ECLI:NL:TGZCTG:2026:102 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2947
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:102 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 19-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2947 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht van een zorgverzekeraar tegen en verpleegkundige. De verpleegkundige was enig aandeelhouder/bestuurder van een onderneming in de vorm van een besloten vennootschap die (thuis)zorg verleende. De onderneming declareerde zorgvergoedingen bij klaagster als zorgverzekeraar. Klaagster verwijt de verpleegkundige het declareren van niet geleverde zorg, het declareren van zorg die niet voor vergoeding in aanmerking komt en het niet voldoen aan de dossierplicht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van haar inschrijving in het BIG-register opgelegd. De verpleegkundige komt in beroep op tegen de zwaarte van de aan haar opgelegde maatregel en vraagt het Centraal Tuchtcollege om te volstaan met een lichtere maatregel. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de verpleegkundige. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2947 van:
A., verpleegkundige,
destijds werkzaam in B.,
appellante in beroep, verweerster in eerste aanleg
hierna: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr, advocaat te Rotterdam.
tegen
C.-ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te D.,
verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. A. van Noort, advocaat te Den Haag.
1. De zaak in het kort
1. De verpleegkundige was enig aandeelhouder/bestuurder van een onderneming in de
vorm van een besloten vennootschap die (thuis)zorg verleende. De onderneming declareerde
zorgvergoedingen bij klaagster als zorgverzekeraar. Klaagster verwijt de verpleegkundige
het declareren van niet geleverde zorg, het declareren van zorg die niet voor vergoeding
in aanmerking komt en het niet voldoen aan de dossierplicht.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van haar inschrijving in het BIG-register opgelegd. De verpleegkundige komt in beroep op tegen de zwaarte van de aan haar opgelegde maatregel en vraagt het Centraal Tuchtcollege om te volstaan met een lichtere maatregel. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de maatregel van doorhaling passend is en daarom terecht is opgelegd.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 De verpleegkundige heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle van 8 juli 2025 met nummer
Z2024/7361 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:77). Klaagster heeft een verweerschrift ingediend.
2.2 De zaak is op de zitting van 1 april 2026 behandeld. Partijen en hun gemachtigden waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die mr. Bohr en mr. Van Noort hebben gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.
3.2 De verpleegkundige was enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming E.-Zorg B.V. te B., opgericht op 14 juli 2016 die (thuis)zorg verleende (hierna: E.).
Op 30 april 2019 is, op eigen verzoek, het faillissement van de onderneming uitgesproken. In verband met dit faillissement is de onderneming opgeheven per 11 mei 2019. Het faillissement is op 20 mei 2021 opgeheven wegens gebrek aan baten.
3.3 Door klaagster werd wegens verdenking van fraude onderzoek naar de declaraties wijkverpleging van E. verricht over de periode van 3 maart 2016 tot en met 31 december 2017. Er werd dossiercontrole verricht en een aanvullend onderzoek naar de urenverantwoording gedaan. E. werd in het kader van het onderzoek verzocht informatie en stukken te verstrekken. Dit deed zij onder meer door middel van een USB-stick met informatie die op 9 augustus 2018 werd overhandigd.
3.4 De verpleegkundige reageerde op 24 oktober 2018 schriftelijk op de per brief
van
11 oktober 2018 door klaagster meegedeelde voorlopige onderzoeksbevindingen. De
definitieve bevindingenrapportage werd bij brief van 17 januari 2019 toegestuurd.
Hierna vond nog een gesprek plaats op 6 maart 2019, waarbij naast de verpleegkundige
ook de heer F. (de toenmalige partner van de verpleegkundige) en de heer G. (bedrijfsadviseur/jurist)
namens E. aanwezig waren.
3.5 Bij brief van 28 maart 2019 werd de verpleegkundige als bestuurder van E. door klaagster geïnformeerd over de uitkomsten van het fraudeonderzoek. Klaagster vorderde voor een totaalbedrag aan € 580.127,47 aan ten onrechte ontvangen uitkeringen van E. terug. E. heeft kort daarna haar eigen faillissement aangevraagd.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
1. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij:
- bewust en stelselmatig declaraties heeft ingediend bij klaagster voor zorg die in werkelijkheid niet of niet als zodanig door E. werd geleverd;
- bewust en stelselmatig bij klaagster zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komt;
- dat zij bij gebrek aan een deugdelijke zorgadministratie niet voldoet aan de dossierplicht (artikel 7:454 BW en artikel 36 Wet Marktordening Gezondheidszorg (Wmg) en V&VN Richtlijn Verpleegkundige en Verzorgende Verslaglegging artikel 3.2.1).
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van haar inschrijving in het BIG-register opgelegd.
4.3 De verpleegkundige is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij vindt de opgelegde maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register niet proportioneel. De verpleegkundige wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege een lichtere maatregel oplegt. Klaagster heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van de verpleegkundige te verwerpen.
Inhoudelijk oordeel
4.4 Het beroep van de verpleegkundige is alleen gericht tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het dossier zoals dat door het Regionaal Tuchtcollege is beoordeeld. Zij heeft geconstateerd dat de verpleegkundige de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege waarin het de klachtonderdelen a) tot en met c) gegrond verklaart, niet (langer) bestrijdt. Op de zitting in beroep heeft de verpleegkundige verklaard dat zij “fouten heeft gemaakt”. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht gegrond is en de overwegingen waarop dat oordeel rust.
4.5 De behandeling van de zaak in beroep geeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding om een lichtere maatregel dan doorhaling op te leggen. Onder verantwoordelijkheid van de verpleegkundige als enig bestuurder van E. en ook zelf als verpleegkundige ten behoeve van E. werkzaam, is over een langere periode structureel en stelselmatig onjuist gedeclareerd. Daarbij kwam dat de dossiervoering en de administratieve organisatie in verregaande mate ondermaats waren Een dergelijke handelwijze waarvoor de verpleegkundige verantwoordelijk was is in strijd met de wet, de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden en de V&VN Richtlijn Verpleegkundige en Verzorgende Verslaglegging. Daarvan kan de verpleegkundige een ernstig tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De verpleegkundige heeft met haar handelwijze de kernwaarden van haar beroep waaronder integriteit, betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid in ernstige mate geschonden en daarmee schade toegebracht aan de beroepsgroep als zodanig en het vertrouwen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Ook tijdens de procedure in beroep heeft de verpleegkundige er onvoldoende blijk van gegeven de ernst van het verweten handelen in te zien. Het Centraal Tuchtcollege acht het daarom niet verantwoord dat de verpleegkundige haar beroep als verpleegkundige nog zal uitoefenen.
Conclusie
4.6 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van de verpleegkundige verwerpen. Dit betekent dat de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register gehandhaafd blijft.
Publicatie
4.7 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het algemeen belang gediend is met de publicatie van deze beslissing en zal bepalen dat deze beslissing wordt bekend gemaakt zoals in het dictum staat vermeld.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
verstaat dat de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register – dan wel de ontzegging van het recht om wederom in dit register te worden ingeschreven – gehandhaafd blijft;
bepaalt dat deze beslissing, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften “Tijdschrift voor Gezondheidsrecht”, “Gezondheidszorg Jurisprudentie”, “Nursing” en “V&VN Magazine”.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, B.J.M. Frederiks en R.A. van der Pol,
leden-juristen, en M.J.E. van Haren en N.A. van Gerwen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.