Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVBC:2021:7 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2021/05

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2021:7
Datum uitspraak: 24-12-2021
Datum publicatie: 11-01-2022
Zaaknummer(s): VB 2021/05
Onderwerp: Honden, subonderwerp: Therapie
Beslissingen:
  • Gegrond met berisping
  • Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: Hond, behandeling. Het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de gegrondverklaring van de klachten zal worden verworpen. Het beroep, voor zover dit is gericht tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel slaagt wel. De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal derhalve in zoverre worden vernietigd en het Veterinair Beroepscollege zal in plaats daarvan de maatregel van berisping opleggen.

Zaaknummer:                                                                                         Datum uitspraak:

VB 2021/05                                                                                            24 december 2021    

                                                                                                            

Uitspraak op het beroep van:

X, dierenarts te A, appellant

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 28 januari 2021 in zaak nr.. 2020/10  in het geding tussen:

Y en Z, wonende te B, klagers

en

appellant

Procesverloop

Bij uitspraak van 28 januari 2021 (ECLI:NL:TDIVTC:2021:20) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van klagers tegen de dierenarts gegrond verklaard en de dierenarts voorwaardelijk geschorst in de bevoegdheid de diergeneeskunde uit te oefenen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar ingaande de dag waarop de beslissing onherroepelijk wordt.

Tegen deze uitspraak heeft de dierenarts bij brief van 22 maart 2021 tijdig pro forma beroep ingesteld, welk beroep van gronden is voorzien bij inhoudelijk beroepschrift van 21 april 2021.

Klagers hebben bij brief van 26 juni 2021 gereageerd op het beroepschrift.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2021. De dierenarts, bijgestaan door mevrouw mr. S Dik, jurist bij DAS, is verschenen. Klagers zijn niet verschenen.

De klacht

Klagers verwijten de dierenarts dat hij onvoldoende (nader) onderzoek heeft uitgevoerd, onjuiste medicatie heeft toegepast – de voor humane toepassing bestemde Nitrolingual spray en Metoprololtartraat – en de hond te snel mee naar huis heeft gegeven.

Overwegingen

Aanleiding tot de klacht

1.         De hond van klagers, een Engelse Buldog genaamd Jaap, geboren op 4 september 2015, stond niet bij de praktijk van de dierenarts ingeschreven. De hond is door de dierenarts gezien op zaterdag 18 januari 2020, tijdens de weekenddienst. Klagers vertelden de dierenarts dat hun hond aan het einde van hun boswandeling plotseling ging zitten en vermoeid oogde. De dierenarts constateerde een hoge en onregelmatige hartslag. Deze constatering, in combinatie met het verslag dat klagers deden over het wegvallen van de hond aan het eind van de boswandeling, brachten de dierenarts tot de (waarschijnlijkheids)diagnose dat sprake was van een Acuut Coronair Syndroom.

2.         De dierenarts, die zelf hartpatiënt is en daarom in bezit is van Neurolingual spray en Metoprololtartraat, heeft de hond met zijn eigen spray behandeld en hij heeft de hond zijn eigen bètablokker Metoprololtartraat toegediend. De dierenarts heeft aangegeven dat hij hiervoor heeft gekozen omdat er geen bètablokkers voor honden geregistreerd zijn. De dierenarts heeft vervolgens geconstateerd dat de hartslag van de hond te traag werd en daarom de hond uit voorzorg een injectie Atropine toegediend.

3.         Uit de video-opnamen die in de praktijk van de dierenarts zijn gemaakt, blijkt dat het consult 34 minuten heeft geduurd. Nadat door de dierenarts is uitgelegd dat de hond van de gebeurtenissen moet herstellen en dat daarna nader en specifiek onderzoek gedaan kan worden, hebben klagers met de hond de praktijk verlaten.

4.         Ongeveer 25 minuten later heeft klaagster de dierenarts gebeld met de mededeling dat het heel slecht ging met de hond en dat zij vreesde dat de hond al was overleden. Klagers zijn daarop onmiddellijk teruggekeerd naar de praktijk en de dierenarts heeft daar de dood van de hond geconstateerd.

5.         De dierenarts stelt dat hij heeft uitgelegd dat sectie alleen zin heeft als er met de hond was gefokt (om te onderzoeken of nakomelingen preventief onderzocht zouden moeten worden) en dat vervolgens, omdat dat niet het geval was, de dierenarts op verzoek van klagers nog contact heeft gelegd met het dierencrematorium waar klagers de hond dezelfde dag nog konden aanbieden. Ook zou volgens de dierenarts voor maandag 20 januari 2020 een afspraak zijn gemaakt waar klagers niet zijn verschenen. Op 24 januari 2020 zou klaagster zonder afspraak zijn verschenen, waarbij zij emotioneel haar twijfels heeft geuit over de juistheid en kwaliteit van de behandeling door de dierenarts. Bij deze gelegenheid heeft klaagster de dierenarts gemeld toch sectie te hebben laten verrichten en dat uit de sectie de volgende conclusie was getrokken: “de hond was overleden aan hartfalen, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is het dier vermoedelijk overleden aan hartritmestoornis (bij spoedarts hoog hartritme geconstateerd)”.

Beslissing van het Veterinair Tuchtcollege

6.         Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klachten gegrond verklaard en de dierenarts een voorwaardelijke schorsing van de bevoegheid tot uitoefening van de diergeneeskunde voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Het heeft geoordeeld dat de dierenarts te beperkt onderzoek heeft gedaan. Uitgaande van de gestelde diagnose had verdergaand onderzoek of langere monitoring in de rede gelegen. Het Veterinair Tuchtcollege oordeelde voorts dat de dierenarts een te afwachtende houding heeft aangenomen door de hond mee naar huis te geven en daarbij voor drie dagen medicatie mee te geven. Voorts rekende het Veterinair Tuchtcollege het de dierenarts aan dat hij middelen die slechts geregistreerd zijn voor humaan gebruik heeft ingezet, hetgeen alleen op grond van de in dit geval niet van toepassing zijnde cascaderegeling  als bedoeld in artikel 5.1 van het Besluit diergeneeskundigen geoorloofd was. Als een dergelijk gebruik wel zou zijn toegestaan had dat vervolgens ook administratief goed moeten worden vastgelegd, hetgeen niet was gebeurd.

Beoordeling van het beroep van de dierenarts door het Veterinair Beroepscollege

7.         De dierenarts is het niet eens met de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege. Hij voert allereerst aan dat klagers niet-ontvankelijk in hun klachten dienen te worden verklaard omdat zij zich niet eerst bij de praktijk over de dierenarts hebben beklaagd.

Dit verweer wordt verworpen. Het is meestal raadzaam om voorafgaand aan een eventuele tuchtrechtelijke procedure als partijen met elkaar in gesprek te gaan. In veel gevallen kan daarna een procedure achterwege blijven. De Wet dieren stelt echter voor het kunnen indienen van een tuchtklacht niet de eis dat vooroverleg moet hebben plaatsgevonden of een aankondiging van een klacht moet worden gedaan. Het Veterinair Tuchtcollege heeft klagers terecht in hun klacht ontvangen. De eerste beroepsgrond van de dierenarts faalt..

8.         Vervolgens betoogt de dierenarts in zijn tweede beroepsgrond dat hij wel voldoende onderzoek heeft verricht en dat hij zich niet te afwachtend heeft opgesteld. Bij de beoordeling van het betoog gaat het Veterinair Beroepscollege er gelet op wat klagers opmerken in hun repliek, van uit dat tijdens het eerste consult op zaterdag 18 januari 2020 een vervolgafspraak is gemaakt voor maandag 20 januari 2020. In zoverre slaagt de tweede beroepsgrond van de dierenarts. Dat neemt niet weg dat Het Veterinair Beroepscollege van oordeel is dat de dierenarts een te afwachtende houding heeft aangenomen. Daartoe overweegt het Veterinair Beroepscollege het volgende. De dierenarts heeft een waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld op basis van summier onderzoek. Daarbij heeft hij een behandeling ingezet – waarop hierna verder zal worden ingegaan – die meebracht dat de hoge en onrustige hartfrequentie van de hond zozeer omlaag werd gebracht, dat deze vervolgens met het toedienen van Atropine weer omhoog gebracht moest worden. Onder die omstandigheden was verdere observatie geïndiceerd en heeft de dierenarts niet kunnen volstaan met het maken van een vervolgafspraak en het meegeven van 30 tabletten Metoprololtartraat 50mg. De tweede beroepsgrond faalt in zoverre.

9.         Met de derde en vierde beroepsgrond  bestrijdt de dierenarts het oordeel van het Veterinair Tuchtcollege over de inzet door de dierenarts van humane geneesmiddelen en de gebrekkige verslaglegging daarvan. Vooropgesteld moet worden dat de dierenarts de hond heeft behandeld met  humane, niet ook als diergeneesmiddel geregistreerde geneesmiddelen. Dat is slechts geoorloofd indien voor de door de dierenarts verrichte behandeling geen geregistreerde diergeneeskundige middelen in de handel zijn gebracht en daartoe gekomen zou kunnen worden op basis van de cascaderegeling (artikel 5.1 van het Besluit diergeneeskundigen).

De dierenarts stelt dat de cascaderegeling van toepassing was en door hem ook is gevolgd. De drukte en hectiek van zijn weekenddienst maakte voorts dat hem van zijn tekortschieten op het punt van de vastlegging  geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het Veterinair Beroepscollege volgt de dierenarts niet in zijn betoog. Vast staat immers, zoals de dierenarts tijdens de mondelinge behandeling zelf ook heeft verklaard, dat er wel degelijk een voor honden geregistreerd middel in de handel is gebracht  dat de hond had kunnen worden toegediend – Lidocaïne, zonder adrenaline –, maar dat de dierenarts dat middel uit bedrijfseconomische redenen niet in zijn praktijk op voorraad had. Het beroep op de cascaderegeling gaat derhalve niet op en de toediening van humane geneesmiddelen was dan ook niet geoorloofd. Daar komt bij dat een van deze humane middelen in een dermate hoge dosis is toegediend dat tegenmaatregelen genomen moesten worden. Ook dit is verwijtbaar in tuchtrechtelijke zin.

De dierenarts erkent ten slotte dat hij niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan ter zake van zijn beroep op de cascaderegeling. Drukte in de praktijk ontslaat hem echter niet van die plicht, die er juist voor is bedoeld om zijn handelen in de (uitzonderlijke) situatie van gebruik van de cascadereling toetsbaar te maken.

10.       Tot slot bepleit de dierenarts in zijn laatste en vijfde beroepsgrond dat het Veterinair Tuchtcollege hem met de voorwaardelijke schorsing een te zware maatregel heeft opgelegd. Het Veterinair Beroepscollege heeft hiervoor geoordeeld  dat de dierenarts een te afwachtende houding heeft aangenomen na toediening van een niet voor diergeneeskunde geregistreerd middel, terwijl er wel een geregistreerd middel kon worden ingezet. Daarbij heeft de dierenarts zich niet gehouden aan zijn administratieve verplichtingen. Dit zijn ernstige verwijten. Bij het opleggen van de maatregel is verder relevant dat de dierenarts niet eerder met de tuchtrechter in aanraking is geweest. Alles afwegende oordeelt het Veterinair Beroepscollege de maatregel van berisping passend en geboden.

Slotsom

11.       Het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de gegrondverklaring van de klachten zal worden verworpen. Het beroep, voor zover dit is gericht tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel slaagt wel. De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal derhalve in zoverre worden vernietigd en het Veterinair Beroepscollege zal in plaats daarvan de maatregel van berisping opleggen.


Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege:

  1. verwerpt het beroep voor zover dit betrekking heeft op de gegrondverklaring van de klacht;
  2. vernietigt de door het Veterinair Tuchtcollege opgelegde maatregel;
  3. legt de dierenarts de maatregel van berisping als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Dieren op.

Aldus gewezen door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, mr. J.L.W. Aerts en mr. G. Tangenberg, jurist-leden, drs. C. de Ruijter en drs. M.A. van Zuijlen, dierenarts-leden, in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink als secretaris.

w.g. mr. E.A. Minderhoud                                                         w.g. mr. I.F. Schouwink            

voorzitter                                                                                 secretaris

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2021

Voor eensluidend afschrift,

mr. I.F. Schouwink

secretaris