ECLI:NL:TGZCTG:2025:149 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2648

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2025:149
Datum uitspraak: 25-08-2025
Datum publicatie: 27-08-2025
Zaaknummer(s): C2024/2648
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Kopje: Deels gegronde klacht tegen een orthopedagoog-generalist. De orthopedagoog-generalist heeft een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd bij de dochter van klaagster. Na het afronden van het psychodiagnostisch onderzoek is de begeleiding van de dochter voortgezet door een collega van de orthopedagoog-generalist terwijl de orthopedagoog-generalist gesprekken met de ouders voerde. Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij onprofessioneel heeft gehandeld,  onvoldoende regie heeft gehouden en onterecht een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de orthopedagoog-generalist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege is – anders dan het Regionaal Tuchtcollege – van oordeel dat de orthopedagoog-generalist in dit geval de stappen uit de ‘Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’ niet voldoende zorgvuldig heeft doorlopen, alvorens de melding bij Veilig Thuis te doen. Stap 3: ‘Gesprek met de betrokkenen’ is door de orthopedagoog-generalist overgeslagen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de orthopedagoog-generalist een waarschuwing op. 

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2648 van:

A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

hierna: klaagster,

tegen

C., orthopedagoog-generalist, werkzaam in B., verweerster in beide instanties, hierna: de orthopedagoog-generalist,

gemachtigde: mr. C.G. Versteeg, werkzaam in Bussum.

1.         De zaak in het kort

1.1       Klaagster heeft zich in februari 2020 tot de werkgever van de orthopedagoog-generalist gewend met een hulpvraag inzake de gedragsproblematiek van haar dochter. In eerste instantie werd het traject ‘Kinderen uit de knel’ gestart. De orthopedagoog-generalist was vervolgens vanaf augustus 2021 betrokken bij het uitvoeren van een psychodiagnostisch onderzoek van de dochter. De orthopedagoog-generalist heeft in september 2022 een melding bij D. gedaan. Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij onprofessioneel heeft gehandeld, onvoldoende regie heeft gehouden en onterecht een melding bij D. heeft gedaan.

1.2       Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de orthopedagoog-generalist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de orthopedagoog-generalist een waarschuwing op.   

2.         Verloop van de procedure in beroep
2.1       Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 22 oktober 2024 met nummer A2023/6643 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:171). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing. De orthopedagoog-generalist heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

2.2       De zaak is op de zitting van 2 juli 2025 behandeld. Klaagster, de orthopedagoog-generalist en de gemachtigde van de orthopedagoog-generalist waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die klaagster heeft gebruikt, zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.

3.         Feiten

3.1       Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2       De orthopedagoog-generalist is vanaf 11 april 2022 ingeschreven in het BIG-register.

3.3       Klaagster heeft – met een verwijzing van de huisarts - haar dochter E. in februari 2020 aangemeld bij de werkgever van de orthopedagoog-generalist, met een hulpvraag inzake de sociaal-emotionele ontwikkeling van E.. Klaagster wilde hulp en ondersteuning bij de agressieve buien van E. die zij bij klaagster thuis liet zien. Klaagster en haar ex-partner, de vader van E., hadden gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun dochter.

3.4       In februari 2020 werd eerst gestart met het traject ‘Kinderen uit de knel’, waarin systeemtherapeutische gesprekken (dus niet alleen met het kind, maar ook met de ouders) werden ingezet om de communicatie tussen de ouders te verbeteren.

3.5       Vanaf augustus 2021 werd de orthopedagoog-generalist betrokken in het proces. Zij moest - samen met een collega gz-psycholoog, die de regiebehandelaar was - een psychodiagnostisch onderzoek bij E. uitvoeren en haar psychosociale ontwikkeling in kaart brengen. Het doel hiervan was advies te kunnen geven over – zo nodig – passende hulp of begeleiding. De vraag van klaagster en haar ex-partner was onder meer of sprake was van kindfactoren die de gedragsproblemen in de thuissituatie bij klaagster zouden kunnen verklaren.

3.6       Dit psychodiagnostisch onderzoek vond plaats in de periode tussen september 2021 en februari 2022. Het rapport naar aanleiding van dit onderzoek werd ondertekend op 22 maart 2022.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat geen sprake leek te zijn van kindfactoren (ADHD of een autismespectrumstoornis) bij E.. De onderzoekers concludeerden onder meer dat E. wel spanningen rondom de communicatie tussen haar beide ouders had ervaren, en wellicht door de verschillende opvoedsituaties ander gedrag liet zien waardoor zij zich aanpaste en de spanning bij haar zich opbouwde. In het rapport zijn de volgende adviezen opgenomen:

“Ouderbegeleiding aan beide ouders apart waarbij samen met ouders wordt onderzocht hoe zij hun dochter in haar verdere ontwikkeling kunnen ondersteunen. Onderwerpen die daarbij centraal staan:  

  • Ouders en dochter leren om gaan met het feit dat dochter twee thuissituaties heeft en de invloed daarop op dochter.
  • Het verder ontwikkelen van dochter haar eigen “ik” en dat zij zichzelf mag zijn en zich niet altijd hoeft aan te passen aan de ander.
  • Vergroten van E. haar emotieregulatievaardigheden.
  • Het aanleren van nieuwe copingvaardigheden voor dochter wat betreft het omgaan met spanning.
  • Psycho-educatie over dochter haar intelligentieprofiel.”

3.7       De begeleiding van E. werd voortgezet door een collega van de orthopedagoog-generalist.

3.8       Op 19 april 2022 vroeg de orthopedagoog-generalist klaagster om een afspraak met twee collega’s in te plannen voor de overdracht van het traject. Er werd een afspraak gemaakt voor 9 mei 2022. Op die datum werd door twee collega’s van de orthopedagoog-generalist een gesprek gevoerd met klaagster en haar partner.

3.9       30 mei 2022 mailde klaagster aan twee collega’s van de orthopedagoog-generalist (met onder andere de orthopedagoog-generalist in cc) dat zij niet langer wilde deelnemen aan de gezamenlijke gesprekken met haar ex-partner (vanuit ‘Kinderen uit de knel’) en aan gesprekken waarbij de knelpunten tussen ouders werden besproken. Zij wilde werken aan de adviespunten uit het psychodiagnostisch onderzoek en verzocht onder andere om schriftelijk concreet gemaakte adviespunten. Verder gaf klaagster aan dat zij niet begreep hoe de onderzoekers tot de conclusie zijn gekomen dat E. spanningen rondom de communicatie tussen ouders heeft ervaren. Klaagster verzocht de collega van de orthopedagoog-generalist om dit te onderbouwen. 

3.10     De collega van de orthopedagoog-generalist reageerde op deze e-mail en gaf aan dat zij het belangrijk vond om eerst met beide ouders persoonlijk te spreken voordat adviezen over communicatie op papier konden worden gezet.

3.11     In reactie hierop liet klaagster weten dat zij geen aanleiding zag voor een gesprek en zich graag wilde richten op de gestelde doelen. Klaagster verzocht nogmaals om:

  • Concreet gemaakte adviespunten, tijdgebonden en meetbaar (SMART).
  • Een passage uit het psychodiagnostisch onderzoek wat de stelling onderbouwt dat E. spanningen heeft ervaren rondom de communicatie tussen ouders.

3.12     Op 20 juni 2022 stuurde klaagster via Whatsapp filmpjes van E. waarop gedrag, zoals tics, van E. te zien was.

3.13     Op 11 juli 2022 vond een gesprek plaats tussen klaagster, de regiebehandelaar en de orthopedagoog-generalist. Dezelfde dag bevestigde de orthopedagoog-generalist per e-mail de afspraken over het vervolgtraject aan beide ouders. Afgesproken werd onder meer dat de orthopedagoog-generalist de geadviseerde gesprekken met beide ouders afzonderlijk zou gaan voeren en de begeleiding voornamelijk praktisch gericht zou gaan worden en niet meer vanuit een systemische benadering. Verder werden er afspraken gemaakt over de communicatie. De orthopedagoog-generalist schreef in voornoemde e-mail hierover het volgende:

“Omdat we de communicatie zo transparant mogelijk willen houden, is het verzoek aan jullie beide om de communicatie via de e-mail te houden en dus altijd met de andere ouder in cc.

Ook als er een gesprek met een afzonderlijke ouders gevoerd gaat worden, is het verzoek om de andere ouder hiervan via de e-mail op de hoogte te houden. Dus stel F. jij wil een gesprek met mij over zorgen in het gedrag van E., dan plannen we dit via de e-mail zodat A. weet dat er een gesprek komt en waar over. En stel A. jij wilt tips en handvaten hoe om te gaan met een bepaalde situatie, dan plannen we dit ook via de e-mail zodat F. hiervan op de hoogte is.

De achterliggende reden is dat we zo hopelijk conflicten en wantrouwen voorkomen.”

3.14     Op 12 juli en 18 juli 2022 informeerde de orthopedagoog-generalist klaagster per e-mail dat zij telefonisch contact had gehad met vader. 

3.15     Op 30 augustus 2022 mailde de orthopedagoog-generalist:

“[Vader] en ik hebben gesproken over zijn vraag met betrekking tot de communicatie. Omdat ik het eerlijk gezegd nu ook even niet meer weet, heb ik voor volgende week woensdag, 7 september, een overleg met G. (regiebehandelaar) ingepland om de situatie te bespreken.

Ik kom daarna in de lucht hoe verder.”

3.16     Op 7 september 2022 mailde de orthopedagoog-generalist:

“Net met G., regiebehandelaar, overleg gehad en we willen de evaluatie die gepland stond voor eind oktober naar voren halen.

De reden hiervoor is dat uit de gesprekken met E. op dit moment geen duidelijke punten naar voren zijn gekomen gericht op verschil in regels/afspraken bij jullie thuis.

E. heeft bij H. wel aangegeven dat ze het lastig vindt als er conflicten zijn tussen jullie.

Zelf heb ik gemerkt dat de communicatie tussen jullie een lastig punt blijft en heb ik het gevoel dat ik er nu ook tussen in wordt gezet. Bewust of onbewust, maar het is niet een positie waar ik in mijn rol in wil en kan gaan zitten.

Vandaar dus dat de evaluatie naar voren wordt gehaald.”

3.17     Op 26 september 2022 vond met beide ouders afzonderlijk de eindevaluatie plaats. De orthopedagoog-generalist informeerde klaagster toen dat zij contact op zou nemen met D. voor anoniem overleg.

3.18     Op 27 september 2022 mailde de orthopedagoog-generalist aan ouders:

Net contact gehad met D. en daar anoniem jullie besproken. Dus jullie namen nog niet genoemd.

Vanuit D. is het advies gekomen om een melding te gaan doen, omdat ondanks dat er geen acuut risico is, de situatie tussen jullie wel als ouders maakt dat dit een bedreiging is voor de ontwikkeling van E..

Nadat de melding binnen is en in behandeling is genomen, zullen er gesprekken met jullie opgenomen worden en vanuit daar wordt weer een advies gegeven.

Als jullie nog vragen hebben hoor ik het graag.”

3.19     Klaagster reageerde dezelfde dag als volgt:
“Bedankt voor je terugkoppeling.

Kan je benoemen wat de situatie concreet is tussen [vader] en mij volgens jullie en welke bedreiging er is in E. haar ontwikkeling? Dan is dat verder helder want ik vind het nog steeds vaag en onduidelijk. Dan kan het rustig nalezen.”

3.20     De orthopedagoog-generalist antwoordde daarop:

“De situatie waar we ons zorgen over maken is als er in de communicatie tussen jullie frustratie is. En dit kan fysiek bij de deur zijn waar E. bij is, of via de app waarbij een ouder frustratie krijgt waar E..

Als ik de spanning tussen jullie voel in de gesprekken met jullie, kan het niet anders zijn dat E. hier ook last van heeft.”

3.21     Op 30 september 2022 deed de orthopedagoog-generalist een melding bij D. over de situatie van E.. In de melding staat het volgende:

“E. is al lange tijd in zorg en de hulpverlening is gericht op het gescheiden systeem van ouders.

Kinderen uit de Knel, systeemtherapie, solo parellelouderschap, NIKA is al geprobeerd. Ondanks alles wat er al geprobeerd is blijft de relatie tussen ouders moeizaam en is er regelmatig spanning tussen ouders, ook bij de haal en breng momenten. Ondanks dat E. al haar hele leven te maken heeft met spanningen tussen ouders, gaat het naar omstandigheden goed met E..

Wel heeft E. moeite met school en leidt dit tot spanningen wat in de thuissituatie bij moeder zichtbaar is in de vorm van tics en soms dwang gedachten. Dit heeft onder andere te maken met E. haar intelligentie profiel en de omgang met prikkels.

In 2021 is er onderzoek gedaan of er bij E. sprake is van een kindfactor. Dit bleek niet zo te zijn.

Er is geen sprake van acute onveiligheid, maar het feit dat er zoveel geprobeerd is en de relatie tussen ouders nog steeds spanningsvol blijft, beide ouders iets anders willen (vader wil graag meer omgang, moeder niet) en E. hier als 9 jarig meisje tussen blijft staan, wil ik de zorg met jullie delen om te kijken of hier nog iets extra’s of anders nodig is. Binnen de Opvoedpoli merken we dat we niet verder komen.”

4. Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over?

4.1 Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij:

1. onprofessioneel heeft gehandeld en onvoldoende regie heeft gehouden, omdat zij

  1. zich heeft laten leiden door stellingen van de ex-partner van klaagster;
  2. de hulpvraag van E. uit het oog is verloren, doordat zij te veel gefocust was op de communicatie tussen de beide ouders;
  3. onvoldoende onpartijdig was, blijkend uit de subjectieve standpunten die zij heeft ingenomen.

2. onterecht een melding bij D. heeft gedaan, waarbij zij de stappen uit het Afwegingskader onzorgvuldig dan wel onvoldoende heeft doorlopen.

4.2       Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard voor wat betreft klachtonderdeel 1 voor zover deze ziet op de periode vóór 11 april 2022 en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

4.3       Klaagster is het niet eens met beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klaagster schrijft in haar beroepschrift dat haar klacht gaat over de periode van 19 april 2022 tot 27 september 2022. Het beroep van klaagster richt zich dus niet tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht voor zover deze ziet op de periode vóór 11 april 2022. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat haar klacht alsnog gegrond wordt verklaard.

4.4       De orthopedagoog-generalist heeft verweer gevoerd. In het verweerschrift heeft de  orthopedagoog-generalist opgemerkt dat zij uit het beroepschrift begrijpt dat het beroep van klaagster niet ziet op klachtonderdeel 1 b. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.

4.5       Het Centraal Tuchtcollege is – anders dan de orthopedagoog-generalist – van oordeel dat het beroep van klaagster ook ziet op klachtonderdeel 1 b. Dat betekent dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang zal beoordelen.

Toetsingskader

4.6       De vraag is of de orthopedagoog-generalist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedagoog-generalist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de orthopedagoog-generalist geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden, waaronder de ‘KNMG-Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 2018’ (hierna: Meldcode), waarvan deel uitmaakt het op de beroepsgroep van de orthopedagoog toegesneden afwegingskader ‘Afwegingskader Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (voor pedagogen, psychologen, (psycho)therapeuten, sociaal werkers en jeugd- en gezinsprofessionals; Utrecht juni 2018)’, (hierna: Afweginskader). Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Inhoudelijk oordeel

Klachtonderdeel 1

4.7       Het Centraal Tuchtcollege ziet aanleiding om de onderdelen a en c gezamenlijk te behandelen. In deze klachtonderdelen verwijt klaagster de orthopedagoog-generalist dat zij onprofessioneel heeft gehandeld en onvoldoende regie heeft gehouden omdat zij zich heeft laten leiden door stellingen van de ex-partner van klaagster en onvoldoende onpartijdig was.

4.8       Na het afronden van het psychodiagnostisch onderzoek ontstond er een lastige situatie in de ouderbegeleiding. De orthopedagoog-generalist heeft toen op verzoek van ouders de begeleiding voortgezet. Zij heeft tijdens het gesprek op 11 juli 2022 geprobeerd rust te brengen door duidelijke afspraken te maken met ouders over de wijze van communiceren. De ouders hielden zich volgens de orthopedagoog-generalist niet aan die afspraken en belden ook regelmatig.

4.9       Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de orthopedagoog-generalist de op 11 juli 2022 gemaakte afspraken consequenter had kunnen handhaven en transparanter had kunnen zijn over de inhoud van de contacten die zij met de andere ouder had. Het is duidelijk dat de orthopedagoog-generalist geworsteld heeft met haar rol en zoekende was naar de beste aanpak. Zij heeft daarover veel contact gehad met collega’s. De orthopedagoog-generalist ziet zelf ook dat het beter was geweest om na afronding van het psychodiagnostisch onderzoek haar begeleiding te stoppen. Dat het handelen van de orthopedagoog-generalist in deze complexe situatie beter had gekund, maakt echter niet dat dit handelen haar tuchtrechtelijk aangerekend kan worden. Het Centraal Tuchtcollege ziet op basis van de stukken in het dossier en hetgeen op de zitting naar voren is gebracht geen aanknopingspunten voor het verwijt dat de orthopedagoog-generalist zich heeft laten leiden door stellingen van de ex-partner van klaagster en onvoldoende onpartijdig was.

4.10     In klachtonderdeel 1b verwijt klaagster de orthopedagoog-generalist dat zij de hulpvraag van E. uit het oog is verloren, doordat zij te veel gefocust was op de communicatie tussen de beide ouders.

4.11     Na het afronden van het psychodiagnostisch onderzoek is de begeleiding van E. voortgezet door een collega van de orthopedagoog-generalist terwijl de orthopedagoog-generalist de gesprekken met de ouders voerde. Het verwijt dat orthopedagoog-generalist E. uit het oog is verloren gaat daarom niet op.

4.12     Alles bij elkaar genomen is de orthopedagoog-generalist in haar begeleiding binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege klacht 1 in alle onderdelen terecht ongegrond heeft verklaard.

Klachtonderdeel 2

4.13 De vraag die voorts moet worden beantwoord is of de orthopedagoog-generalist voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij het doen van de melding bij D.. Voor de beantwoording van deze vraag zijn relevant de Meldcode en het Afwegingskader.

4.14     Op grond daarvan geldt het volgende stappenplan.

Stap 1: Signalen in kaart brengen.

Stap 2: Overleggen met een college en eventueel D..

Stap 3: Gesprek met de betrokkenen.

Stap 4: Wegen van huiselijk geweld of kindermishandeling.

Stap 5: Beslissen.

4.15     Het hanteren van een afwegingskader is verplicht in de stappen 4 en 5. Dit afwegingskader bestaat uit vijf vragen:

Vraag 1: Heb ik op basis van de stappen 1 tot en met 4 van de meldcode een vermoeden van of is er sprake van huiselijk geweld en/of kindermishandeling?

Vraag 2: Heb ik een vermoeden van of is er sprake van acute of structurele onveiligheid?

Vraag 3: Ben ik in staat effectieve (passende) hulp te bieden of organiseren?

Vraag 4: Werken de betrokkenen mee aan de geboden of georganiseerde hulp?

Vraag 5: Leidt deze hulp tot duurzame veiligheid?

4.16     Vooropgesteld moet worden dat het tot de zorgplicht en verantwoordelijkheid

van een orthopedagoog-generalist behoort om bij een vermoeden van een onveilige thuissituatie actie te ondernemen. Wanneer een orthopedagoog-generalist hiervoor aanwijzingen heeft, neemt de orthopedagoog-generalist, met inachtneming van het stappenplan en het afwegingskader, alle stappen die nodig zijn om duidelijk te krijgen of van (een vermoeden van) onveiligheid sprake is en hoe deze kan worden gestopt. Daarbij is het onwenselijk als een onnodige drempel wordt ervaren om een melding te doen, gelet op het doel van een melding: bescherming tegen een (mogelijk) schadelijke thuissituatie. Tegelijkertijd is een melding bij D. een ingrijpend middel dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het betrokken gezin zodat bij de keuze om te melden een hoge mate van zorgvuldigheid op zijn plaats is.

4.17      Het Centraal Tuchtcollege is – anders dan het Regionaal Tuchtcollege – van oordeel dat de orthopedagoog-generalist in dit geval de stappen uit de Meldcode niet voldoende zorgvuldig heeft doorlopen, alvorens de melding bij D. te doen. De orthopedagoog-generalist heeft ouders voorafgaand aan Stap 2 geïnformeerd dat zij contact op zou nemen met D. voor anoniem overleg. Stap 3: ‘Gesprek met de betrokkenen’ is door de orthopedagoog-generalist na deze anonieme raadpleging, overgeslagen. In plaats daarvan heeft de orthopedagoog-generalist ouders per e-mail laten weten dat een melding bij D. zou worden gedaan. De beslissing om te melden bij D. was dus al genomen voor stap 3. Tijdens de zitting heeft de orthopedagoog-generalist hierover verklaard dat zij een gesprek met de ouders ook niet heeft overwogen.

4.18     Het gesprek met betrokkenen dient onder andere om zorgen te uiten, de opvatting van de ouders te vernemen, informatie in te winnen en de wensen en mogelijkheden te bespreken om tot een oplossing te komen waaronder de vraag in hoeverre de betrokkenen in staat en bereid zijn om de hulp te aanvaarden die de zorgverlener nodig vindt om de risico’s beheersbaar te houden. Op basis van de informatie verkregen uit de gesprekken en uit de eerder genomen stappen dient aan de hand van het afwegingskader te worden gewogen of er een melding dient te worden gedaan. De stappen die na het gesprek volgen – wegen van het huiselijk geweld of kindermishandeling en beslissen – zijn zonder de informatie uit het gesprek niet (of niet goed of niet zorgvuldig) uit te voeren.

4.19     De conclusie is dat de orthopedagoog-generalist onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij het doen van de melding bij Veilig Thuis en dat haar hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan

worden gemaakt. Klachtonderdeel 2 is dus gegrond.

Maatregel

4.20     De orthopedagoog heeft, na een langdurig hulpverleningstraject dat was vastgelopen, besloten om in het belang van E. een melding te doen bij D.. In de melding heeft zij zorgvuldig verwoord dat er geen sprake is van acute onveiligheid maar dat zij haar zorg over de spanningen die E. ervaart op basis van de spanningen tussen haar ouders wil delen met D. omdat ze binnen de Opvoedpoli merken dat ze niet verder komen.

Een melding bij D. is een ingrijpend middel met (mogelijk) aanzienlijke gevolgen. Gelet hierop acht het Centraal Tuchtcollege het van groot belang dat alle stappen uit de meldcode zorgvuldig worden doorlopen en dat, als er aanleiding is om een stap over te slaan, onderbouwd wordt waarom hiervoor is gekozen. Het Centraal Tuchtcollege rekent het de orthopedagoog-generalist aan dat zij, zonder dat zij een gesprek met de ouders heeft overwogen, stap 3 van de Meldcode heeft overgeslagen. Een gesprek met ouders had ertoe kunnen leiden dat, onder de druk van een voorgenomen melding, er alsnog een oplossing zou worden gevonden om de medewerking van ouders te krijgen voor het inzetten van de benodigde hulp waardoor een melding mogelijk niet nodig zou zijn.

Zonder het gesprek met de ouders zijn ook de te nemen vervolgstappen niet goed te doorlopen. Gelet op de complexe situatie en de overigens zorgvuldige wijze waarop de orthopedagoog-generalist haar zorgen met D. heeft gedeeld, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de maatregel van waarschuwing in deze zaak volstaat.

Conclusie
4.21     Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zal vernietigen en de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond zal verklaren. Daarbij wordt aan de orthopedagoog-generalist een waarschuwing opgelegd.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover klachtonderdeel 2 ongegrond is verklaard; en opnieuw rechtdoende: verklaart klachtonderdeel 2 alsnog gegrond; legt de orthopedagoog-generalist de maatregel van waarschuwing op; verwerpt het beroep voor het overige; gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klaagster het betaalde griffierecht ten bedrage van 100,00 (zegge: honderd euro) voor de behandeling van de klacht bij het Regionaal Tuchtcollege en de behandeling van het beroep bij het Centraal Tuchtcollege vergoedt.

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en A.R.O. Mooy, leden-juristen, en N. Rombout-van Wamelen en E.E. Szerman-Krabbe, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 25 augustus 2025.

                        Voorzitter   w.g.                                              Secretaris  w.g.