ECLI:NL:TGZCTG:2025:196 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2677
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:196 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-12-2025 |
| Datum publicatie: | 01-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2677 |
| Onderwerp: | Niet of te laat verwijzen |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen neurochirurg. Klaagster had een zwelling in de hals waarvoor de huisarts haar heeft doorverwezen naar een ziekenhuis. Klaagster is daar neurologisch onderzocht en er is een MRI gemaakt. In verband met een verdenking van een cervicaal schwannoom (zeldzame zenuwtumor in de hals) is klaagster op haar verzoek voor een second opinion naar een ander ziekenhuis verwezen. Daar is de situatie van patiënte in een werkgroep besproken en is geadviseerd: “Vervolgen. Bij groei of klachten resectie”. De neurochirurg was als lid van deze werkgroep bij dit overleg betrokken. Klaagster is vervolgens voor verdere behandeling terugverwezen naar het eerste ziekenhuis. Klaagster verwijt de neurochirurg dat hij haar – tegen haar uitdrukkelijke wens in – heeft terugverwezen naar het eerste ziekenhuis en dat het tweede ziekenhuis haar niet als patiënt heeft overgenomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2677 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., werkzaam te D., verweerder in beide instanties, hierna: de neurochirurg, gemachtigde:
mr. A.M. den Hertog-de Visser te D..
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster had een zwelling in haar hals, waarvoor de huisarts haar heeft
verwezen naar een neuroloog in het E.-Ziekenhuis in F. (hierna: EF.). Klaagster is
daar neurologisch onderzocht en er is een MRI gemaakt. In verband met verdenking van
een cervicaal schwannoom (zeldzame zenuwtumor in de hals) is klaagster – op haar verzoek
– voor een second opinion (tweede mening) naar het G. verwezen. De Tumorwerkgroep
(MDO), waaraan de neurochirurg heeft deelgenomen, heeft haar situatie besproken en
geadviseerd: “Vervolgen. Bij groei of klachten resectie”. Klaagster werd voor verdere behandeling terugverwezen naar het EF.. Klaagster was
het niet eens met de terugverwijzing.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond
verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de bevindingen en het oordeel
van dat college en zal het beroep van klaagster verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2024/7038 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:232).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de aanvullende
beroepschriften, het verweerschrift en de aanvullende brief van klaagster van 10 juli
2025.
2.3 De zaak is op de zitting van 3 november 2025 behandeld. Klaagster was aanwezig
en namens de neurochirurg was zijn gemachtigde aanwezig. Partijen hebben vragen van
het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen
van klaagster en de neurochirurg zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten.
“3.1 Klaagster, geboren op 12 maart 1962, is op 30 december 2013 bij haar huisarts
op consult geweest. De huisarts voelde een zwelling in de hals en heeft een echo gemaakt.
In verband met een afwijking op de echo is klaagster voor een consult naar een neuroloog
in het EF. verwezen. Deze neuroloog heeft klaagster neurologisch onderzocht en er
is een eerste MRI gemaakt (3 januari 2014). Bij de beoordeling van de MRI werd gedacht
aan een schwannoom (een zeldzame, meestal goedaardige zenuwtumor). In zijn brief van
6 maart 2014 geeft de neuroloog aan dat de casus van klaagster is besproken in het
neuro-oncologisch overleg in het EF., mede met neurochirurgische inbreng vanuit het
H. en dat toen een wait-and-scan-beleid is afgesproken.
3.2 Op 6 maart 2014 is op verzoek van klaagster een second opinion gevraagd aan
het G.. In het multidisciplinair overleg (hierna: MDO) van de tumorwerkgroep Neuro-oncologie
zijn op 1 april 2014 de resultaten van het neurologisch onderzoek en de eerder gemaakte
MRI beoordeeld en besproken. De werkgroep heeft de diagnose van het EF. bevestigd
en geadviseerd: “Asymptomatische laesie passend bij schwannoom. Vervolgen. Bij groei
of klachten resectie.”De neurochirurg was als lid van de tumorwerkgroep bij dit overleg betrokken.
3.3 Klaagster is vervolgens terugverwezen naar het EF. waar het wait-and-scan
beleid is uitgevoerd. Door groei van het schwannoom moest klaagster in een later stadium
operaties ondergaan.”
4 Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de neurochirurg dat hij haar - tegen haar uitdrukkelijke
wens in - heeft terugverwezen naar het EF. en dat het G. haar niet als patiënt heeft
overgenomen.
4.2 Klaagster wil met haar beroep haar klacht in volle omvang door het Centraal
Tuchtcollege te laten beoordelen.
4.3 De neurochirurg heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het
Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
Welke tuchtnorm is van toepassing?
4.4 Klaagster heeft tijdens de zitting in beroep betoogd dat haar klacht moet
worden getoetst aan de tweede tuchtnorm, omdat aan klaagster een concreet eigen belang
toe komt. Klaagster voert in dat kader aan dat haar patiëntveiligheid in gevaar is
gebracht, omdat de zorgverlening na de terugverwijzing ernstig tekort schoot.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege volgt klaagster niet in haar betoog. Vast staat
dat de neurochirurg binnen het MDO de medische situatie van klaagster mede heeft beoordeeld.
Daarmee is sprake geweest van een individuele arts-patiëntrelatie. Dit wordt door
klaagster ook niet ontkend. Het handelen van de neurochirurg valt daarmee onder de
eerste tuchtnorm. De tweede tuchtnorm is in deze situatie niet van toepassing.
Toetsingskader
4.6 De vraag die het Centraal Tuchtcollege moet behandelen is of de neurochirurg
aan klaagster de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor
is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ arts. Het Centraal Tuchtcollege benadrukt
dat het er niet om gaat of de neurochirurg, achteraf beschouwd, misschien beter of
anders had kunnen handelen, maar of hij bij de destijds bekende stand van zaken redelijkerwijs
heeft kunnen handelen zoals hij heeft gedaan.
Inhoudelijke beoordeling
4.7 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de neurochirurg niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege zal deze beslissing hierna
uitleggen.
4.8 Zoals het Regionaal Tuchtcollege al heeft overwogen is klaagster voor een
second opinion verwezen naar het G.. Klaagster is in het G. opnieuw onderzocht en
de MRI van EF. is door een aan het G. verbonden radioloog herbeoordeeld. Op 1 april
2014 zijn de resultaten besproken in een MDO, de zogenoemde tumorwerkgroep. Na dit
MDO is het volgende advies aan het EF. geformuleerd: “Asymptomatische laesie passend
bij schwannoom. Vervolgen. Bij groei of klachten resectie.”
4.9 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat deze terugkoppeling een duidelijk
advies bevat. Dat advies had uitgebreider gekund, maar dat dit niet is gebeurd, is
onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Niet gebleken is van objectieve redenen die leiden tot het oordeel dat de neurochirurg
of de overige leden van het MDO er niet op mochten vertrouwen dat het vervolgen door
de neuroloog en radioloog in het EF. niet op professionele wijze zou plaatvinden of
hun expertise te boven zou gaan. Op de zitting is toegelicht dat de aard van de tumor
(niet al te groot en doorgaans traag groeiend) en de omstandigheid dat de tumor zeldzaam
was, voor het MDO geen aanleiding vormden om voor het vervolg klaagster niet terug
te verwijzen naar het EF.. Het vervolgbeleid zou in het EF. evenals in het G. worden
uitgevoerd door een neuroloog en een radioloog. Verder is op de zitting toegelicht
dat het MDO bekend was dat het EF. samenwerkt met neurochirurgen van het H. en het
I. die bij groei van de tumor of toename van de klachten konden worden ingeschakeld.
Bij groei van de tumor stond het de behandelaars van het EF. ook vrij om advies in
te winnen bij het G.. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het Centraal
Tuchtcollege niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat klaagster voor het verdere vervolg
naar het EF. is terugverwezen.
4.10 Het voorgaande neemt niet weg dat het Centraal Tuchtcollege oog heeft voor
het door klaagster ondervonden leed en haar frustratie. Dat de groei van de tumor
in 2018 is gemist, is betreurenswaardig en heeft voor klaagster ernstige gevolgen
gehad. Deze wetenschap kan alleen geen rol spelen bij de vraag of de artsen van het
G. destijds, in 2014, tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.
Conclusie
4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klaagster moet
worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, R.A. Boon en A.R.O.
Mooy, leden-juristen, en M.M. van der Eb en A. Schaafsma, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 1 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.