ECLI:NL:TGZCTG:2025:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2784
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:218 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 17-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2784 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychotherapeut. De psychotherapeut was betrokken bij de behandeling van klager. Direct na beëindiging van de behandelrelatie – dan wel nog tijdens de behandelrelatie – is zij met klager een persoonlijke en seksuele relatie van bijna zes jaar aangegaan. De inspectie heeft een klacht ingediend wegens het niet in acht nemen van een afkoelingsperiode door verweerster. Klager heeft eveneens een klacht ingediend. Hij klaagt niet alleen over het aangaan van de relatie zonder afkoelingsperiode maar ook over de behandeling zelf, het vernietigen van zijn dossier en het schenden van het beroepsgeheim door verweerster. De klachten van de inspectie en klager zijn gevoegd behandeld. Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht van de inspectie gegrond verklaard en de klacht van klager deels gegrond verklaard. De psychotherapeut is een schorsing van zes maanden van haar bevoegdheid opgelegd om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder formulering van een aantal bijzondere voorwaarden. Alleen klager komt in beroep tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege heeft aanleiding gezien om op grond van artikel 74 lid 4 Wet BIG de zaak in volle omvang te beoordelen en verklaart de klachtonderdelen e) en f) alsnog gegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep, verklaart deze klachtonderdelen alsnog gegrond en legt de psychotherapeut – alles afwegende - de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2784 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., psychotherapeut, (destijds) werkzaam in D., verweerster in beide instanties,
hierna: de psychotherapeut.
1. Kern van de zaak
1.1 De psychotherapeut was als psychotherapeut betrokken bij de behandeling van
klager. Direct na de beëindiging van de behandelrelatie – dan wel nog tijdens de behandelrelatie
– is zij met klager een persoonlijke en seksuele relatie aangegaan zonder dat zij
een afkoelingsperiode in acht heeft genomen. De relatie heeft bijna zes jaar geduurd.
Klager heeft na het einde van deze relatie melding van grensoverschrijdend gedrag
gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie).
1.2 De inspectie heeft daarop onderzoek gedaan en vervolgens een klaagschrift
ingediend wegens het niet in acht nemen van een afkoelingsperiode door de psychotherapeut
alvorens zij een langdurige persoonlijke en seksuele relatie met klager is aangegaan.
Klager heeft eveneens een klacht ingediend over het aangaan van de relatie zonder
afkoelingsperiode maar ook over de behandeling zelf, het vernietigen van zijn dossier
en het schenden van het beroepsgeheim door verweerster. De klachten van de inspectie
en klager zijn gevoegd (gezamenlijk) behandeld en daarom is de beslissing van het
Regionaal Tuchtcollege in beide zaken in één uitspraak vastgelegd.
1.3 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht van de inspectie
gegrond verklaard en de klacht van klager deels gegrond verklaard. De psychotherapeut
is in die uitspraak over de klachten van de inspectie en klager een schorsing van
zes maanden van haar bevoegdheid opgelegd om de aan de inschrijving in het register
verbonden bevoegdheden uit te oefenen, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van twee jaren, onder formulering van een aantal bijzondere voorwaarden.
Alleen klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege
verklaart klachtonderdelen e) en f) van klager alsnog gegrond en legt op de maatregel
van doorhaling van de inschrijving van de psychotherapeut in het BIG-register.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Zwolle met nummers H2024/7517 en H2024/7446 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:30)
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal
Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden,
het verweerschrift en de aanvullende stukken van klager d.d. 21 september 2025.
2.3 De zaak is op de zitting van 6 oktober 2025 behandeld. Klager en de psychotherapeut
waren beiden aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten
nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager en de psychotherapeut zijn aan
het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten.
3.2 Klager was in 2008/2009 gedurende een periode van elf maanden in een Centrum
voor Psychotherapie opgenomen. Verweerster was toen zijn hoofdbehandelaar. Klager
meldde zich in 2016 weer aan bij verweerster met een complexe posttraumatische stressstoornis.
Verweerster was inmiddels gevestigd als zelfstandig psychotherapeut en psychotherapeut.
3.3 Blijkens de factuur die verweerster aan klager stuurde, duurde de behandelrelatie
van
16 september 2016 tot 2 juni 2017.
3.4 In het medisch dossier staat onder meer (alle citaten inclusief eventuele
taal- en spelfouten):
“Do 8-2:18.30 tot 20.00
(…)
Wil contact met psychiater, twijfel over intake H. te E.”
en:
“24-2-17
(…)
Gesprek (second opinion) met F. H. te E. liep OK. Hij overweegt zijn advies: aanmelding
angst en stemming.
(…)
en:
“Ma 6 maart 90 minuten 15 indirect
(…)
Als we verwijzing naar H. te E. bespreken geeft hij aan dat hij het moeilijk vindt
om daar te beginnen. Wantrouwt hulpverlening. Uiteindelijk stelt hij 2 belangrijke
vragen
1) als ik ooit in mijn leven ondanks hv toch weer zo vastdraai , mag ik jou dan
weer
bellen. (ja)hij moet er van huilen en als hij dit vraagt
2) kunnen we niet gewoon vrienden worden en samen koffie drinken. Hij durft het
bijna niet te vragen, maar doet dat toch heel voorzichtig. (vanuit mijn rol als zijn
behandelaar is het antwoord nee, maar ik zeg hem ook dat als wij elkaar op een andere
manier hadden ontmoet bv met zeilen, wij mogelijk wel vrienden zouden kunnen zijn)
(…)”
en:
“14-4 90 min
voelt zich beter o.a door sporten, gebeld door H. te E.,
3 mei intakeH.. Intaker kan info opvragen bij mij.
Heeft een nieuwe date ( G.)is daar hoopvol over.
behandelcontact geëvalueerd en afgesloten.
terug gekeken naar (trauma )behandeling, angst voor dissociatie en misbruik marine
ongegrond, is daar opgelucht over. Meer inzcht in gevolgen van pestervaringen en
daardoor opgelopen zelfbeeldschade, wat onderliggend/ instandhoudend lijkt/leek
voor
nu meer op de voorgrond staande depressieve stoornis. Nu meer toe aan angst en
stemming behandeling H., probeert zich er voor open te stellen.
omarming bij afscheid op verzoek, bijzondere ervaring”
3.5 Op 14 april 2017 omhelzen verweerster en klager elkaar aan het einde van
de sessie (zoals hiervoor in het dossier staat vermeld), welke omhelzing verweerster
als bijzonder intens ervaart. Daarop stuurt verweerster diezelfde dag een e-mail aan
klager om naar zijn beleving van deze omhelzing te vragen. Onmiddellijk daarna volgt
een persoonlijke en seksuele relatie tussen hen die bijna zes jaar duurt. Verweerster
verbreekt de relatie half februari 2023.
3.6 Klager heeft op 3 maart 2023 bij de inspectie melding gedaan van onder meer
seksueel grensoverschrijdend gedrag van verweerster. De inspectie heeft in juni 2024
een rapport opgemaakt en daarna een klacht ingediend. Kort daarop volgt de klacht
van klager.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Het Centraal Tuchtcollege stelt het volgende voorop. Het Regionaal Tuchtcollege
heeft de klacht van klager en de klacht van de inspectie gevoegd behandeld en opgenomen
in één beslissing met vermelding van twee zaaknummers. De klacht van de inspectie
(H2024/7446) is door het Regionaal Tuchtcollege gegrond verklaard en de inspectie
heeft tegen deze beslissing geen beroep ingesteld. In beroep is daarom uitsluitend
het beroep van klager in zijn zaak (H2024/7517) aan de orde.
4.2 Klager verwijt de psychotherapeut:
a) seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens en direct aansluitend op de behandelrelatie;
b) het eenzijdig verbreken van de behandeling van klager met het oog op het voortzetten
van
seksueel contact met klager;
c) het misbruiken van haar uit haar positie voortvloeiend overwicht tijdens en
buiten de
behandelrelatie;
d) het vernietigen van het originele medisch EPD-dossier van klager en het aanleveren
van een
onvolledig en gemanipuleerd (schaduw) dossier;
e) het schenden van haar beroepsgeheim richting derden hetgeen het behandelbelang
van klager heeft geschaad;
f) het verlenen van onzorgvuldige en onprofessionele zorg waarbij verweerster
haar eigen belang zwaarder heeft gewogen dan het behandelbelang van klager, waardoor
het behandeltraject en haar onprofessionele gedrag een averechts effect hebben gehad
op het herstel en het vertrouwen van klager in GGZ-behandelaren blijvend is geschaad.
4.3 Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdelen a) en c) gegrond verklaard
en de klachtonderdelen d) en f) gedeeltelijk gegrond verklaard. De klacht is voor
het overige ongegrond verklaard. Klager is het niet eens met de beslissing van het
Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de ongegrond verklaarde klachtonderdelen
b), d) (deels), e) en f) (deels) alsnog gegrond worden verklaard.
4.4 De psychotherapeut heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt
het beroep te verwerpen. Zij heeft geen (incidenteel) beroep ingesteld tegen de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege en berust in de opgelegde maatregel.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege heeft aanleiding gezien om op grond van artikel
74 lid 4 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg de zaak in volle omvang
te beoordelen. Dit betekent dat klachtonderdelen a), c), d) en f) (voor zover gegrond
verklaard) mede betrokken worden in de beoordeling door het Centraal Tuchtcollege.
Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van het college niet los gezien worden van
de klachtonderdelen die thans nog voorliggen en zijn tevens relevant bij de bepaling
van de op te leggen maatregel.
Behandeling eerste aanleg
4.6 Klager heeft aangevoerd dat de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege
ten onrechte zijn klacht en de klacht van de inspectie heeft gevoegd. Vanwege zijn
onbekendheid met de procedure had hij hiermee ingestemd, maar zijn klacht was veel
uitgebreider en had aparte aandacht verdiend.
4.7 Deze beroepsgrond treft geen doel. Een beslissing tot voeging is een discretionaire
bevoegdheid van de voorzitter en daartegen staat niet afzonderlijk hoger beroep open.
Wel kan in het beroep tegen de eindbeslissing hierover worden geklaagd. Het college
overweegt dat de behandeling bij het Centraal Tuchtcollege is bedoeld om eventuele
verzuimen in de behandeling bij het Regionaal Tuchtcollege in beroep te herstellen.
Mocht er in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege al sprake zijn geweest van
een onjuiste gang van zaken, dan is dit hersteld door de behandeling van de zaak in
beroep. Klager heeft in beroep immers opnieuw de gelegenheid gekregen zijn standpunten
naar voren te brengen.
Toetsingskader
4.8 Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor de gevoeligheden in deze zaak en
de weerslag die dit heeft op beide partijen, maar zal op een zakelijke manier moeten
beoordelen of de psychotherapeut heeft gehandeld zoals van haar verwacht mocht worden.
De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend psychotherapeut. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor haar geldende beroepsnormen en
andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter of anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdelen a) en c) seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens en direct
aansluitend op de behandelrelatie en het misbruiken door verweerster van haar uit
haar positie
voortvloeiend overwicht tijdens en buiten de behandelrelatie
4.9 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling in beroep niet heeft
geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de psychotherapeut, nog tijdens of
vlak na de behandelrelatie, zonder enige afkoelingsperiode en zonder zich ervan te
vergewissen of dit verenigbaar was met de eerdere behandelrelatie, een persoonlijke
en seksuele relatie is aangegaan met een kwetsbare cliënt. Ook het Centraal Tuchtcollege
acht deze klachtonderdelen gegrond en neemt hier over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege
in zijn beslissing onder 5.7 tot en met 5.10 heeft overwogen.
Klachtonderdeel b) het eenzijdig verbreken van de behandeling van klager met het oog
op het voortzetten van seksueel contact met klager
4.10 Volgens klager heeft de psychotherapeut de behandeling eenzijdig verbroken
met het oog op het voortzetten van de seksuele relatie. Ter onderbouwing van zijn
standpunt verwijst klager naar het intakerapport van H. van 3 mei 2017, waaruit volgt
dat hij heeft uitgesproken bij de psychotherapeut in behandeling te willen blijven.
Ook duurt een realistische behandeling van PTSS meer dan een jaar, waardoor de doorverwijzing,
waarover de psychotherapeut geen intervisie heeft gehad, op dat moment ook niet logisch
was. Volgens klager flirtte de psychotherapeut ook al ruim voor het eerste seksuele
contact met hem waaruit ook volgt dat de doorverwijzing een vooropgezet plan was.
De psychotherapeut voert aan dat zij in haar optiek de behandeling heeft overgedragen
aan H. in verband met de aard en de complexiteit van de problematiek van klager.
4.11 Anders dan klager betoogt kan uit zijn stellingen niet worden afgeleid dat
de psychotherapeut de behandeling eenzijdig heeft verbroken. Uit het medisch dossier
leidt het college af dat al in januari 2017 werd gesproken over verdere hulpverlening
voor klager. Sinds februari 2017 werd al gesproken over een intake bij H.. Deze gesprekken
vonden plaats voordat sprake was van een persoonlijke en seksuele relatie. Reeds gelet
hierop kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen dat de psychotherapeut klager
heeft doorverwezen met het oogmerk op het voortzetten van het seksueel contact. Dat
de psychotherapeut al langere tijd met klager flirtte is een subjectieve beleving
die door de psychotherapeut wordt betwist, zodat hiervan niet kan worden uitgegaan.
Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) het vernietigen van het originele medisch EPD-dossier van klager
en het aanleveren van een onvolledig en gemanipuleerd (schaduw) dossier
4.12 Klager heeft een wettelijk recht op inzage in zijn dossier. De wettelijke
verplichting voor de psychotherapeut om elektronisch inzage dan wel een elektronisch
afschrift van het dossier te verschaffen geldt per 1 juli 2020. Ten tijde van het
beëindigen van de behandeling van klager door de psychotherapeut in 2017 bestond deze
wettelijke verplichting nog niet. Dat klager het vreemd vindt dat de psychotherapeut
een onverplicht bijgehouden elektronisch patiënten dossier (EPD) niet heeft bewaard,
staat hem vrij. Dit betekent echter niet dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is, ook
al waren er opties voor de psychotherapeut beschikbaar om het EPD te bewaren. Het
wettelijk recht van klager is immers inzage in zijn medisch dossier en dat was in
dit geval in papieren vorm voorhanden.
4.13 Dit papieren dossier heeft klager uiteindelijk door tussenkomst van een
advocaat ontvangen van de psychotherapeut. Het college kan begrijpen dat deze gang
van zaken klager wantrouwend maakt. Temeer nu er twee versies van het dossier beschikbaar
zijn die op vier plekken van elkaar verschillen. Dit betekent echter niet dat kan
worden vastgesteld dat de psychotherapeut opzettelijk een onvolledig en/of gemanipuleerd
papieren dossier heeft aangeleverd. Hierbij wordt overwogen dat deze verschillen samenhangen
met de werkwijze van de psychotherapeut en tevens minimaal en irrelevant zijn voor
de beoordeling. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de werkwijze van de psychotherapeut
en de bestaande verschillen in beide versies in zijn uitspraak in overwegingen 5.13
en 5.14 uitgebreid toegelicht en waarom dit tot het oordeel leidt dat opzettelijke
manipulatie niet kan worden vastgesteld. Het Centraal Tuchtcollege is hiermee eens,
sluit zich aan bij deze overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege en neemt dit oordeel
over. Dit deel van klachtonderdeel d) is dan ook terecht ongegrond verklaard. Het
Centraal Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege wel van oordeel dat het
medisch dossier niet volledig is, omdat essentiële momenten niet zijn beschreven en
de formats voor de intake- en ontslagbrief niet aanwezig waren. Dit deel van de klacht
is daarom terecht gegrond verklaard.
Klachtonderdeel e) het schenden van haar beroepsgeheim richting derden hetgeen het
behandelbelang van klager heeft geschaad
4.14 Het Centraal Tuchtcollege stelt aan de hand van de WhatsApp-berichten vast
dat de psychotherapeut mededeling heeft gedaan aan klager over een met naam en toenaam
genoemde (voormalige) cliënte. Hieruit volgt dat zij met vermelding van haar naam
over deze cliënte sprak en daarbij onder andere ook inging op door deze cliënte gewenste
therapie, haar gemoedstoestand en haar drankgebruik (die de psychotherapeut vergelijkt
met die van klager). Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de psychotherapeut
hiermee vertrouwelijke en gedetailleerde informatie over deze cliënte gedeeld en zodoende
haar beroepsgeheim geschonden. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal
Tuchtcollege van oordeel dat dit handelen het behandelbelang van klager heeft geschaad.
Immers, het handelen van de psychotherapeut kan klager het gevoel hebben gegeven dat
zij ook informatie over hem zou kunnen delen, onder andere met deze cliënte. Daarbij
heeft het Centraal Tuchtcollege ook betrokken dat uit de door de psychotherapeut ingebrachte
getuigenverklaring van deze (voormalige) cliënte volgt dat de relatie van de psychotherapeut
met klager in ieder geval een regelmatig besproken onderwerp was tussen haar en de
psychotherapeut. Dit past niet bij professioneel handelen van een psychotherapeut
en zij had zich ervan bewust moeten zijn dat zij klager niet had mogen belasten met
informatie over deze cliënte. Dit klemt temeer nu zij ook vergelijkingen trekt tussen
de cliënte en klager. Dit kan drempelverhogend werken voor klager om andere zorgverleners
adequaat te informeren. Klager heeft ook aangevoerd dat dit handelen zijn vertrouwen
in adequate hulpverlening heeft aangetast.
4.15 Het Centraal Tuchtcollege is daarom van oordeel dat de psychotherapeut op
dit punt (ook) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart dit klachtonderdeel
gegrond.
Klachtonderdeel f) het verlenen van onprofessionele en onzorgvuldige zorg waarbij
verweerster haar eigen belang zwaarder heeft gewogen dan het behandelbelang van klager,
waardoor het behandeltraject en haar onprofessionele gedrag een averechts effect heeft
gehad op het herstel en het vertrouwen van klager in GGZ-behandelaren blijvend is
geschaad.
4.16 Vast staat dat de psychotherapeut een langdurige persoonlijke en seksuele
relatie met klager is aangegaan zonder inachtneming van enige afkoelingstermijn. Het
college acht het voor de beoordeling van dit klachtonderdeel niet relevant wanneer
de behandelrelatie exact is beëindigd. Het is het Centraal Tuchtcollege namelijk niet
gebleken dat de psychotherapeut zich er bij het aangaan van de relatie van heeft vergewist
dat de professionele relatie waarbij zij hoofdbehandelaar was van klager, geen relevante
betekenis meer had. Zij had moeten begrijpen dat die behandelrelatie nog steeds een
grote rol speelde, waarbij de inhoudelijke kennis die zij vanuit die achtergrond over
klager had een belangrijke factor was. Het Centraal Tuchtcollege betrekt in de beoordeling
van dit klachtonderdeel daarom ook het handelen van de psychotherapeut na het beëindigen
van de behandelrelatie.
4.17 In dat kader overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het de psychotherapeut
is geweest die klager na de omhelzing op 14 april 2017 heeft benaderd voor verder
contact. Zij heeft in de daaropvolgende periode geen poging ondernomen om het contact
te beëindigen. Enige vorm van zelfreflectie van de psychotherapeut op dat moment over
de op haar initiatief ontstane relatie tegen de achtergrond van de psychische problematiek
van klager is niet gebleken. Uit de overgelegde berichtenwisseling volgt verder dat
de psychotherapeut er met regelmaat voor zorgde dat er alcohol aanwezig was tijdens
hun ontmoetingen, terwijl zij bekend was met het feit dat bij klager sprake was van
alcoholproblematiek. Ook bood de psychotherapeut klager op 26 april 2017, en dus op
hele korte termijn na de start van de relatie (en voor de intake bij Pro Persona),
aan om samen XTC te gaan gebruiken. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
heeft de psychotherapeut hiermee onprofessioneel en tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Zij heeft hiermee het vertrouwen in de psychologiebeoefening geschaad en dus ook het
vertrouwen van klager in verdere psychologische behandeling.
4.18 Het Centraal Tuchtcollege is daarom van oordeel dat dit klachtonderdeel
volledig gegrond moet worden verklaard.
Conclusie en maatregel
4.19 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdelen a), c),
d) (deels) en f) (deels) terecht gegrond heeft verklaard. Wel oordeelt het Centraal
Tuchtcollege dat de psychotherapeut op meerdere punten tekort is geschoten en verklaart
het klachtonderdelen e) en f) alsnog (volledig) gegrond. Omdat het Centraal Tuchtcollege
in beroep meer klachtonderdelen gegrond acht dan dat het Regionaal Tuchtcollege heeft
gedaan, is het de vraag of aan de psychotherapeut een zwaardere maatregel dan in eerste
aanleg moet worden opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege beantwoordt die vraag bevestigend.
4.20 Volgens vaste jurisprudentie zijn gedragingen zoals die aan de psychotherapeut
worden verweten zodanig in strijd met wat van een integere en betrouwbare zorgverlener
mag worden verwacht dat in beginsel ten minste een schorsing van de inschrijving van
de aangeklaagde in het BIG-register passend en geboden is. Bij de keuze van dat uitgangspunt
is maatgevend dat de maatregel voldoende preventieve werking moet hebben om herhaling
te voorkomen. Verzachtende omstandigheden kunnen worden meegewogen maar die behoren
niet voorop te staan. Daarbij kan de schorsing voorwaardelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer
de beklaagde zorgverlener heeft getoond zich bewust te zijn van het verkeerde van
zijn of haar gedragingen, en bereid is zo nodig een behandeling te ondergaan om herhaling
te voorkomen. Een onvoorwaardelijke schorsing kan echter ook onvoldoende zijn, bijvoorbeeld
wanneer de betrokken zorgverlener het norm-overschrijdende en schadelijke karakter
van zijn of haar gedragingen niet inziet en een reële kans op herhaling aanwezig moet
worden geacht. Hierbij kunnen de ernst en duur van de norm-overschrijdende gedragingen
eveneens relevant zijn. In dat geval is een doorhaling van de inschrijving in het
BIG-register passend en geboden.
4.21 De psychotherapeut heeft de professionele grenzen ernstig overschreden door
een langdurige persoonlijke en seksuele relatie met klager aan te gaan. Zoals terecht
door het Regionaal Tuchtcollege is overwogen is de psychotherapeut daarbij niet kritisch
geweest over haar eigen gedrag en heeft zij zich volledig laten leiden door haar eigen
gevoelens voor klager. Zij heeft geen afkoelingsperiode in acht genomen terwijl zij
zich wel bewust was (en dat als professionele zorgverlener ook had moeten zijn) dat
het aangaan van deze relatie niet was toegestaan. In het voordeel van de psychotherapeut
weegt mee dat zij haar huidige werkgever heeft ingelicht over de situatie en enkele
dagen na de zitting zal starten met therapie.
4.22 Deze enkele omstandigheid aan de zijde van de psychotherapeut weegt volgens
het college echter niet zodanig zwaar dat het Centraal Tuchtcollege hierin aanleiding
ziet tot het opleggen van een lichtere maatregel. Hoewel de psychotherapeut zegt in
te zien dat zij professioneel niet goed heeft gehandeld is het niet duidelijk geworden
of zij dit ook zonder de klacht en opgelegde maatregel door het Regionaal Tuchtcollege
had ingezien en intrinsiek gemotiveerd zou zijn geweest hulp te zoeken. De psychotherapeut
heeft verklaard dat ze pas enkele dagen na de zitting zal starten met therapie en
daarbij is niet duidelijk wat de inhoud hiervan is.
4.23 Tevens wegen de alsnog gegrond verklaarde klachtonderdelen zwaar voor het
college. Het delen van vertrouwelijke informatie over een andere cliënte met klager,
en het stimuleren van het gebruik van alcohol en voorstellen van gebruik van XTC,
acht het college – naast het aangaan van de seksuele relatie zonder afkoelperiode
– ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Met dit handelen heeft de psychotherapeut het
belang van klager, een in die periode kwetsbare man met een drankprobleem, volledig
uit het oog verloren. Zoals eerder overwogen heeft de psychotherapeut dit destijds
niet onderkend. Uit de stukken en de behandeling op zitting volgt naar de overtuiging
van het college dat het bij de psychotherapeut nog altijd ontbreekt aan een doorleefd
besef van de ernst en de ontoelaatbaarheid van haar gedrag ten aanzien van deze punten.
Zij blijft zich beroepen op het feit dat deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden
na het beëindigen van de behandelrelatie. Hiermee miskent zij dat deze behandelrelatie
nog altijd een rol speelde, zeker bij de start van de relatie, dat hoe dan ook een
afkoelingsperiode ontbrak, en dat zij ook na de beëindiging van de behandelrelatie
de belangen van klager niet uit het oog mocht verliezen. Daarbij blijft zij volhouden
dat de klacht slechts een reactie is van klager op het uiteindelijk door haar beëindigen
van de relatie en verwijt zij klager dat hij de feiten verdraait, maar verzuimt zij
concreet te maken wat deze onjuiste voorstelling van zaken dan is. Hieruit volgt dat
de
psychotherapeut nog altijd niet inziet wat de impact van haar handelen is geweest
op klager. Het gebrek aan zelfreflectie op dit punt baart het Centraal Tuchtcollege
zorgen.
4.24 Alles afwegende heeft de psychotherapeut het college er niet van kunnen
overtuigen dat zij in de toekomst anders zal handelen en niet meer in een dergelijke
situatie terecht zal komen. Gevaar voor herhaling is dus aanwezig. De ernst van de
verweten gedragingen van de psychotherapeut rechtvaardigt dan ook een maatregel die
een beroepsbeperking meebrengt. Het college is van oordeel dat het handelen van de
psychotherapeut zo ernstig grensoverschrijdend is, dat toekomstige patiënten hiertegen
moeten worden beschermd, zodat doorhaling van de inschrijving van de psychotherapeut
in het BIG-register de enige passende maatregel is.
Kostenveroordeling
4.25 Klager vraagt niet om een proceskostenveroordeling in beroep. Wel voert
hij aan dat zijn verzoek om de psychotherapeut te veroordelen in de proceskosten ten
onrechte door het Regionaal Tuchtcollege is afgewezen. De gemaakte kosten waren volgens
klager gemaakt ten behoeve van het opstellen van het klaagschrift.
4.26 In de beslissing C2025/2783 (hoedanigheid gz-psycholoog) heeft het Centraal
Tuchtcollege de psychotherapeut reeds veroordeeld in de proceskosten van klager gemaakt
bij het Regionaal Tuchtcollege. Hierin ziet het college aanleiding om de proceskosten
in deze zaak af te wijzen. Weliswaar bestaan er vanwege de dubbele hoedanigheid (psychotherapeut
en gz-psycholoog) twee dossiers, maar het betreft (inhoudelijk gezien) één tuchtprocedure.
Bij een veroordeling in de proceskosten in deze zaak zou naar het oordeel van het
Centraal Tuchtcollege dan ook een onterechte dubbeling ontstaan. Hetzelfde geldt voor
het door klager betaalde griffierecht. In zaak C2025/2783 is reeds gelast dat het
door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.
Publicatie
4.27 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel
dat het algemeen belang gediend is met de publicatie van deze beslissing, en zal het
bepalen dat deze beslissing wordt bekend gemaakt zoals in het dictum staat vermeld.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: vernietigt de beslissing waarvan
beroep, voor zover het klachtonderdelen e) en f) in zaak H2024/7517 en de opgelegde
maatregel betreft; opnieuw rechtdoende: verklaart klachtonderdelen e) en f) alsnog
gegrond; legt de psychotherapeut de maatregel van doorhaling van de inschrijving in
het BIG-register op; verwerpt het beroep voor het overige; bepaalt dat deze beslissing
op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en
zal worden aangeboden aan de tijdschriften De Psycholoog van het NIP en het Tijdschrift
voor Psychotherapie van de NVP en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is genomen door R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter, J.M.T. van der
Hoeven-Oud en R.A. van der Pol, leden-juristen, en G.T.M. Mooren en F.D.F. Steenbakkers,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.