ECLI:NL:TGZCTG:2026:103 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2984
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:103 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 20-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2984 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. De echtgenote van klager, hierna patiënte, was in april 2022 opgenomen in het ziekenhuis vanwege ondervoeding door slikproblemen en aldaar is een neusmaagsonde geplaatst. Patiënte kreeg als thuismedicatie macrogol voorgeschreven. Na ontslag bleef patiënte last houden van de sonde en ondervond zij meerdere klachten, zoals misselijkheid, braken en het uitspugen van de sonde. In mei 2023 kreeg patiënte een PEG-J sonde. Klager vindt – kort gezegd – dat de huisarts in de zorg omtrent de voorgeschreven medicatie, de sonde(voeding) en de klachten van patiënte tekort is geschoten. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2984 van:
A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., huisarts,
voorheen werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 De echtgenote van klager, hierna patiënte, was in april 2022 opgenomen in
het ziekenhuis vanwege ondervoeding door slikproblemen. In het ziekenhuis is een neusmaagsonde
geplaatst. Patiënte kreeg als thuismedicatie macrogol voorgeschreven. Na ontslag bleef
patiënte last houden van de sonde en ondervond zij meerdere klachten, zoals misselijkheid,
braken en het uitspugen van de sonde. In mei 2023 werd bij patiënte een PEG-J sonde
geplaatst. Klager vindt – kort gezegd – dat de huisarts in de zorg omtrent de voorgeschreven
medicatie, de sonde(voeding) en de klachten van patiënte te kort is geschoten.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2024/7916 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:200).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege
samengestelde procesdossier, het beroepschrift, het verweerschrift in beroep en de
e-mailberichten met bijlagen van de zijde van klager van 25 maart, 29 maart en 3
april 2026.
2.3 De zaak is op de zitting van 20 april 2026 behandeld. Daar waren aanwezig klager, bijgestaan door zijn zoon, en de huisarts bijgestaan door haar gemachtigde mr. Daniels. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten.
3.2 Patiënte (geboren in 1939) was van 5 april 2022 tot 14 april 2022 opgenomen in het D.- Ziekenhuis. De opname vond plaats vanwege ondervoeding door slikproblemen ten gevolge van bestraling van de speekselklier in 1973.
3.3 Tijdens de opname was een NPO-beleid (niets per os; oftewel geen voeding via
de mond) afgesproken en kreeg patiënte een neusmaagsonde voor de volledige sondevoeding.
Op 14 april 2022 werd patiënte uit het ziekenhuis ontslagen. Er vond in de ochtend
een ontslaggesprek plaats, hier was klager niet bij aanwezig. In de ontslagbrief aan
de huisarts staat het volgende genoteerd:
‘(…) Actuele medicatie: thuismedicatie
Macrogol/zouten pdr v drank (movic/molax/laxt/gen); oraal; zo nodig 2 x per dag
1 stuk
(…)’
3.4 Op 21 april 2022, enkele dagen na het ontslag, heeft de huisarts, een visite afgelegd. Tijdens de visite werd de voorgeschreven macrogol niet besproken.
3.5 In de periode hierop volgend heeft patiënte verschillende problemen ondervonden, waaronder overgeven en het diverse malen uitspugen van de sonde waarna deze opnieuw moest worden geplaatst. Door de huisarts zijn, in overleg met specialisten, verschillende vormen van medicatie tegen de misselijkheid geprobeerd.
3.6 In december 2022 hebben klager en de huisarts gesproken over de mogelijkheid
van een PEG-sonde. Op 31 januari 2023 heeft de huisarts patiënte hiervoor doorverwezen
naar de
MDL-arts. Ook in deze periode bleef patiënte klachten houden van misselijkheid en
het uitbraken van de sonde.
3.7 Op 19 mei 2023 heeft patiënte een PEG-J sonde gekregen in het E.. Ook met deze sonde was patiënte misselijk en bleef zij af en toe overgeven.
3.8 In april 2024 heeft de huisarts vanwege verstopping bij patiënte macrogol voorgeschreven.
3.9 De situatie van patiënte verslechterde. Patiënte is na het staken van de sondevoeding op 19 juli 2024 overleden.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de huisarts dat zij:
a) na het ontslag uit het ziekenhuis geen goede of onvoldoende navraag gedaan
heeft bij de ziekenhuisarts over de noodzaak en het nut van de voorgeschreven medicatie
(macrogol);
b) klager en patiënte er nooit op heeft gewezen dat patiënte minimaal twee liter
vocht moest gebruiken om verstopping als gevolg van de sondevoeding te voorkomen;
c) nooit heeft besproken dat de misselijkheid, het overgeven en de obstipatie
(mogelijk) het gevolg van de sondevoeding waren;
d) geen medicatie heeft geadviseerd/voorgeschreven waarmee de misselijkheidsproblemen
opgelost konden worden;
e) een te lang gebruik van een neusmaagsonde heeft toegestaan;
f) nooit heeft gewezen op de mogelijkheid of de noodzaak om een PEG-J-sonde te
plaatsen;
g) bij het raadplegen van specialisten geen volledige beschrijving van de voorgeschiedenis
en klachten heeft gegeven en het advies van het ziekenhuis over macrogol niet heeft
gedeeld;
h) een tunnelvisie had ten aanzien van het probleem misselijkheid en overgeven
en uitspugen van de sonde;
i) niet heeft gevraagd om ontlasting bij de houden;
j) nooit heeft geadviseerd het medicatievoorschrift (macrogol) vanuit het ziekenhuis
op te volgen;
k) geen indicatie heeft gegeven over de dosering van de macrogol;
l) geen adviezen heeft gegeven of voorstellen heeft gedaan over het dagelijks
gebruik en de dosering van de sondevoeding om het leven van patiënte dragelijker te
maken;
m) geen contact met de dagelijkse thuiszorgmedewerkers heeft gehad over de situatie
van patiënte.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.
4.3 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep te verwerpen.
Ontvankelijkheid in beroep
4.4 Met de huisarts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de klachten
in beroep over de onvolledige en foutieve informatieverstrekking aan specialisten,
de onzorgvuldige verslaglegging en tegenstrijdige verklaringen en het gebrek aan inspanning
om de kennis rondom sonde(voeding) te vergroten, in de procedure bij het Regionaal
Tuchtcollege niet zijn aangevoerd. Dit zijn nieuwe klachten van klager. De procedure
in beroep is bedoeld om het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachten of
bepaalde onderdelen daarvan opnieuw ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege
voor te leggen. In beroep kunnen geen nieuwe klachten meer worden voorgelegd. Voor
dat deel zal het Centraal Tuchtcollege klager dan ook niet-ontvankelijk verklaren
in zijn beroep.
Procedure bij het Regionaal Tuchtcollege
4.5 Klager heeft in beroep opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal van de
zitting bij het Regionaal Tuchtcollege. Hij heeft dit in zijn e-mail van 27 oktober
2025 schriftelijk toegelicht en bij de mondelinge behandeling op de zitting van het
Centraal Tuchtcollege heeft hij zijn standpunten hierover naar voren kunnen brengen.
Voor zover er sprake is geweest van een verzuim in het proces-verbaal is dit inmiddels
hersteld door de behandeling van de zaak in beroep.
Toetsingskader
4.6 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat het zich realiseert dat
het overlijden van patiënte een zeer verdrietige en ingrijpende gebeurtenis is voor
klager, die een grote invloed heeft gehad en nog altijd heeft op zijn leven. Het college
heeft daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen of de huisarts
de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm hiervoor is een
redelijk bekwame en redelijk handelend huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor haar geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Inhoudelijke beoordeling
4.7 Het Centraal Tuchtcollege komt op basis van de stukken en de mondelinge toelichting
daarop tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht in alle onderdelen
terecht ongegrond heeft verklaard.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen onder 5.3 tot en met 5.19 hier integraal over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.9 Naar aanleiding van de behandeling van de zaak in beroep wil het Centraal Tuchtcollege hier nog het volgende aan toevoegen en benadrukken. De kern van de klacht is dat de huisarts patiënte na haar ontslag uit het ziekenhuis in behandeling heeft genomen terwijl zij zelf geen kennis en ervaring had met sonde(voeding) en daarbij heeft verzuimd om de noodzakelijke deskundigheid in te schakelen en het gebruik van macrogol heeft geweigerd. Hierdoor heeft patiënte volgens klager onnodig geleden.
4.10 Het college overweegt dat de huisarts de zorg van patiënte heeft overgenomen na haar ontslag uit het ziekenhuis. Het is vanaf dat moment de verantwoordelijkheid van de huisarts om de algemene gezondheidstoestand van patiënte te bewaken, patiënte te begeleiden en problemen te signaleren, waarbij zij zo nodig hulp of advies vraagt aan een specialist. Anders dan klager betoogt, betekent deze verantwoordelijkheid van de huisarts niet dat zij de volledige regie met betrekking tot het inzetten van de sonde, de duur of het soort sonde of de dosering van de sondevoeding overneemt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat dit - in een geval als dit - niet tot de taak van de huisarts behoort. Die taken liggen bij de behandelaar, in dit geval de internist en de MDL-arts en de diëtiste, omdat zij bekwaam zijn deze handelingen uit te voeren.
4.11 Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de huisarts zeer regelmatig contact heeft gehad met patiënte en klager, waarbij de problemen die er op dat moment waren zijn besproken. Hierbij heeft de huisarts indien nodig geschakeld met specialisten zoals een MDL-arts of een diëtist, of patiënte verwezen naar het ziekenhuis. De huisarts heeft vanaf het begin aan patiënte en klager laten weten dat zij niet kan adviseren over de sonde(voeding). Uit het medisch dossier volgt dat zij patiënte en klager bij specifieke vragen over de sonde(voeding) heeft geadviseerd contact op te nemen met de specialist of de diëtiste en haar te laten weten als dit contact niet lukte. Zoals blijkt uit wat hiervoor onder 4.10 is overwogen is dat precies wat - in een geval als dit - van een huisarts bij een patiënt die sondevoeding krijgt mag worden verwacht. Uit het huisartsenjournaal en het dossier van de thuiszorg volgt verder dat patiënte en klager ook zelf regelmatig contact hebben gehad met specialisten in het ziekenhuis en de diëtiste. Naar het oordeel van het college heeft de huisarts hiermee op adequate wijze invulling gegeven aan de hiervoor beschreven verantwoordelijkheid.
4.12 Dat de huisarts (structureel) zou hebben geweigerd om macrogol voor te schrijven kan het college uit het medisch dossier niet afleiden. Het Centraal Tuchtcollege is het met het Regionaal Tuchtcollege eens dat de klachten van patiënte zoals die volgen uit het dossier niet wezen op obstipatie, waardoor het gebruik van macrogol, wat overigens was voorgeschreven door de internist en door de apotheek aan patiënte was verstrekt, niet nodig was.
4.13 Het is het college duidelijk geworden dat klager (achteraf) andere verwachtingen heeft gehad van de zorg aan patiënte door de huisarts. Dit leidt echter niet tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Daarom hecht het college eraan op te merken dat de beschuldigingen van klager van moord op en marteling van patiënte zonder enige grond en daarmee misplaatst zijn. Het is begrijpelijk dat de huisarts heeft aangegeven hierdoor geraakt te zijn. Het verlies van zijn echtgenote vormt voor klager, hoe invoelbaar die pijn ook is, geen rechtvaardiging voor het uiten van dergelijke beschuldigen.
Conclusie
4.14 Het voorgaande betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover in beroep nieuwe klachten zijn aangevoerd;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter, S.M. Evers en J.M.T. Van
der Hoeven-Oud, leden-juristen, en J. van Krimpen en E.J.F.M. de Kruijf, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.