ECLI:NL:TGZCTG:2026:66 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2975

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:66
Datum uitspraak: 01-04-2026
Datum publicatie: 02-04-2026
Zaaknummer(s): C2025/2975
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de dermatoloog dat hij niet tijdig de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld toen klager zich via doorverwijzing van de huisarts bij de dermatoloog meldde met klachten waarvan klager zei dat die dezelfde waren als twintig jaar terug, toen bij klager lepra was vastgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de dermatoloog de maatregel van berisping opgelegd. Klager is het niet eens met die beslissing en heeft beroep ingesteld. Hij is van mening dat aan de dermatoloog een zwaardere maatregel dan een berisping moet worden opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep, gelet op het bepaalde in artikel 73, eerste lid onder a, van de Wet BIG.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2975 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager, gemachtigde: mr. D.B. Holthinrichs, werkzaam te Amsterdam,

tegen

C., dermatoloog, werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de dermatoloog,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam te Utrecht.

1.    Kern van de zaak

1.1    Klager verwijt de dermatoloog dat hij niet tijdig de diagnose ‘lepra’ heeft gesteld toen klager zich via doorverwijzing van de huisarts bij de dermatoloog meldde met klachten waarvan klager zei dat die dezelfde waren als twintig jaar terug, toen bij klager lepra was vastgesteld. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht gegrond verklaard en aan de dermatoloog de maatregel van berisping opgelegd. Klager heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep en zal dat hieronder toelichten.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7537 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:193). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure in eerste aanleg, het (aanvullend) beroepschrift van klager en het verweerschrift in beroep van de dermatoloog.

2.3    De zaak is op de zitting van 23 februari 2026 behandeld. Daar waren aanwezig klager 
met zijn gemachtigde mr. D.B. Holthinrichs, en de gemachtigde van de dermatoloog, 
mr. H.B.M. Vrieling. De dermatoloog was zoals tevoren aangekondigd niet aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. 
    
3.    Feiten

Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten zoals weergegeven in overweging “3. Wat is er gebeurd?” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
    
4.    Beoordeling van (de ontvankelijkheid van) het beroep

4.1    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, waarbij de klacht
van klager gegrond is verklaard en aan de dermatoloog de maatregel van berisping is opgelegd. Het beroep van klager heeft tot doel dat aan de dermatoloog een zwaardere maatregel dan een berisping wordt opgelegd. De vraag is of voor klager in dit geval beroep open staat. 

4.2    De dermatoloog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt klager niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep, gelet op het bepaalde in artikel 73, eerste lid onder a, van de Wet BIG.

4.3    In artikel 73, eerste lid onder a, van de Wet BIG is bepaald dat door een klager tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege slechts beroep kan worden ingesteld voor zover zijn klacht ongegrond is verklaard, hij niet-ontvankelijk is verklaard, het college kennelijk onbevoegd is of voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager geheel gegrond verklaard. Daarom kan klager, gelet op voornoemde wetsbepaling, niet in het beroep worden ontvangen. 

4.4    Het voorgaande brengt mee dat klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep. 

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, J.M.T. van der Hoeven-Oud en
T. Dompeling, leden-juristen, en E.R.M. de Haas en B. Velstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.

    Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.