ECLI:NL:TGZCTG:2025:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2712

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:213
Datum uitspraak: 10-12-2025
Datum publicatie: 10-12-2025
Zaaknummer(s): C2025/2712
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager lijdt aan chronische draaiduizeligheid en werkt met een WIA-uitkering 25 uur per week. De aangeklaagde arts werkt onder supervisie van een bedrijfsarts bij de arbodienst van de werkgever van klager. Klager kwam op 19 april 2024 bij de arts op het verzuimspreekuur. Klager vindt a) dat de arts hem toen ten onrechte heeft doorverwezen naar het UWV en b) dat de arts onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel b gegrond verklaard en aan de arts de maatregel van berisping opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door de arts ingestelde beroep tegen die beslissing.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2712 van:
A., arts, werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. F.W. Jansen, werkzaam te Amsterdam,

tegen

C., wonende te D., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg,
hierna: klager.

1. Kern van de zaak
1.1 De arts werkt onder supervisie van een bedrijfsarts bij E., een arbodienst. Klager lijdt aan chronische draaiduizeligheid en werkt met een WIA-uitkering 25 uur per week. E. is de arbodienst van de werkgever van klager. Klager kwam op 19 april 2024 bij de arts op het verzuimspreekuur. Klager vindt a) dat hij toen onterecht is doorverwezen naar het UWV en b) dat de arts toen onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klachtonderdeel b gegrond verklaard en aan de arts de maatregel van berisping opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel en zal dat hieronder toelichten.

2. Verloop van de procedure
2.1 De arts heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 13 december 2024 met nummer A2024/7162 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:259).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure in eerste aanleg, het beroepschrift van de arts en het verweerschrift in beroep van klager.
2.3 De zaak is op de zitting van 22 oktober 2025 behandeld. Daar was de arts aanwezig, bijgestaan door mr. F.W. Jansen. Klager is zoals tevoren aangekondigd niet verschenen. De arts heeft vragen van het college beantwoord en mr. Jansen heeft het standpunt van de arts nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Jansen zijn aan het dossier toegevoegd.

3. Feiten
3.1 Grotendeels in navolging van het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klager heeft een WIA-uitkering wegens al vele jaren bestaande chronische draaiduizeligheid. Daarnaast werkt hij 25 uur per week. Hij is op 26 januari 2023 uitgevallen in zijn werk ten gevolge van de chronische draaiduizeligheid. Klager heeft op enig moment in overleg met zijn vaste bedrijfsarts het werk weer gedeeltelijk hervat tot 3x5 uur per week. In het advies van deze bedrijfsarts van 22 februari 2024 staat onder meer:
“informatie UWV afwachten, huidige uren continueren gezien betrokkene nu ook spoor 2 verricht. Vervolgspreekuur over 8 weken.”
3.3 Op 11 april 2024 heeft klager zich volledig ziekgemeld. Na enkele dagen heeft hij de re-integratie voor 3x5 uur per week weer opgepakt.
3.4 De arts is werkzaam bij E., de arbodienst van de werkgever van klager. De arts heeft klager in de periode tussen 2015 en 2019 begeleid en deze begeleiding na een vertrouwensbreuk overgedragen aan een collega. Klager had een afspraak op het verzuimspreekuur van de arbodienst op 19 april 2024. Klager en de arts hebben allebei geprobeerd om via de casemanager de afspraak te verzetten om te voorkomen dat klager bij de arts op het spreekuur moest komen, maar het lukt hen niet om contact te krijgen met de casemanager zodat het consult niet verzet kon worden.
3.5 Klager vertelde de arts aan het begin van het consult in de wachtkamer dat hij zich gedwongen voelde om op het spreekuur te komen en dat hij is gegaan omdat er anders een no-show in rekening zou worden gebracht. De arts heeft uitgelegd dat de uitnodiging voor het consult niet van hem was uitgegaan. De arts is met klager de spreekkamer ingegaan.
3.6 Klager heeft de arts verteld dat hij zich op 11 april 2024 had ziekgemeld en de week na de ziekmelding wel weer 3x5 uur had gewerkt. Volgens de aantekeningen van de arts heeft hij met klager besproken dat “er een inspanningsverplichting is om de komende weken te bezien om verder op te gaan bouwen naar 4x5u en verder”. De arts heeft ook tegen klager gezegd dat als klager blijvend niet meer uren kan werken dan 3x5 uur, hij voor die uren bij het UWV kan worden afgekeurd en hiervoor eventueel een WIA-uitkering kan krijgen.
3.7 Klager was het niet eens met wat de arts zei en is vertrokken. De arts heeft zijn supervisor na het weekend ingelicht. Klager heeft contact gezocht met zijn werkgever en is twee weken later door een andere arts gezien.

4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de arts dat hij:
a) klager heeft gezegd naar het UWV te moeten voor een oordeel, terwijl hij dat oordeel juist als bedrijfsarts moet geven;
b) de medische klachten van klager niet of onvoldoende heeft uitgevraagd en zijn uitspraken niet op gedegen onderzoek baseert.
4.2 De arts is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat klachtonderdeel b alsnog ongegrond wordt verklaard. Klachtonderdeel a is hierdoor niet meer aan de orde in beroep. Subsidiair heeft de arts verzocht om oplegging van een maatregel achterwege te laten. Meer subsidiair verzoekt hij om oplegging van een lichtere maatregel.
4.3 Klager heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt – zo begrijpt het Centraal Tuchtcollege – het beroep van de arts te verwerpen.
Beoordeling van klachtonderdeel b
4.4 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat klachtonderdeel b gegrond moet worden verklaard. Tijdens het spreekuur op 19 april 2024 heeft de arts gesproken over het opbouwen van de werkuren naar 4x5 uren per week en verder. Het Centraal Tuchtcollege kan op basis van de beschikbare gegevens niet vaststellen wat er precies tijdens het consult is besproken, maar het is duidelijk dat klager de opbouw naar 4x5 uur en verder heeft opgevat als een verplichting en dit ook als zodanig aan zijn werkgever heeft gemeld. De arts stelt dat hij het in zijn aantekeningen opgenomen woord “inspanningsverplichting” niet heeft gebruikt in het mondeling contact met klager en dat hij slechts heeft geadviseerd om te proberen de uren op te bouwen maar dit blijkt niet uit het gespreksverslag waarin het woord “verplichting” is opgenomen.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de arts die klager vanuit de Arbodienst langdurig begeleidde, een duidelijke koers had uitgezet waarin het al langere tijd niet haalbaar was voor klager om meer dan 3x5 uur per week te werken waarbij klager kort voor het consult met de arts nog enige dagen volledig was uitgevallen.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege overweegt verder dat de arts het contact met klager op 19 april 2024 tijdens de zitting “een incidentele ontmoeting” noemde en dat de arts in zijn beroepschrift zelf spreekt over een vertrouwensbreuk tussen hem en klager in 2019 waarbij het voor de arts niet langer mogelijk was om goede begeleiding te bieden aan klager.
4.7 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is, gelet op bovengenoemde omstandigheden, de door de arts ingezette koerswijziging in de verzuimbegeleiding onbegrijpelijk.
De arts heeft weliswaar gesteld dat hij klager heeft onderzocht op 19 april 2024, maar daarvan blijkt niets uit zijn aantekeningen terwijl de klager dit heeft betwist. Ook als dat onderzoek wel zou hebben plaatsgevonden, is niet duidelijk geworden op basis waarvan de uitkomsten van dat onderzoek konden leiden tot genoemde koerswijziging. Gelet op de beperkte rol van de arts in het geheel en op de spanningen die er bestonden tussen de arts en klager, had de arts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege terughoudendheid moeten betrachten en zeker niet zonder onderbouwing tot een koerswijziging moeten besluiten. Door dat wel te doen, heeft hij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
4.8 Ten overvloede merkt het Centraal Tuchtcollege nog op dat de arts op de zitting in beroep heeft aangegeven dat hij het advies/de verplichting om op te bouwen in werkuren pas met zijn supervisor heeft besproken nadat de brief daarover al naar de werkgever van klager was gestuurd. Dit doet de vraag rijzen in hoeverre supervisie goed is geregeld bij de arbodienst E..
Op te leggen maatregel
4.9 De arts heeft een oordeel gegeven in de verzuimbegeleiding van klager, zonder daar een deugdelijke onderbouwing voor te geven terwijl dit oordeel op basis van de aanwezige stukken en uitleg niet navolgbaar is. De arts is ongemotiveerd afgeweken van een eerdere beoordeling door zijn collega die klager al langere tijd begeleidde. De beperkte dossiervoering maakt geen onderdeel uit van de klacht maar maakt het wel extra lastig om het handelen van de arts te toetsen. Verder weegt het Centraal Tuchtcollege mee dat de arts gebrekkig inzicht heeft getoond in de verwijtbaarheid van zijn handelen. Alles afwegende is het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat oplegging van de maatregel van berisping een passende reactie is.
Conclusie
4.10 Het voorgaande betekent dat het beroep van de arts wordt verworpen.
Publicatie
4.11 Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat onderhavige beslissing op na te noemen wijze wordt bekend gemaakt.

5 Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep, hetgeen meebrengt dat oplegging van de maatregel van berisping in stand blijft; bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door Z.J. Oosting, voorzitter, J. Legemaate en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen, en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 10 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.