ECLI:NL:TGZCTG:2026:109 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2756

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:109
Datum uitspraak: 01-06-2026
Datum publicatie: 01-06-2026
Zaaknummer(s): C2025/2756
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: .


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2756 van:

A.,
verblijvende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. D.W.H.M. Wolters, werkzaam te Hoofddorp,

tegen

C.,
psychiater,
werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de psychiater.


1.    Kern van de zaak

1.1    De psychiater is in het kader van een tegen klaagster lopende strafzaak als deskundige benoemd met het verzoek een psychiatrisch onderzoek te doen naar klaagster. Klaagster verwijt de psychiater dat het door hem verrichte onderzoek onzorgvuldig en ondeskundig was en dat sprake is van machtsmisbruik en valsheid in geschrifte. Dit heeft er volgens klaagster toe geleid dat aan haar ten onrechte de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (tbs met dwangverpleging) is opgelegd. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. 

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 24 januari 2025 met nummer A2024/7092 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:25). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift en verschillende e-mailberichten van de gemachtigde van klaagster.

2.3    De zaak is op de zitting van 13 april 2026 behandeld. Klaagster was aanwezig en werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. D.W.H.M. Wolters. Zij heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd. De psychiater is met bericht van verhindering niet verschenen.     

2.4    Daarnaar gevraagd heeft klaagster tijdens de zitting in zaak C2025/2723 verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat het door de psychiater opgestelde rapport wordt gevoegd in het dossier van de eveneens door klaagster aangeklaagde klinisch psycholoog in zaak C2025/2723 en omgekeerd.    

3.    Feiten

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.  

3.2    De psychiater is in 2012 in het kader van een tegen klaagster lopende strafzaak als deskundige benoemd met het verzoek een psychiatrisch onderzoek te doen naar klaagster. Hij heeft haar toen onderzocht. In 2017 is de psychiater opnieuw als deskundige benoemd, in het kader van de eerdere tenlastelegging en twee daarbij komende tenlasteleggingen. 

3.3    De psychiater heeft klaagster op 1 augustus 2017 onderzocht in een spreekkamer van Reclassering Nederland in D. Op 6 september 2017 heeft de psychiater klaagster nogmaals onderzocht in haar toenmalige woning in D. De psychiater heeft zijn bevindingen van het door hem verrichte onderzoek opgeschreven in een Pro Justitia-rapport gedateerd op 16 september 2017. Hij heeft antwoord gegeven op de standaardvraagstelling en op zeven aanvullende vragen. Hij heeft zijn advies besproken met een mederapporteur, een klinisch psycholoog.

3.4    Klaagster is in de strafzaak veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.

3.5    In 2019 is de psychiater in het kader van het hoger beroep in de strafzaak van klaagster opnieuw als deskundige benoemd met het verzoek om de rapportage van 16 september 2017 te actualiseren. Klaagster heeft toen laten weten dat zij geen contact wilde met de rapporteurs. De psychiater heeft dat laten weten aan de opdrachtgever.

4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster verwijt de psychiater dat hij:
a)    geen zorgvuldig en deskundig onderzoek heeft gedaan;
b)    klaagster tijdens een ‘enge ontmoeting’ iets heeft laten tekenen waarvan zij niet wist wat het was;
c)    in de rapportages dingen heeft opgeschreven die niet waar of onjuist zijn, zodat sprake is van machtsmisbruik en valsheid in geschrifte. 
Door het rapport van de psychiater zijn volgens klaagster verkeerde conclusies getrokken. De klacht gaat alleen over het in 2017 opgestelde rapport.

4.2    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij betoogt in beroep onder meer dat de gesprekken met de psychiater in augustus en september 2017 te kort waren en dat hij haar onvoldoende vragen heeft gesteld. Volgens klaagster is de psychiater ook onaangekondigd naar haar huis gekomen en heeft hij haar daar een document laten ondertekenen, zonder goede uitleg over de inhoud van het document en zonder goede uitleg over de gevolgen van ondertekening van dit document. Het rapport is voorts op onjuiste informatie gebaseerd. Belangrijke informatie over zaken die wel goed gingen en over perioden waarin zij goed functioneerde is hierin ten onrechte niet opgenomen, aldus klaagster. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.  

4.3    De psychiater heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster te verwerpen. 

Verzoek om aanhouding in verband met horen van getuigen
4.4    Klaagster heeft voorafgaand aan en bij aanvang van de zitting op 13 april 2026 het Centraal Tuchtcollege gevraagd om de behandeling van de zaak aan te houden. Dit omdat zij twee getuigen had uitgenodigd om tijdens de zitting te worden gehoord (en deze ook tijdig had aangemeld). Eén van de getuigen bleek verhinderd te zijn op de zittingsdatum. Klaagster heeft van de tweede getuige niet meer vernomen wat voor klaagster aanleiding is om het verzoek om deze getuige te horen in te trekken. Volgens klaagster kan de eerste getuige, die als psycholoog in de periode vanaf 2014 enige jaren verantwoordelijk was voor de behandeling van klaagster, informatie geven over een periode voorafgaand aan het onderzoek, waarin klaagster in overleg geen medicatie gebruikte en dat goed ging.

4.5    De beide door klaagster uitgenodigde getuigen zijn niet op de zitting verschenen. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding om het verzoek om aanhouding in verband met het horen van één van deze getuigen te honoreren. Dit college wijst er daarbij op dat de klinisch psycholoog, die in 2017 in opdracht van de rechtbank psychologisch onderzoek naar klaagster deed, destijds de door klaagster bedoelde psycholoog voor informatie heeft benaderd. De klinisch psycholoog is toen echter door de psycholoog verwezen naar de psychiater die op dat moment de behandelaar van klaagster was. Dit omdat de psycholoog de contacten met klaagster geruime tijd daarvoor had afgesloten en zij geen toegang meer had tot haar dossier. De behandelend psychiater heeft vervolgens uitgebreide (schriftelijke) informatie over de behandeling van klaagster door de jaren heen gegeven, welke informatie door de klinisch psycholoog met de psychiater is gedeeld. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is onder deze omstandigheden het horen van de door klaagster uitgenodigde getuige niet noodzakelijk voor de beoordeling van de vraag of de psychiater zorgvuldig en adequaat heeft gerapporteerd. Om die reden wordt de behandeling van de zaak niet aangehouden.

Inhoudelijke beoordeling
4.6    Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de psychiater bij zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden, Een Pro Justitia-rapportage is een deskundigenrapportage. Hiervoor gelden op basis van vaste tuchtrechtspraak vaste criteria. Deze luiden als volgt:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

4.7    Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de psychiater uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de psychiater in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. 

4.8    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt de overwegingen 5.3 tot en met 5.8 van dat college hier integraal over. Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de psychiater het onderzoek in 2017 voldoende deskundig en zorgvuldig heeft verricht. Klaagster heeft ook in beroep niet aannemelijk gemaakt dat de psychiater niet voldoende tijd heeft genomen voor de gesprekken of aan haar te weinig vragen heeft gesteld. Dit college is voorts niet gebleken dat de psychiater onvoldoende uitleg heeft gegeven over de ondertekening van het document bij klaagster thuis of dat deze ondertekening om andere redenen niet volgens de regels is gebeurd. Ook is niet aannemelijk geworden dat de psychiater onwaarheden of onjuistheden in het rapport heeft opgenomen. 

4.9    De conclusie is dat het rapport van de psychiater van 2017 voldoet aan de vijf hiervoor bedoelde criteria. De psychiater heeft ook in redelijkheid tot de hierin opgenomen conclusies en beantwoording van de vragen kunnen komen. 

Conclusie 
4.10    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht terecht en op goede gronden ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt daarom het beroep. 

5.      Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, 
M.W. Zandbergen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en I.A. de Boer en J.A.M. Rutgers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2026.
Voorzitter   w.g.   Secretaris  w.g.