ECLI:NL:TGZCTG:2025:144 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2657
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:144 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2657 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen longarts. Klager kwam medio 2023 bij de longarts op verdenking van longkanker. De longartsarts voerde diverse onderzoeken uit, waaronder lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek. De uitslagen van deze onderzoeken wezen uit dat sprake was van verdenking van een longabces in plaats van longkanker. Klager kwam twee weken later bij de longarts om de uitslagen van de onderzoeken te bespreken. In de brief aan de huisarts schreef de longarts onder meer dat hij lichamelijk onderzoek had verricht. Klager verwijt de longarts dat hij, anders dan in deze brief staat, geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en dat het daarnaast niet tot de competenties van de longarts behoort een gebit te beoordelen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond, maar legt de longarts geen maatregel op. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2657 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager, vertegenwoordigd door: C.,
tegen
D., longarts, werkzaam te E., verweerder in beide instanties,
hierna: de longarts, gemachtigde: mr. L. Wijnbergen, werkzaam te Groningen.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager kwam op 15 juni 2023 bij de longarts om uitslagen van diverse onderzoeken te bespreken. In de artsenbrief van 16 juni 2023 aan de huisarts schreef de longarts onder andere dat hij lichamelijk onderzoek had verricht. Klager verwijt de longarts dat hij, anders dan in deze brief staat, geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en dat het daarnaast niet tot de competenties van de longarts behoort een gebit te beoordelen.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaren, maar de longarts geen maatregel opleggen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle met nummer Z2024/7211 (ECLI:NL:TGZRZWO:2024:122). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden, het verweerschrift in beroep en een aanvullend stuk van de zijde van klager, ingekomen op 17 juni 2025.
2.3 De zaak is op de zitting van 2 juli 2025 behandeld. Klager heeft laten weten dat hij niet bij de zitting aanwezig kan zijn. Zijn gemachtigde, mevrouw C., was namens hem aanwezig. Ook de longarts was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Wijnbergen. Mevrouw C. heeft een bericht van verhindering van klager overgelegd, dat door de voorzitter bij de start van de zitting is voorgedragen. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mevrouw C. en het bericht van verhindering zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Klager heeft in beroep bezwaar gemaakt tegen de, volgens hem, slordige en suggestieve wijze van formuleren van de feiten en omstandigheden door het Regionaal Tuchtcollege. De feiten zoals die in de beslissing worden vermeld, vormen een verkorte weergave op hoofdlijnen van relevante punten uit het dossier. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding om de door het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing opgenomen feiten ingrijpend aan te passen, maar zal deze op enkele punten anders formuleren. Er wordt in de beoordeling uitgegaan van de volgende feiten.
3.2 Klager kwam op 1 juni 2023 bij de longarts op verdenking van longkanker. De longarts voerde diverse onderzoeken uit, waaronder lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek. Op 15 juni 2023 kwam klager wederom bij de longarts om de uitslagen van deze onderzoeken te bespreken. De longarts liet tijdens dit consult weten dat de uitslagen van de onderzoeken leken uit te wijzen dat sprake was van verdenking van een longabces in plaats van longkanker. Om hier zekerheid over te krijgen was nader onderzoek nodig. De longarts schreef klager gedurende drie weken antibiotica voor en na acht weken zou een CT-scan ingepland worden.
3.3 In de artsenbrief aan 16 juni 2023 aan de huisarts schreef de longarts (alle citaten zijn inclusief eventuele taal- en spellingsfouten):
“Anamnese:
Uitslagen besproken, dus al langere tijd koortspieken, ook een vieze smaak in de
mond, 2 maanden terug een behandeling bij de tandarts gehad, zou nog naar de mondhygieniste
moeten.
(…)
Lichamelijk onderzoek:
Slecht verzorgd gebit, boven kunstgebit.
(…)
Conclusie:
Kliniek en beeldvorming passen bij een longabces LOK.
Beleid:
Patient zal voor nog 3 weken augmentin starten 625 mg 3dd1, eerder al 1 week gebruikt.
CT-thorax follow-up over 8 weken.
Patient zal alsnog de afspraak bij de mondhygieniste maken. Gezien de oorzaak van
het longabces een dentogeen focus kan zijn.”
3.4 Op 21 juni 2023 vond een gesprek plaats tussen klager en de longarts. Tijdens dit gesprek heeft klager een verklaring van zijn tandarts aan de longarts overhandigd. Dezelfde dag werd klager opgenomen in het ziekenhuis omdat hij zich zwakker voelde. Na enkele dagen kreeg klager andere antibiotica toegediend. Op 11 juli 2023 werd klager ontslagen uit het ziekenhuis en opgenomen in een revalidatiecentrum.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de longarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld omdat hij in zijn artsenbrief van 16 juni 2023 heeft genoteerd dat hij lichamelijk onderzoek heeft verricht tijdens het consult terwijl dit volgens hem niet het geval was. Daarnaast stelt klager dat het beoordelen van een gebit niet behoort tot de competenties van een longarts.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en de longarts een passende maatregel wordt opgelegd. In beroep betoogt klager verder dat de longarts op 15 juni 2025 heeft geweigerd een kweek te zetten en het verkeerde antibioticum heeft voorgeschreven.
4.3 De longarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt klager in de nieuwe verwijten in beroep niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep voor het overige te verwerpen.
4.4 Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover klager heeft bedoeld om de weigering van de longarts om een kweek te zetten, en/of de onjuist voorgeschreven antibiotica als nieuwe klacht voor te leggen, is hij daarin niet-ontvankelijk. Het Centraal Tuchtcollege beperkt de beoordeling van het beroep tot de klacht die vermeld staat in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Toetsingskader
4.5 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat het zich realiseert dat klager een zwaar traject heeft doorlopen met een ziekenhuisopname en revalidatie en dat hij nog altijd de gevolgen hiervan ondervindt. Ook begrijpt het college dat een (tucht)klachtprocedure een forse weerslag heeft op de longarts. Het Centraal Tuchtcollege heeft daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen of de longarts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm hiervoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend longarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor hem geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter of anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Het Centraal Tuchtcollege begrijpt de klacht van klager zo dat hij de longarts verwijt dat hij geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, want als hij dat wel had gedaan dan zou de longarts niet hebben kunnen opschrijven dat sprake was van een slecht verzorgd gebit. Vanwege de samenhang van de klachtonderdelen ziet het Centraal Tuchtcollege aanleiding deze gezamenlijk te bespreken.
4.7 Partijen verschillen van mening over de vraag of er door de longarts lichamelijk onderzoek is verricht. Tijdens de zitting hebben beide partijen hierop een toelichting gegeven. Lichamelijk onderzoek door een arts, zoals gedefinieerd door de KNMG, is een systematische beoordeling van de lichamelijke toestand van een patiënt, uitgevoerd met als doel een diagnose te stellen, een behandelplan op te stellen, of de voortgang van een behandeling te evalueren. Het onderzoek omvat verschillende methoden, zoals inspectie, palpatie, percussie en auscultatie, waarbij de arts verschillende lichaamsdelen en functies onderzoekt. Bij een inspectie bekijkt de arts het lichaam van de patiënt, let op uiterlijke kenmerken zoals kleur, zwelling, huidafwijking etc. Zoals het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft overwogen, kan deze inspectie dus (ook) bestaan uit een waarneming, indruk of een feitelijke weergave.
4.8 Uit de geluidsopname van het consult van 15 juni 2023 volgt dat de longarts aan klager vraagt om zijn tanden te laten zien, waarna hij zegt ‘ik zie het al’. Klager bevestigt vervolgens dat hij een slecht gebit heeft, waarna nog wordt gesproken over het belang van goede verzorging. Hieruit volgt dat de longarts naar de tanden van klager heeft gekeken. Dit is tijdens de zitting ook door beide partijen bevestigd/gedemonstreerd, zij het dat klager vindt dat dit niet als lichamelijk onderzoek kwalificeert. Het Centraal Tuchtcollege volgt klager hierin niet.
4.9 Daarbij wordt het volgende overwogen. Een abces kan een uiting zijn van een ander probleem in de organen of andere lichaamsdelen. Longabcessen kunnen veroorzaakt worden door bacteriën uit de mondholte. Een slecht gebit vormt daarbij een verhoogd risico. In dat licht heeft de longarts de plicht zich te vergewissen van de gebitstoestand van een patiënt. Dit onderzoek kan gering zijn en beperkt zich alleen tot datgene dat nodig is. In dit geval was het onderzoek ook beperkt, omdat de longarts direct kon vaststellen dat sprake was van een slecht gebit en dit werd ook onmiddellijk door klager bevestigd.
4.10 Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het college dat er tijdens het consult van 15 juni 2023 sprake is geweest van lichamelijk onderzoek, zoals ook gedefinieerd door de KNMG. Namelijk inspectie door middel van een waarneming door de longarts. Het college kan zich voorstellen dat klager een ander beeld heeft bij een lichamelijk onderzoek, maar dat betekent niet dat hiervan geen sprake is geweest. In zoverre slaagt het beroep van klager niet.
4.11 De longarts neemt vervolgens in het dossier en de brief van 16 juni 2023 op dat uit het lichamelijk onderzoek volgt dat sprake is van een slecht verzorgd gebit. Tijdens de zitting heeft de longarts erkend dat de gebitstoestand van klager slecht was, maar dat duidelijk was dat het gebit wel degelijk werd verzorgd. Het Centraal Tuchtcollege leidt hieruit af dat de longarts na het verrichtte lichamelijk onderzoek te ver is gegaan in de gevolgtrekking. Tijdens de zitting heeft de longarts toegelicht dat de term ‘slecht verzorgd gebit’ Nederlands taalgebruik is en dat hij tijdens de opleiding ook heeft geleerd deze term te gebruiken. Het Centraal Tuchtcollege volgt de longarts hierin niet. De formulering ‘slecht verzorgd gebit’ kan onnodig krenkend zijn en zo heeft klager het ook ervaren. De longarts heeft tijdens zijn onderzoek alleen geconstateerd dat klager een slecht gebit had en niet dat het gebit slecht was verzorgd. Daarbij komt dat de longarts deze term ook niet heeft gecorrigeerd nadat klager op 21 juni 2023 de verklaring van zijn tandarts heeft overhandigd om duidelijk te maken dat hij zijn gebitsverzorging serieus neemt. Het Centraal Tuchtcollege is met klager van oordeel dat de verslaglegging van het consult op 15 juni 2023 voor wat betreft de beschrijving van de toestand van het gebit onzorgvuldig is, ook gelet op het feit dat de longarts het woord “onverzorgd” niet heeft verwijderd nadat hem bekend was dat de kwalificatie “onverzorgd” klager raakte en klager daarom zijn tandarts om een verklaring had gevraagd. De longarts kan op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt en in zoverre slaagt het beroep van klager.
Conclusie
4.12 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht ten onrechte volledig ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van dat college in zoverre vernietigen en de klacht alsnog deels gegrond verklaren zoals hiervoor onder 4.11 is overwogen.
Maatregel
4.13 Omdat de klacht alsnog deels gegrond wordt verklaard, moet worden beoordeeld of aan de longarts een maatregel moet worden opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege ziet – onder verwijzing naar artikel 69, vierde lid van de Wet BIG – redenen om daarvan in dit geval af te zien. Daarbij overweegt het college dat de term slecht verzorgd gebit in deze zaak niet alleen onjuist is, maar ook kwetsend en daarom niet op deze manier in de brief aan de huisarts had moeten worden opgenomen. Ook later heeft de longarts dit niet aangepast in het dossier van klager, terwijl hij na het gesprek op 21 juni 2023 wist, of had moeten begrijpen, dat dit voor klager een belangrijk punt was dat hij met de verklaring van zijn tandarts wilde ondersteunen. Daar staat tegenover dat de longarts niet bewust ‘slecht verzorgd gebit’ heeft opgenomen, maar in zijn beleving een in de beroepsgroep gebruikelijke term hanteerde. Daarnaast heeft hij op zitting erkend dat hij het woord ‘verzorgd’ niet had moeten opschrijven omdat dit onjuist was, waaruit volgt dat hij zich thans de impact ervan voor klager realiseert. Deze omstandigheden en het feit dat de klacht voor een belangrijk gedeelte ongegrond is verklaard, brengt het college tot de beslissing dat er aan de longarts geen maatregel zal worden opgelegd.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; vernietigt de beslissing waarvan beroep; en doet opnieuw recht: verklaart de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond zoals overwogen in overweging 4.11; bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd; verwerpt het beroep voor het overige; gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klagers het betaalde griffierecht ten bedrage van € 100,00 (zegge: honderd euro) voor de behandeling van de klacht bij het Regionaal Tuchtcollege en de behandeling van het beroep bij het Centraal Tuchtcollege vergoedt.
Deze beslissing is gegeven door Z.J. Oosting, voorzitter,
S.M. Evers en A.R.O. Mooy, leden-juristen en E.J.F.M. de Kruijf en M.J. Overbeek, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 augustus 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.