ECLI:NL:TGZCTG:2025:188 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2768
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:188 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 20-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2768 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Klager werd in 2014 verdacht van betrokkenheid bij de dood van zijn zwangere echtgenote en ongeboren kindje. In verband met deze verdenking was klager onder volledige beperkingen gedetineerd in het cellencomplex in Groningen. Klager werd tijdens zijn verblijf daar gezien door meerdere GGD-artsen, waaronder de arts. Klager verwijt de arts onder meer dat de door hem aan klager verleende zorg onvoldoende was. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op het moment dat de arts klager bezocht waren er meer dan drie dagen verstreken na het overlijden van zijn vrouw en ongeboren dochtertje en detentie van klager die iedere betrokkenheid ontkende. Het had op dat moment in de rede gelegen dat de arts had gedacht aan de mogelijkheid van (het ontwikkelen van) een acute stressstoornis en daarop passende actie had ondernomen. Dat arts heeft dit niet gedaan en daarmee niet de zorg verleend die van hem verwacht mocht worden. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht op dit punt alsnog gegrond, maar legt de arts geen maatregel op. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2768 van:
A., wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., arts maatschappij en gezondheid,
destijds werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. G.P. Wempe, werkzaam in Drachten.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager werd in 2014 verdacht van betrokkenheid bij de dood van zijn zwangere
echtgenote en ongeboren kindje. In verband met deze verdenking was klager onder volledige
beperkingen gedetineerd in het cellencomplex in B. Klager werd tijdens zijn verblijf
daar gezien door meerdere F.-artsen, waaronder de arts. Klager verwijt de arts onder
meer dat de door hem aan klager verleende zorg onvoldoende was.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaren, maar de arts geen maatregel opleggen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing in raadkamer van het Regionaal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle van 31 januari 2025 met nummer Z2024/7324
(ECLI:NL:TGZRZWO:2025:13). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage gehecht aan deze beslissing.
De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
2.2 De zaak is op de zitting van 13 oktober 2025 gelijktijdig met de zaken C2025/2764,
C2025/2765, C2025/2766 en C2025/2767 behandeld. De zaken zijn niet gevoegd. Klager,
de arts en de gemachtigde van de arts waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen
die klager en
mr. Wempe hebben gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van
de volgende feiten.
3.2 De echtgenote van klager overleed in de nacht van 22 op 23 juni 2014. Zij was op dat moment vijfendertig weken zwanger en met haar overleed ook het nog ongeboren kindje van klager en zijn echtgenote.
3.3 Klager werd op 23 juni 2014 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de dood van zijn echtgenote en onder volledige beperkingen gedetineerd in cellencomplex D. te B. Klager had geen mogelijkheid tot contact met zijn destijds driejarige zoon en andere naasten. Klager werd in de avond van 23 juni 2014 vrijgelaten, maar de volgende dag weer aangehouden en vastgezet.
3.4 In de totale periode van acht dagen dat klager in het cellencomplex was gedetineerd werd hij - met uitzondering van 29 juni 2014 - iedere dag door een (forensisch) arts gezien. De arts zag klager op 30 juni 2014. Hij noteerde (alle citaten overgenomen inclusief eventuele taal- en spelfouten):
“(S) Op verzoek arrestantenverzorgers gesproken met hem. Spraakwaterval. Vooral congnitief
bezig. Veel herhaling. Vraagt om pen en papier om te schrijven maar door beperkingen
niet mogelijk. Al vele nachten slaapgebrek.
(O) Geen spoor van verdriet. Boosheid op OM politie en rechtspraak. Gebruikt veel
beleefdheidsvormen ook waar dat niet nodig is (bedankjes voor gesprek; ook bedankjes
aan arrestantenverzorging). Boosheid komt beredeneerd over op mij.
(E) Mijn indruk gekunstelde boosheid en ontbrekende emoties als hij praat over overleden
vrouw en kind.
(P) Pulmicort 1dd inhaleren ’s avonds. Geadviseerd veel op buitenplaats te lopen.
Gezegd dat oxazepam 50mg klaar ligt voor het geval hij zelf een nacht wil slapen.”
3.5 Na het verblijf van acht dagen in het cellencomplex werd klager overgeplaatst naar een huis van bewaring. Klager werd zeventien dagen na zijn aanhouding op vrije voeten gesteld. Begin april 2015 werd de zaak geseponeerd met “code 01: ten onrechte als verdachte aangemerkt”.
3.6 In de zomer van 2023 diende klager tuchtklachten in tegen twee collega’s van de arts. Deze artsen waren op respectievelijk 23 en 24 juni 2014 betrokken geweest bij de zorg voor klager in het cellencomplex. Deze klachten zijn door het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle bij beslissingen van 2 februari 2024 kennelijk ongegrond verklaard. (1) Het door klager tegen deze beslissingen ingestelde beroep werd bij beslissingen van 28 oktober 2024 door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg verworpen (2).
[1] Zaaknummers Z2023/6020 (ECLI:NL:TGZRZWO:2024:10) en Z2023/6036 (ECLI:NL:TGZRZWO:2024:11)
[2] Zaaknummers C2024/2363 (ECLI:NL:TGZCTG:2024:163) en C2024/2384 (ECLI:NL:TGZCTG:2024:164)
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de arts dat hij:
a) geen (psychologische) diagnostiek heeft verricht en (dus) ook niet gerapporteerd
in het medisch dossier, waardoor hij geen adequaat beeld heeft weergegeven van (de
ontwikkeling van) de psychische klachten;
b) geen behandeling is gestart ter voorkoming van het verder verergeren van de
aanwezige klachten;
c) de inmiddels formeel aanwezige acute stressstoornis en zeer complexe rouw
niet gezien en gerapporteerd heeft en geen behandelplan heeft opgesteld ter zake de
wel gerapporteerde slaapproblemen;
d) geen specialistische hulp (tweedelijns hulpverlening) heeft ingeschakeld dan
wel zelf intensievere en meer geïndiceerde psychische hulp heeft ingeschakeld;
e) een foute diagnose heeft gesteld door klager zonder diagnostiek te hebben
gepleegd te beschrijven als een gedetineerde zonder gewetensfunctie en terwijl er
feitelijk sprake was van een acute stressstoornis en ernstig verstoorde rouw met aanhoudende
slaapproblemen;
f) een verkeerde indicatie ten aanzien van het soort hulp heeft gesteld; het
advies veel op de buitenplaats te lopen was voor klager die in volledige beperkingen
zat niet op te volgen en het was voor klager niet mogelijk gebruik te maken van medicatie
omdat hij alert moest blijven voor verhoor; andere en meer hulp moest worden geboden;
g) geen excuses heeft aangeboden ten aanzien van ontbrekende zorg, ook niet na
de start van tuchtzaken tegen collega’s.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk
ongegrond verklaard. Klager is het niet eens met deze beslissing. Hij verzoekt het
Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De arts heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Inhoudelijk oordeel
4.5 Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder punt 5.3 klachtonderdelen
a tot en met d, f en g gezamenlijk besproken en geoordeeld dat de klachtonderdelen
ongegrond zijn. Ook de overige klachtonderdelen acht het Regionaal Tuchtcollege ongegrond.
Het Centraal Tuchtcollege volgt dat oordeel behalve op een punt. Daarover oordeelt
het Centraal Tuchtcollege anders en legt hierna uit waarom.
4.6 Kern van de klacht van klager is het verwijt dat de arts de inmiddels vastgestelde acute stressstoornis en zeer complexe rouw bij klager niet heeft gezien en niet heeft gerapporteerd. Verder verwijt klager de arts dat hij heeft nagelaten om specialistische hulp (tweedelijns hulp) in te schakelen.
4.7 De arts heeft ter zitting toegelicht dat hij beperkte mogelijkheden hebben tot het inschakelen van (tweedelijns) psychologische of psychiatrische hulpverlening. Bij suïcidale uitingen of een psychiatrisch toestandsbeeld kan een beroep worden gedaan op de crisisdienst van E. Daarnaast kan aan de officier van justitie toestemming worden gevraagd om een arrestant te verwijzen naar het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Door de arts is aangegeven dat voor beide mogelijkheden een hoge drempel geldt.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege volgt de arts in zijn standpunt dat het niet aan de arts was om in de gegeven omstandigheden een diagnose te stellen en een behandeling te starten. Op het moment dat de arts klager bezocht waren er meer dan drie dagen verstreken na het overlijden van zijn vrouw en ongeboren dochtertje en detentie van klager die iedere betrokkenheid ontkende. Het had op dat moment in de rede gelegen dat de arts had gedacht aan de mogelijkheid van (het ontwikkelen van) een acute stressstoornis en daarop passende actie had ondernomen door bijvoorbeeld een beroep te doen op E. of de officier van justitie daarop te wijzen. Of dat tot actie zou hebben geleid is niet de verantwoordelijk van de arts en niet doorslaggevend bij de keuze om op te schalen. De arts heeft niet aan de mogelijkheid van (het ontwikkelen van) een ASS gedacht en geen actie ondernomen. Daarmee heeft de arts niet de zorg verleend die van hem verwacht mocht worden. De arts kan hiervan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In zoverre is de klacht van klager, en dus ook zijn beroep, gegrond.
4.9 Voor het overige kan het Centraal Tuchtcollege zich vinden in de overwegingen en oordelen van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze over.
Conclusie
4.10 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht ten onrechte volledig
ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van dat college
in zoverre vernietigen en de klacht alsnog voor dat deel gegrond verklaren zoals hiervoor
onder 4.8 is overwogen.
Maatregel
4.11 Omdat de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, moet worden
beoordeeld of aan de arts een maatregel moet worden opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege
acht redenen aanwezig om daarvan in dit geval af te zien, overeenkomstig artikel 69,
vierde lid, van de Wet BIG. Daarbij acht het Centraal Tuchtcollege het volgende van
belang. De arts heeft oog gehad voor de moeilijke situatie van klager. Hij heeft zich
voor klager ingespannen door extra tijd vrij te maken om met hem te praten zodat hij
zich kon uiten. In het systeem waarbinnen de arts werkt zijn de mogelijkheden tot
het inschakelen van specialistische F. zeer beperkt. Bij de arts bestond daarom de
overtuiging dat hij op dat moment niet meer voor klager kon betekenen dan dat hij
deed. Dit neemt echter niet weg dat hij dit wel had moeten proberen. Het Centraal
Tuchtcollege weegt ten slotte mee dat het handelen van de arts inmiddels meer dan
tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Deze omstandigheden brengen het college tot
de beslissing dat met de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht kan worden
volstaan. In zaak C2025/2766 is reeds gelast dat aan klager het door hem aan het Regionaal
Tuchtcollege en Centraal Tuchtcollege betaalde griffierecht wordt vergoedt.
Publicatie
4.12 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen
leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
herleidbare gegevens.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij het deel van de klacht zoals overwogen in overweging 4.8 ongegrond is verklaard;
en doet opnieuw recht:
verklaart dat deel van de klacht (zoals overwogen in overweging 4.8) alsnog gegrond;
bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
verwerpt het beroep voor het overige;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter,
B.J.M. Frederiks en M.C. Stoové, leden-juristen, en D. Coppoolse en M.K. Dees, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.