ECLI:NL:TGZCTG:2026:101 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2938
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:101 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 19-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2938 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van de inspectie tegen een verpleegkundige. De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld door tijdens de behandelrelatie privécontact aan te gaan met een patiënt en aansluitend aan de behandelrelatie een seksuele en persoonlijke relatie aan te gaan met de patiënt. Ook verwijt de inspectie de verpleegkundige dat zij onprofessioneel heeft gehandeld door – zonder dat hiertoe een noodzaak bestond – medische informatie over patiënten met een derde te delen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van schorsing opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Zowel de inspectie als de verpleegkundige komen in beroep tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel. Het beroep van de inspectie slaagt. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover daarbij een deels voorwaardelijke schorsing is opgelegd en legt de verpleegkundige een voorwaardelijke doorhaling van haar inschrijving in het BIG-register op. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2938 van:
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, gevestigd in Utrecht,
ter zitting vertegenwoordigd door: drs. M.C. Olsman-Olierook en mw. mr. L. Antonides,
appellante in beroep, verweerster in incidenteel beroep, klaagster in eerste aanleg,
hierna: de inspectie,
tegen
A., verpleegkundige,
destijds werkzaam in B.,
verweerster in beroep, appellante in incidenteel beroep, verweerster in eerste aanleg,
hierna: de verpleegkundige.
1. De zaak in het kort
1.1 De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld door tijdens de behandelrelatie privécontact aan te gaan met een patiënt en aansluitend aan de behandelrelatie een seksuele en persoonlijke relatie aan te gaan met de patiënt. Ook verwijt de inspectie de verpleegkundige dat zij onprofessioneel heeft gehandeld door – zonder dat hiertoe een noodzaak bestond – medische informatie over patiënten met een derde te delen.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van schorsing opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Zowel de inspectie als de verpleegkundige komen in beroep tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de maatregel van voorwaardelijke doorhaling passend en geboden is.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 De inspectie heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in ‘s-Hertogenbosch van 16 juli 2025 met nummer
H2025/7998 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:80). De verpleegkundige heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel beroep ingesteld.
De inspectie heeft een verweerschrift in incidenteel beroep ingediend.
2.2 De zaak is op de zitting van 1 april 2026 behandeld. De inspectie en de verpleegkundige waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die mr. Antonides heeft gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep, net als het Regionaal Tuchtcollege, uit van de volgende feiten.
3.2 De verpleegkundige was werkzaam in een instelling die onder meer mensen met een verslaving behandelt (hierna: de instelling). Zij heeft gewerkt op de afdeling waar de patiënt in verband met verslavingsproblematiek was opgenomen. Tijdens zijn opname had de patiënt niet de beschikking over zijn telefoon.
3.3 De patiënt heeft op enig moment tijdens zijn opname een brief geschreven aan de verpleegkundige, waarin hij zijn telefoonnummer had vermeld en de wens had uitgesproken de verpleegkundige beter te leren kennen. Op 5 oktober 2022 heeft de verpleegkundige hem via WhatsApp een bericht gestuurd. Zij heeft haar bericht afgesloten met de mededeling dat zij hoopte hem snel weer te zien.
3.4 Op 7 oktober 2022 in de ochtend heeft de patiënt de instelling verlaten en beschikte hij weer over zijn telefoon. Diezelfde ochtend heeft hij gereageerd op het bericht van de verpleegkundige van 5 oktober 2022. Vanaf dat moment hebben de verpleegkundige en de patiënt veelvuldig contact met elkaar gehad via WhatsApp.
3.5 Op 8 oktober 2022 is de verpleegkundige bij de patiënt thuis geweest. Zij zijn toen een seksuele relatie begonnen, die tot en met december 2022 heeft voortgeduurd. In deze periode hebben de verpleegkundige en de patiënt ook elkaars ouders ontmoet.
3.6 Op 10 oktober 2022 heeft de verpleegkundige de patiënt via WhatsApp gemeld dat hij een (andere) patiënt van de instelling niet hoefde op te halen, omdat die patiënt een tweede officiële waarschuwing heeft gehad en dus al weg was. Op de vraag van de patiënt wat die patiënt heeft gedaan, heeft de verpleegkundige geantwoord (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Nja neit iets heel ergs maar was weer niet bij de wandeling verschenen fzo’’ en “Bleef in bed liggen”.
Op de reactie van de patiënt daarop heeft de verpleegkundige gereageerd:
“Jaa hè! Want nu staat er gewoon niet afgerond’’.
3.7 Op 13 oktober 2022 heeft de verpleegkundige de patiënt via WhatsApp gemeld dat een patiënt van de instelling met ontslag moest.
3.8 Op 16 oktober 2022 heeft de verpleegkundige met haar vriendinnen gesproken over haar relatie met de patiënt. De volgende dag, op 17 oktober 2022, heeft zij de patiënt via WhatsApp bericht:
“Gezelllg, ze waren alleen wel wat geshockeerd toen ik ze vertelde over jou”, “Dat het me baan kan kosten enzo” en “Dus ben er wel over aan het nadenken en eigenlijk kan dit ook niet”.
3.9 Op 17 oktober 2022 heeft de verpleegkundige de patiënt ook bericht:
“Onlangs berichtte Nursing over een verpleegkundige die geschorst werd omdat hij een relatie begon met een ex-patiënt. Het bericht riep nogal wat vragen op, want waarom mag je geen relatie hebben met een patiënt die al is ontslagen? Nursing zocht het uit.
Een psychiatrisch verpleegkundige is zes maanden voorwaardelijk geschorst uit het BIG-register omdat hij een relatie begon met een ex-patiënte. Die maatregel legde het Regionaal Tuchtcollege in Groningen op.’’.
3.10 Op 25 oktober 2022 heeft de verpleegkundige aan de patiënt via WhatsApp over een patiënt van de instelling gemeld dat zij een gesprek met die patiënt had gehad, dat zij hem zielig vond en echt met hem te doen had en dat hij had aangegeven dat zijn moeder en opa zijn enige vrienden waren. De verpleegkundige heeft de naam van deze patiënt met de patiënt gedeeld.
3.11 Op 15 november 2022 heeft de patiënt de verpleegkundige bericht dat hij het zwaar had, dat hij op dat moment niet van iemand kon houden en dat hij merkte dat hij iedere dag met zichzelf bezig moest zijn en er te weinig ruimte was voor de verpleegkundige. Ook heeft hij de verpleegkundige bericht dat hij haar het allerbeste wenste, dat hij voelde dat het op dat moment niet ging werken en dat hij er niet klaar voor was. De verpleegkundige is vervolgens naar de patiënt gegaan. In de avond heeft de verpleegkundige de patiënt via WhatsApp gestuurd:
“En ik laat je niet zomaar vallen, ook al blijf je me wegduwen, zul je toch iets beter je best voor moeten doen” en “Zolang er voor mij hoop is, geef ik niet op”.
3.12 Op 19 februari 2023 is het contact via WhatsApp tussen de verpleegkundige en de patiënt geëindigd, nadat de verpleegkundige de patiënt had gevraagd haar met rust te laten.
3.13 Op 11 augustus 2023 heeft de instelling een melding ontvangen van een organisatie waarvan de patiënt op dat moment begeleiding kreeg. De organisatie heeft aan de instelling gemeld dat een mannelijke patiënt een relatie zou hebben gehad met een vrouwelijke medewerker van de instelling. De instelling heeft naar aanleiding van deze melding contact gehad met de organisatie, die de instelling toen van meer informatie heeft voorzien. Op basis van de verkregen informatie is de instelling bij de verpleegkundige uitgekomen.
3.14 Op 24 augustus 2023 heeft de verpleegkundige een gesprek met de instelling gehad over het gebeurde. Op 25 augustus 2023 is zij op staande voet ontslagen.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
1. De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij:
- seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld door tijdens de behandelrelatie privécontact aan te gaan met een patiënt en aansluitend aan de behandelrelatie een seksuele en persoonlijke relatie aan te gaan met de patiënt;
- onprofessioneel heeft gehandeld door – zonder dat hiertoe een noodzaak bestond – medische informatie over patiënten met een derde te delen.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van schorsing opgelegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
4.3 De inspectie heeft beroep ingesteld tegen de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel. Naar het oordeel van de inspectie is het voorwaardelijke deel van de opgelegde maatregel onvoldoende stok achter de deur en daarmee ontoereikend om het risico op herhaling en daarmee het risico voor de cliëntveiligheid weg te nemen. De verpleegkundige is van mening dat de haar opgelegde maatregel niet proportioneel is en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om haar een lichtere maatregel op te leggen.
Inhoudelijk oordeel
4.4 Het beroep van de inspectie en de verpleegkundige is alleen gericht tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van het dossier zoals door het Regionaal Tuchtcollege is ingestuurd. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht gegrond is en de overwegingen waarop dat oordeel rust.
4.5 De verpleegkundige heeft de professionele grenzen ernstig overschreden door tijdens de afkoelingsperiode een seksuele relatie met een patiënt te beginnen. Volgens vaste jurisprudentie zijn gedragingen zoals die aan de verpleegkundige worden verweten zodanig in strijd met wat van een integere en betrouwbare zorgverlener mag worden verwacht dat in beginsel ten minste een schorsing van de inschrijving van de aangeklaagde in het BIG-register passend en geboden is. Bij de keuze van dat uitgangspunt is maatgevend dat de maatregel voldoende preventieve werking moet hebben om herhaling te voorkomen. Verzachtende omstandigheden kunnen worden meegewogen maar die behoren niet voorop te staan. Daarbij kan de schorsing voorwaardelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer de beklaagde zorgverlener heeft getoond zich bewust te zijn van het verkeerde van zijn of haar gedragingen, en bereid is zo nodig een behandeling te ondergaan om herhaling te voorkomen. Een onvoorwaardelijke schorsing kan echter ook onvoldoende zijn, bijvoorbeeld wanneer de betrokken zorgverlener het norm-overschrijdende en schadelijke karakter van zijn of haar gedragingen niet inziet en een reële kans op herhaling aanwezig moet worden geacht. Hierbij kunnen de ernst en duur van de norm-overschrijdende gedragingen eveneens relevant zijn. In dat geval is een (voorwaardelijke) doorhaling van de inschrijving in het BIG-register passend en geboden.
4.6 De verpleegkundige heeft toegelicht hoe deze relatie is ontstaan, dat zij
haar fout nu inziet en dat zij ervan overtuigd is dat zij dit nooit meer zal doen.
De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet overtuigd
dat de verpleegkundige begrijpt waarom het aangaan van een (seksuele) relatie met
een patiënt een ernstige overschrijding van de professionele grenzen inhoudt. De verpleegkundige
lijkt nog altijd niet doordrongen te zijn van de ongelijke verhouding tussen haar
en de (kwetsbare) ex-patiënt en hoe beschadigend een seksuele relatie voor een (ex-)patiënt
kan zijn. Hoewel de verpleegkundige heeft toegelicht hoe een en ander volgens haar
heeft kunnen gebeuren, heeft zij nog onvoldoende inzicht getoond in haar onderliggende
problemen en kwetsbaarheden die hebben geleid tot het seksueel grensoverschrijdend
gedrag. Zij heeft geen blijk gegeven van enige reflectie.
Ook heeft zij zich nog steeds niet verdiept in het hoe en waarom van de duidelijke
richtlijnen op dit punt. Zo heeft zij op de zitting in beroep verklaard de brochure
‘Het mag niet, het mag nooit’ van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd niet te kennen.
De verpleegkundige is op dit moment als uitzendkracht werkzaam in de ouderen- en gehandicaptenzorg.
Zij heeft haar huidige werkgever niet geïnformeerd over haar ontslag bij de instelling,
het IGJ-onderzoek en de tuchtprocedure. Dit alles baart het Centraal Tuchtcollege
grote zorgen. Het Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal tuchtcollege van
oordeel dat er een risico op herhaling bestaat. Het college acht het dan ook van belang
dat de verpleegkundige wordt ondersteund in het verkrijgen van inzicht in haar onderliggende
problemen en kwetsbaarheden die hebben geleid tot het seksueel grensoverschrijdend
gedrag en de manier waarop zij met de gevolgen van dit gedrag is omgegaan. Op de zitting
werd duidelijk dat de verpleegkundige ook na de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege
niet is gestart met enige vorm van coaching, begeleiding of behandeling gericht op
het inzichtelijk maken van de onderliggende problemen en kwetsbaarheden. Op de zitting
bleek ook dat de verpleegkundige geen intrinsieke motivatie heeft om een psychologische
behandeling te volgen. Zij verklaarde dit wel te gaan doen als het college zou bepalen
dat dit zou moeten. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan niet worden
volstaan met een deels voorwaardelijke schorsing maar is een sterkere “stok achter
de deur” nodig om de verpleegkundige te doordringen van de ernst van het voorgevallene
en de noodzaak om aan haar professionaliteit te werken. Het Centraal Tuchtcollege
acht een voorwaardelijke doorhaling in het BIG-register passend en geboden. Dit betekent
dat de verpleegkundige één laatste kans krijgt. Het doel van deze maatregel is niet
de verpleegkundige te straffen, maar juist het beroepsmatig functioneren van verpleegkundige
te versterken. Anders dan bij de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde schorsing
kan de verpleegkundige haar huidige werkzaamheden voortzetten mits zij zich aan de
hierna te noemen voorwaarden houdt.
Conclusie
4.7 Dit betekent dat het beroep van de inspectie slaagt en het incidenteel beroep van de verpleegkundige zal worden verworpen. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover daarbij een deels voorwaardelijke schorsing is opgelegd, vernietigen en de verpleegkundige een voorwaardelijke doorhaling van haar inschrijving in het BIG-register opleggen.
Publicatie
4.8 Het Centraal Tuchtcollege vindt net als het Regionaal Tuchtcollege dat
het algemeen belang gediend is met de publicatie van deze beslissing en bepaalt daarom
dat deze beslissing zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie
zal worden aangeboden aan de tijdschriften “Tijdschrift voor Gezondheidsrecht”, “Gezondheidszorg
Jurisprudentie”, “Nursing” en “V&VN Magazine”.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
in het principaal beroep:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij aan de verpleegkundige de maatregel van (voorwaardelijke) schorsing is opgelegd;
en, opnieuw rechtdoende:
legt aan de verpleegkundige op de maatregel van doorhaling van haar inschrijving in het BIG-register, maar bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college dat gelast op de grond dat de verpleegkundige binnen een periode van twee jaren na deze beslissing:
- zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die zij als verpleegkundige behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt; en/of
b) zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarden:
1. de verpleegkundige stelt zich op korte termijn, maar uiterlijk binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van deze beslissing, onder behandeling van een BIG-geregistreerd
gz-psycholoog of psychotherapeut en informeert de inspectie, binnen een door de inspectie
te bepalen termijn, wie de behandeling gaat uitvoeren;
2. de verpleegkundige informeert, binnen een door de inspectie te bepalen termijn,
de inspectie over het behandelplan dat tenminste dient te omvatten: bewustwording
van het thema afstand en nabijheid en het overschrijden van persoonlijke en professionele
grenzen binnen of vlak na een zorgrelatie, het verwerven van inzicht in de factoren
die hebben bijgedragen aan het seksueel grensoverschrijdende gedrag, het verkrijgen
van inzicht in en de behandeling van (mogelijke) hulpvragen en kwetsbaarheden op dit
vlak en het versterken van de probleemoplossende vaardigheden van de verpleegkundige
met het oog op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de toekomst;
3. de verpleegkundige geeft aan haar behandelaar schriftelijk toestemming dat de
inspectie bij de behandelaar gedurende het behandeltraject informatie kan inwinnen
over de voortgang, de aard, de inhoud en de frequentie van de behandeling;
4. de verpleegkundige geeft aan haar behandelaar schriftelijk toestemming dat deze
aan het einde van de behandeling aan de inspectie een finale rapportage uitbrengt
dat de behandeling met goed gevolg is afgerond;
5. de verpleegkundige geeft aan de behandelaar schriftelijk toestemming om de inspectie
direct te informeren, zodra de behandeling om een andere reden is afgebroken of gestopt.
draagt de inspectie op toezicht te houden op de bijzondere voorwaarden onder b);
bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de verpleegkundige in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
in het incidenteel beroep:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften “Tijdschrift voor Gezondheidsrecht”, “Gezondheidszorg Jurisprudentie”, “Nursing” en “V&VN Magazine”.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, B.J.M. Frederiks en R.A. van der Pol,
leden-juristen, en M.J.E. van Haren en N.A. van Gerwen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.