt het Centraal
Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a)
tot en met f), h) en j) tot en met l) terecht en op goede gronden ongegrond heeft
verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep
geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal
Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van deze klachtonderdelen
onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen over. Ook het Centraal
Tuchtcollege is van oordeel dat de arts in zoverre niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld.
4.6 Het voorgaande betekent dat zal worden beslist als volgt.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk
voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; verklaart klager niet-ontvankelijk
voor zover het beroep zich richt tegen de door het Regionaal Tuchtcollege gegrond
verklaarde klachtonderdelen;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, L. van Dijk en S.M.
Evers, leden-juristen, en T.C.G Feenstra en M.A.J. Wagemans, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 26 november 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.