ECLI:NL:TGZCTG:2025:147 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2691
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2691 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | . |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2691 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: mr. E.R. Boer, advocaat te Amsterdam,
tegen
C., huisarts, werkzaam in B., verweerster in beide instanties,
hierna: de huisarts, gemachtigde: mr. J.M. Janson, werkzaam te Utrecht,
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster heeft in 2021 meermalen de praktijk van de huisarts bezocht in verband met klachten van een opgezette buik. Zij is toen door verschillende huisartsen gezien, waaronder twee keer door de huisarts zelf. Eén keer is zij door een co-assistent gezien, waarbij een huisarts superviseerde. Vanwege de buikklachten hebben er verschillende onderzoeken plaatsgevonden, waaronder bloedonderzoek, onderzoek van de ontlasting, een CT-scan, een gastroscopie en een echo. Klaagster is niet tevreden over de zorgverlening door de huisarts, omdat het niet mogelijk was om een afspraak bij de huisarts in te plannen en omdat zij geen verwijzing heeft gekregen naar een MDL-arts voor een endoscopie.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en zal het beroep van klaagster verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/6833 (ECLI:NL:TGZRAMS:2024:246). Die beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.
2.3 De zaak is op de zitting van 16 juli 2025 behandeld. Klaagster en de huisarts waren beiden aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door mr. E.R. Boer, de huisarts werd bijgestaan door mr. drs. A. Dekker die voor de gemachtigde mr. J.M. Janson waarnam.Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van beide partijen zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat net als het Regionaal Tuchtcollege uit van de volgende feiten. Deze feiten zijn in beroep niet of onvoldoende bestreden.
3.2 Klaagster, geboren in 1960, heeft zich op 3 mei 2021 tot de huisartsenpraktijk gewend in verband met buikklachten. Zij werd op 4 mei 2021 gezien op het spreekuur van een collega van de huisarts. In het dossier is genoteerd dat klaagster sinds een coronavaccinatie plotseling last had gekregen van een opgezette buik en dat haar ontlasting was veranderd. Er was geen bloed bij de ontlasting, klaagster had geen koorts, geen buikpijn en er was geen sprake van misselijkheid of braken. Bij lichamelijk onderzoek werden geen bijzonderheden gevonden. De collega-huisarts liet de ontlasting onderzoeken en vroeg bloedonderzoek aan. De uitslagen hiervan waren niet afwijkend.
3.3 Op 27 mei 2021 meldde klaagster op het spreekuur van een collega-huisarts dat zij nog steeds last had van een harde opgezette buik. De ontlasting was om de dag en normaal en bij lichamelijk onderzoek werden geen bijzonderheden gevonden. De collega-huisarts schreef een laxeermiddel (movicolon) voor en vroeg een buikoverzichtsfoto aan.
3.4 In het medisch dossier zit de uitslag van een CT-scan van 1 juni 2021. De conclusie van de CT-scan luidde als volgt: “Hoewel de maag met dit onderzoek niet goed is te beoordelen is er dubieus sprake van een verdikte maagwand, hoewel bovenstaande ook een drogbeeld zou kunnen zijn bij een fors gevulde maag. Advies Gastroscopie ter nadere evaluatie. Verder normaal aspect van het abdomen.”
3.5 In juni en juli 2021 heeft klaagster nog een paar keer contact gehad met de huisartsenpraktijk over haar opgezette buik. Klaagster kreeg het advies om vezelrijk te eten en bij verergering van de klachten terug te komen.
3.6 Op 6 juli 2021 kwam klaagster op het spreekuur van de huisarts. Naar aanleiding van de conclusie van de CT-scan vroeg de huisarts een gastroscopie aan. In het dossier heeft de huisarts de volgende aantekening gemaakt:
“S komt ivm uitzetting buik, ontlasting gaat nu goed sinds de zakjes, maagzuur heeft zij niet meer, is gestopt met kruidig eten geen gewichtsverlies, geen nachtzweten geen bloed bij ontlasting
O abdomen normale peristaltiek wisselende tympanie geen evidente weerstande drukpijn rechter bovenbuik
E D25.00 Verandering omvang/uitzetting buik
P gastroscopie ter uitsluiting pathologie, indien gb dan wellichttochm dietiste overwegen”
3.7 Op 12 augustus 2021 is een gastroscopie uitgevoerd. Hieruit bleek dat er sprake was van lichte refluxklachten (graad A reflux oesofagitis). Naar aanleiding hiervan kreeg klaagster het advies om maagzuurremmers te gebruiken.
3.8 Op 9 september 2021 is klaagster door een collega van de huisarts verwezen voor een gynaecologische echo. Uit deze echo volgde geen bijzonderheden.
3.9 Op 11 oktober 2021 kwam klaagster op het spreekuur bij de huisarts. Klaagster meldde dat zij bezorgd was over haar buik die groter werd. De huisarts zag geen bijzonderheden bij het lichamelijk onderzoek (“buik is normaal bij binnen lopen, abdomen normale peristaltiek bij afleiden normale buikomvang, soepel, geen weerstanden”). De huisarts adviseerde om vanwege refluxklachten de maagtabletten te blijven doorslikken. Verder schreef ze op verzoek van klaagster andere vezels voor om de ontlasting soepel te houden en adviseerde ze klaagster om zo nodig terug te komen.
3.10 In november 2021 is klaagster in D. behandeld voor darmklachten.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat:
a) er met haar geen afspraak te maken is, omdat zij druk is. Klaagster wordt steeds verwezen naar een arts in opleiding;
b) zij klaagster niet heeft verwezen naar een MDL-arts voor een endoscopie.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beoordeling van het Regionaal Tuchtcollege van klachtonderdeel b. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om dit klachtonderdeel alsnog gegrond te verklaren. Klaagster heeft geen gronden aangevoerd tegen de beoordeling van klachtonderdeel a.
4.3 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.
4.4 Dit betekent dat in beroep alleen nog klachtonderdeel b ter beoordeling voorligt. Klachtonderdeel a is in beroep niet meer aan de orde.
Toetsingskader
4.5 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Klaagster voert in beroep aan dat er onvoldoende onderzoeken zijn gedaan naar haar buikklachten. Zij heeft hierdoor onnodig lang met deze ernstige klachten doorgelopen. Uiteindelijk is volgens klaagster tijdens haar vakantie in het buitenland in het ziekenhuis vier kilo versteende ontlasting uit haar darmkanaal verwijderd en is een acute gastritis geconstateerd. Dit had voorkomen kunnen worden als de huisarts haar – overeenkomstig haar verzoek – eerder voor een endoscopie naar een MDL-arts had verwezen, aldus klaagster.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege volgt klaagster niet in haar betoog. Zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, blijkt uit het huisartsendossier dat er veel onderzoeken zijn gedaan naar de buikklachten van klaagster. De anamnese en de uitslagen van deze onderzoeken gaven geen aanleiding voor het maken van een endoscopie. Dit was niet anders bij het laatste consult bij de huisarts op 11 oktober 2021. Uit de anamnese en het toen door de huisarts verrichte lichamelijk onderzoek (“buik is normaal bij binnen lopen, abdomen normale peristaltiek bij afleiden normale buikomvang, soepel, geen weerstanden”) kwam geen noodzaak voor een verwijzing naar een MDL-arts naar voren. Het beleid van de huisarts, vezels om de ontlasting soepel te houden, en het door haar gegeven advies om bij aanhouden of verergeren van de klachten terug te komen, acht het Centraal Tuchtcollege overeenkomstig de beroepsstandaard. Dat wat zich eind november 2021 in D. heeft voorgedaan viel tijdens het consult van 11 oktober 2021 niet te voorzien. Het Centraal Tuchtcollege merkt daarbij op dat klaagster na dat consult – ondanks het door de huisarts gegeven advies - niet meer bij haar terug op consult is geweest.
4.8 De conclusie is dat de huisarts door klaagster niet voor een endoscopie naar een MDL-arts te verwijzen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Conclusie
4.9 Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel b terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal het hiertegen ingestelde beroep verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, H. de Hek en A.R.O. Mooy, leden‑
juristen, en C.A. Lindeboom en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 augustus 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.