ECLI:NL:TGZCTG:2025:163 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2683
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:163 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-10-2025 |
| Datum publicatie: | 13-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2683 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een uroloog. De uroloog heeft in verband met aanhoudende plasklachten eind 2018 bij klager een zogenoemde TURP-operatie (Trans Urethrale Resectie van de Prostaat) uitgevoerd. Klager verwijt de uroloog dat hij sindsdien last heeft van incontinentieklachten en erectieklachten. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2683 van:
A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager, gemachtigde: C.,
tegen
D., uroloog, werkzaam in E., verweerder in beide instanties,
hierna: de uroloog, gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 De uroloog heeft in verband met aanhoudende plasklachten op 24 december 2018
bij klager een zogenoemde TURP-operatie (Trans Urethrale Resectie van de Prostaat)
uitgevoerd. Klager verwijt de uroloog dat hij sindsdien last heeft van incontinentieklachten
en erectieklachten.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond
verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en zal het beroep
verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam van 17 december 2024 met nummer A2024/7017 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:264). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal
Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden
en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 18 augustus 2025 behandeld. Klager en de uroloog
waren beiden aanwezig. Klager werd bijgestaan door twee van zijn dochters, waaronder
zijn gemachtigde C., en de uroloog werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.F.
Mooibroek. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college
beantwoord. De spreekaantekeningen van de gemachtigde van klager zijn aan het dossier
toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. Deze feiten zijn
in beroep niet of onvoldoende weersproken.
3.2 Klager is op 7 februari 2018 door zijn huisarts verwezen naar de polikliniek
Urologie van het F. te E. vanwege plasklachten (LUTS). Klager, die toen 68 jaar was,
had met name last van obstructieve plasklachten en aandrangsklachten.
3.3 In eerste instantie heeft de uroloog medicatie voorgeschreven. Omdat de medicatie
onvoldoende verbetering gaf en de klachten aanhielden, heeft de uroloog de mogelijkheid
van een TURP-operatie met klager besproken. Bij deze operatie wordt prostaatweefsel
dat de plasbuis dichtdrukt verwijderd. De uroloog heeft daarbij gewezen op de kans
op een bloeding, een ontsteking en de mogelijkheid van retrograde ejaculatie. Op 24
december 2018 heeft de uroloog de TURP bij klager uitgevoerd.
3.4 Klager kreeg na de operatie last van forse, aanhoudende incontinentieklachten
en van erectiestoornissen. Hij is op 30 januari 2019, 28 februari 2019, 1 april 2019
en 29 april 2019 bij de uroloog op controle geweest. Vanaf juli 2019 was de uroloog
niet meer betrokken bij de zorg voor klager.
3.5 Uit later onderzoek bleek dat bij klager sprake was van een urethrastrictuur
(plasbuisvernauwing) en een restadenoom en dat de kringspier van de blaas niet goed
sluit. Uiteindelijk is eind 2022 in een ander ziekenhuis bij klager in verband met
de incontinentieklachten een sfincterprothese in de blaashals geplaatst.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de uroloog dat hij de TURP niet met de vereiste deskundigheid
en zorgvuldigheid heeft uitgevoerd. Hij wijst erop dat zijn incontinentie- en erectieklachten
grote psychische en fysieke gevolgen voor hem hebben.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
dat de klacht ongegrond is. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog
gegrond te verklaren.
4.3 De uroloog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 Het Centraal Tuchtcollege begrijpt dat klager veel last heeft van de incontinentie-
en erectieklachten en dat deze klachten een grote invloed op zijn dagelijks leven
hebben. Dit college heeft daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen
of de uroloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor
is een redelijk bekwame en redelijk handelende uroloog. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor de uroloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Klager voert in beroep aan dat de urethrastrictuur, het feit dat het adenoom
niet in zijn geheel is verwijderd en het feit dat de kringspier van de blaas niet
meer goed sluit er allemaal op wijzen dat de TURP niet met de vereiste deskundigheid
en zorgvuldigheid is uitgevoerd.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege volgt klager niet in zijn betoog. Dit college ziet
in deze omstandigheden geen aanwijzingen dat de operatie door de uroloog niet op zorgvuldige
wijze is uitgevoerd. Daarbij is van belang dat elke manipulatie van de plasbuis (zoals
bij een TURP) het risico van een urethrastrictuur in zich draagt. Dit betekent niet
dat er bij de operatie iets niet goed is gegaan. Dit geldt ook voor het feit dat een
deel van het adenoom is achtergebleven. Doel van de TURP is om zoveel mogelijk adenoom
weg te nemen, zodat er weer een goede passage mogelijk is en de kans dat er opnieuw
een obstructie ontstaat zo klein mogelijk is. Dit betekent niet dat het adenoom altijd
geheel verwijderd moet worden. Een al te radicale verwijdering kan het risico op complicaties
juist vergroten. De aanwezigheid van een restadenoom is ook niet voorspellend voor
de klachten die klager heeft. Verder hoeft ook het feit dat de kringspier van de blaas
niet goed sluit niet te betekenen dat er bij de operatie iets fout is gegaan. Het
gaat hier om een zeldzame complicatie die zich bij een TURP kan voordoen.
4.7 Klager brengt in beroep ook naar voren dat hij door de uroloog niet goed
is geïnformeerd over de risico’s van de operatie. Daargelaten of dit moet worden aangemerkt
als een nieuwe (niet toegestane) klacht in beroep, kan dit betoog niet slagen. De
uroloog heeft in een gesprek met klager voorafgaand aan de TURP gewezen op de meest
voorkomende complicaties. Bovendien heeft klager ter zitting verklaard dat hij van
het ziekenhuis een folder over de ingreep heeft ontvangen, waarin ook op mogelijke
complicaties wordt ingegaan. Voor andere complicaties, zoals blijvende incontinentie,
geldt dat deze zo zeldzaam zijn, dat een patiënt daarover voorafgaand aan de ingreep
niet hoeft te worden geïnformeerd.
4.8 Uit het vorenstaande volgt dat – hoewel klager overduidelijk ingrijpende
klachten heeft en daardoor met beperkingen door het leven moet gaan – niet is gebleken
dat de uroloog niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan.
Conclusie
4.9 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klager verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser
en H.K.N. Vos, leden juristen, en B.F.M. Blok en M.A. Noordzij, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.