We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:108 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2723

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:108
Datum uitspraak: 01-06-2026
Datum publicatie: 01-06-2026
Zaaknummer(s): C2025/2723
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: .

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2723 van:


A.,
verblijvende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. D.W.H.M. Wolters, werkzaam te Hoofddorp,

tegen

C.,
klinisch psycholoog,
werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties, 
hierna: de klinisch psycholoog.


1.    Kern van de zaak

1.1    De klinisch psycholoog is in 2017 en in 2019 in het kader van een tegen klaagster lopende strafzaak als deskundige benoemd met het verzoek een psychologisch onderzoek te doen bij klaagster. Klaagster verwijt de klinisch psycholoog dat het door haar in 2017 verrichte onderzoek onzorgvuldig en ondeskundig was en dat sprake is van machtsmisbruik en valsheid in geschrifte. Dit heeft er volgens klaagster toe geleid dat aan haar ten onrechte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (tbs met dwangverpleging) is opgelegd. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. 

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 31 december 2024 met nummer A2024/7093 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:281). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift en verschillende e-mailberichten van de gemachtigde van klaagster.

2.3    De zaak is op de zitting van 13 april 2026 behandeld. Klaagster en de klinisch psycholoog waren beiden aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. D.W.H.M. Wolters.  Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van partijen zijn aan het dossier toegevoegd. 

2.4    Daarnaar gevraagd heeft klaagster ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de door de klinisch psycholoog opgestelde rapporten worden gevoegd in het dossier van de eveneens door klaagster aangeklaagde psychiater in zaak C2025/2756 en omgekeerd.    

3.    Feiten

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. 

3.2    De klinisch psycholoog is in 2017 in het kader van een tegen klaagster lopende strafzaak als deskundige benoemd met het verzoek een psychologisch onderzoek te doen naar klaagster. Klaagster is in verband met dit onderzoek gezien door de klinisch psycholoog in een pand van E. in D. Daar hebben zij met elkaar gesproken. 

3.3    De klinisch psycholoog heeft haar bevindingen van het door haar verrichte onderzoek opgeschreven in een F-rapport gedateerd 2017.

3.4    De rechtbank heeft in de strafzaak bij de beoordeling van de strafbaarheid van klaagster en de op leggen straf/maatregel gebruik gemaakt van de bevindingen en adviezen/conclusies van de klinisch psycholoog.

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Klaagster verwijt de klinisch psycholoog dat zij:
a)    geen zorgvuldig en deskundig onderzoek heeft gedaan omdat zij haar slechts eenmaal kort heeft gesproken;
b)    klaagster tijdens een ‘enge ontmoeting’ iets heeft laten tekenen waarvan zij niet wist wat het was;
c)    in de rapportages dingen heeft opgeschreven die niet waar of onjuist zijn, zodat sprake is van machtsmisbruik en valsheid in geschrifte. 
Door het rapport van de klinisch psycholoog zijn in de strafzaak volgens klaagster verkeerde conclusies getrokken en is ten onrechte de maatregel van TBS opgelegd. 

4.2    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij betoogt in beroep dat zij de sfeer tijdens het contact met de klinisch psycholoog in 2017 als eng en intimiderend heeft ervaren en dat dit van invloed is geweest op de uitkomst van het onderzoek. De klinisch psycholoog is zich hiervan onvoldoende bewust geweest. Volgens klaagster heeft de klinisch psycholoog haar ook niet goed uitgelegd wat de gevolgen zijn van het ondertekenen van een toestemmingsformulier. Het rapport is voorts op onjuiste informatie gebaseerd. Belangrijke informatie over zaken die wel goed gingen en over perioden waarin zij goed functioneerde is hierin ten onrechte niet opgenomen, aldus klaagster. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.  

4.3    De klinisch psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij vraagt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster te verwerpen. 

Verzoek om aanhouding in verband met horen van getuigen
4.4    Klaagster heeft voorafgaand aan en bij aanvang van de zitting op 13 april 2026 het Centraal Tuchtcollege gevraagd om de behandeling van de zaak aan te houden. Dit omdat zij twee getuigen had uitgenodigd om tijdens de zitting te worden gehoord (en deze ook tijdig had aangemeld). Eén van de getuigen bleek op de dag van de zitting verhinderd te zijn. De andere getuige heeft niet gereageerd op het verzoek van klaagster wat voor haar aanleiding was om het verzoek om deze getuige te horen in te trekken. Volgens klaagster kan de eerste getuige, die als psycholoog in de periode vanaf 2014 enige jaren verantwoordelijk was voor de behandeling van klaagster, informatie geven over een periode voorafgaand aan het onderzoek, waarin klaagster in overleg geen medicatie gebruikte en dat goed ging. Klaagster wil deze getuige onder meer vragen welke vragen de klinisch psycholoog in het kader van het onderzoek aan haar heeft voorgelegd. 

4.5    De beide door klaagster uitgenodigde getuigen zijn niet op de zitting verschenen. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding om het verzoek om aanhouding in verband met het horen van één van deze getuigen te honoreren. Dit college wijst er daarbij op dat de klinisch psycholoog in het onderzoek van 2017 de door klaagster bedoelde psycholoog heeft benaderd en door haar toen is verwezen naar de psychiater die op dat moment de behandelaar van klaagster was. Dit omdat de psycholoog de contacten met klaagster geruime tijd daarvoor had afgesloten en zij geen toegang meer had tot haar dossier. De behandelend psychiater heeft vervolgens uitgebreide (schriftelijke) informatie over de behandeling van klaagster door de jaren heen gegeven, welke informatie door de klinisch psycholoog bij het opstellen van haar rapport is gebruikt. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is onder deze omstandigheden het horen van de door klaagster uitgenodigde getuigen niet noodzakelijk voor de beoordeling van de vraag of de klinisch psycholoog zorgvuldig en adequaat heeft gerapporteerd. Om die reden wordt de behandeling van de zaak niet aangehouden.

Inhoudelijke beoordeling
4.6     Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de klinisch psycholoog bij haar beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de voor de klinisch psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden, waaronder de gedragscode van de NRGD en de in 2017 geldende richtlijnen ‘Forensisch Psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht’ van het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie). Een Pro Justitia-rapportage is een deskundigenrapportage. Hiervoor gelden op basis van vaste tuchtrechtspraak vaste criteria. Deze luiden als volgt:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

4.7    Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de klinisch psycholoog uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de klinisch psycholoog in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen. 

4.8    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt de overwegingen 5.3 tot en met 5.9 van dat college hier integraal over. Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de klinisch psycholoog haar onderzoek in 2017 deskundig en zorgvuldig heeft verricht. Klaagster heeft ook in beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij – anders dan in het rapport van 2017 is vermeld - de klinisch psycholoog toen niet twee keer, maar slechts één keer heeft gesproken. Dat klaagster het contact met de klinisch psycholoog – mede door de locatie waar de ontmoeting plaatsvond – als eng en intimiderend heeft ervaren, is spijtig, maar betekent niet dat de klinisch psycholoog hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit college is voorts niet gebleken dat de klinisch psycholoog onvoldoende uitleg heeft gegeven over de ondertekening van het toestemmingsformulier of dat deze ondertekening om andere redenen niet volgens de regels is gebeurd. 

4.9    De conclusie is dat het rapport van de klinisch psycholoog van 2017 voldoet aan de vijf hiervoor bedoelde criteria. De klinisch psycholoog heeft ook in redelijkheid tot de hierin opgenomen conclusies en beantwoording van de vragen kunnen komen. 

Conclusie 
4.10    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht terecht en op goede gronden ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt daarom het beroep. 

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, 
M.W. Zandbergen en H.K.N. Vos, leden-juristen, en A. de Keijser en M. Verkade, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2026.
Voorzitter  w.g.         Secretaris  w.g.