ECLI:NL:TGZCTG:2026:61 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2949
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:61 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 26-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2949 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Herzieningsverzoek. Het Centraal Tuchtcollege heeft de tandarts bij beslissing van 26 mei 2025 met nummer C2024/2411 een voorwaardelijke schorsing opgelegd voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De tandarts heeft bij het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 52 Wet BIG een verzoek ingediend tot herziening van die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat geen naderhand gebleken omstandigheden zijn aangevoerd die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid indien zij tijdig bekend waren geworden en wijst het verzoek tot herziening af. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing op het verzoek om herziening in de zaak onder nummer C2025/2949 van:
A., tandarts,
werkzaam in B.,
verzoeker,
hierna: A.,
gemachtigde: mr. L.H.E. Drenthe, advocaat te Amsterdam,
strekkende tot herziening van de beslissing van 26 mei 2025 van het Centraal Tuchtcollege
in de zaak met nummer C2024/2411 van:
A., Tandarts,
werkzaam in B.,
appellant, tevens verweerder in incidenteel beroep, beklaagde in eerste aanleg,
hierna: A.,
gemachtigde: mr. L.H.E. Drenthe, advocaat te Amsterdam,
tegen
C.,
werkzaam in B.,
verweerder in beroep, tevens appellant in incidenteel beroep, klager in eerste aanleg,
hierna: C.,
gemachtigde: mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, advocaat te Utrecht.
1. De beslissing waarvan herziening wordt verzocht
1.1 C. heeft op 13 februari 2023 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen
A. een klacht ingediend. C. verweet A.:
a. oncollegiaal handelen door het faciliteren, ondersteunen en aanmoedigen van
patiënten om klachten tegen C. in te dienen en het zoeken van publiciteit en het onterecht
aan de schandpaal nagelen van C.;
b. valsheid in geschrifte door het in naam van voormalig patiënten opstellen,
ondertekenen en versturen van brieven aan de praktijk van C., waarin wordt gevraagd
om het verstrekken van medische gegevens/loggegevens van het elektronische dossier.
In 2021 kwamen er tientallen brieven van patiënten van de praktijk van A. met dezelfde
lay-out waarin patiënten vroegen naar loggegevens en auditbestanden;
c. het niet verstrekken van medische dossiers van naar C. overgestapte patiënten.
1.2 Bij beslissing van 23 februari 2024 met nummer Z2023/5348 (ECLI:NL:TGZRZWO:2024:26) heeft het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel a gegrond verklaard en A. een berisping
opgelegd. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard.
1.3 A. heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege.
Bij beslissing van 26 mei 2025 met nummer C2024/2411 (ECLI:NL:TGZCTG:2025:89) heeft het Centraal Tuchtcollege klachtonderdeel a op een aanvullend punt gegrond
verklaard en A. een voorwaardelijke schorsing opgelegd voor de duur van zes maanden
met een proeftijd van twee jaar onder de voorwaarde dat A. afziet van het direct en
indirect indienen van tuchtklachten tegen C.. De beslissing van het Centraal Tuchtcollege
is als bijlage aan deze beslissing gehecht.
2. Verloop van de procedure
2.1 A. heeft op 30 juli 2025 bij het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 52 van de Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) in samenhang met artikel 23 e.v. van het Tuchtrechtbesluit BIG een verzoek ingediend tot herziening van de beslissing van 26 mei 2025. Het Centraal Tuchtcollege heeft mr. H.M. Wattendorff (lid-jurist van het Centraal Tuchtcollege) op basis van artikel 25 lid 2 van het Tuchtrechtbesluit BIG benoemd tot rapporteur. De rapporteur heeft op 19 december 2025 schriftelijk verslag uitgebracht en geadviseerd om het verzoek tot herziening af te wijzen.
2.2 Het verzoek tot herziening is behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 februari 2026. De rapporteur en partijen waren daar aanwezig. A. werd bijgestaan door mr. L.H.E. Drenthe en mr. A.I. Keur. C. werd bijgestaan door mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp en mr. J.P. Plasman. De spreekaantekeningen van mr. Keur en mr. Schmitt-Hoogeterp zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Het herzieningsverzoek en het advies van de rapporteur
3.1 A. verzoekt om herziening op de volgende gronden:
1. De in de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 26 mei 2025 aangehaalde
uitspraken van de Commissie Intern Tuchtrecht van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
tot bevordering der Tandheelkunde (CIT/KNMT) van 13 maart 2023 en 3 mei 2023 zijn
door de rechtbank Gelderland bij vonnis van 9 juli 2025 vernietigd;
2. Het Centraal Tuchtcollege baseerde zijn beslissing van 26 mei 2025 op een
naderhand vernietigde uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege;
3. Schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) doordat de
samenstelling van zowel het Regionaal Tuchtcollege als het Centraal Tuchtcollege lijdt
aan een fundamenteel gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid en omdat na de
mondelinge behandeling door het Centraal Tuchtcollege op 7 april 2025, een eerdere
opzegging van het lidmaatschap van A. op 14 april 2025 door de KNMT ongedaan is gemaakt;
4. Het Centraal Tuchtcollege heeft een vakinhoudelijk disfunctionerende collega
ten onrechte de hand boven het hoofd gehouden;
5. Het Centraal Tuchtcollege heeft procedurele fouten gemaakt en zijn beslissing
ondeugdelijk gemotiveerd.
3.2 De rapporteur heeft in haar advies van 19 december 2025 onderbouwd en geconcludeerd dat niet is gebleken van nieuwe omstandigheden die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid. De rapporteur adviseert om het herzieningsverzoek af te wijzen.
4. Beoordeling van het verzoek tot herziening
4.1 Op grond van artikel 52 van de Wet BIG is herziening mogelijk van een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing waarbij een in artikel 48, eerste, tweede of vierde lid, van de Wet BIG omschreven maatregel is opgelegd, indien naderhand omstandigheden zijn gebleken die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid als zij tijdig bekend waren geworden. Tot de in laatstgenoemde bepaling omschreven maatregelen behoort de maatregel van een (voorwaardelijke) schorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen (artikel 48, aanhef en onder d van de Wet BIG).
Herzieningsgrond 1
4.2 De uitspraken van het CIT van 13 maart 2023 en 3 mei 2023 zijn in de beslissing
van het Centraal Tuchtcollege van 26 mei 2025 aangehaald onder het kopje ‘Feiten’
in overweging 3.6 en 3.10 van de beslissing. Deze overwegingen luidden als volgt:
“3.6 A. heeft in 2018, 2019 en 2022 klachten tegen C. ingediend bij de Commissie Intern Tuchtrecht (CIT) van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) die niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zijn verklaard. Naar aanleiding van de laatste klacht heeft de CIT in haar uitspraak van 3 mei 2023 met kenmerk 2023-1 A. niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht en bepaald dat toekomstige klachten ingediend door of namens A. en/of diens echtgenote, niet door de CIT in behandeling zullen worden genomen.”
“3.10 Op 3 april 2022 heeft C. een klacht tegen A. ingediend bij de CIT. De klacht houdt in dat A. en zijn echtgenote in strijd met de gedragsregels voor tandartsen handelen, omdat zij de hand hebben in het (laten) indienen van (ongefundeerde) klachten tegen C. en hem geen medische dossiers van patiënten verstrekken. In de uitspraak d.d. 13 maart 2023 met kenmerk 2022-1 heeft de CIT de klacht gegrond verklaard en A. een berisping opgelegd.”
4.3 In overwegingen 4.26 t/m 4.31 is het Centraal Tuchtcollege ingegaan op de op te leggen maatregel. In overweging 4.29 overwoog het Centraal Tuchtcollege het volgende:
“4.29 A. is er op meerdere momenten op gewezen dat zijn handelen niet past binnen
de professionele grenzen die gelden in de onderlinge verhouding met collega’s en dat
hij met zijn handelen niet alleen C. beschadigt, maar ook het vertrouwen in de gezondheidszorg.
Ondanks deze waarschuwingen en de door het RTG en CIT opgelegde berispingen volhardt
A. in zijn handelwijze. (…)”
4.4 Uit de door A. genoemde uitspraak van de Rechtbank Gelderland volgt dat de
rechtbank de beslissingen van de CIT heeft vernietigd overeenkomstig een daartoe strekkend
gezamenlijk verzoek van partijen. De rechtbank is niet toegekomen aan een inhoudelijke
beoordeling van de bezwaren van A. tegen die uitspraken. Uit de uitspraak van de rechtbank
is niets af te leiden over de gegrondheid van de door de CIT tegen A. uitgesproken
berisping respectievelijk niet-ontvankelijkheid in zijn klacht jegens C., noch over
de overwegingen waarop de beslissingen van de CIT zijn gebaseerd.
4.5 Verder geldt dat de hiervoor geciteerde overwegingen van het Centraal Tuchtcollege
waarin de beslissingen van het CIT worden aangehaald geen dragende overwegingen zijn
voor het oordeel van het Centraal Tuchtcollege. De beslissingen van het CIT hebben
slechts zijdelings een rol gespeeld. Het Centraal Tuchtcollege deelt de visie van
de rapporteur dat daarom niet valt in te zien dat de vernietiging van de uitspraken
van de CIT een naderhand gebleken omstandigheid is die naar ernstig vermoeden tot
een afwijkende beslissing zou hebben geleid als zij tijdig bekend was geworden.
Herzieningsgrond 2
4.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 26 mei 2025 onder 3.9
het volgende opgenomen:
“3.9 C. heeft op 11 september 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle een
klacht ingediend tegen A.. Het RTG Zwolle heeft in deze zaak de IGJ gehoord. De IGJ
heeft op
1 maart 2019 onder andere het volgende verklaard:
“Er is geen enkele andere tandarts in Nederland die zoveel energie van de Inspectie
vraagt als A..”
En
“Een ruwe schatting is dat de afgelopen zes jaar circa een kwart FTE bezig geweest is met de verzoeken, meldingen en dreigingen van A.”.
In beroep heeft het Centraal Tuchtcollege C. deels niet-ontvankelijk verklaard in de klacht en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.”
4.7 De uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 16 mei 2019 met nummer 247/2018 waaruit de verklaringen van de IGJ zijn geciteerd, is door het Centraal Tuchtcollege bij beslissing van 17 maart 2020 met nummer C2019.176 vernietigd. A. stelt dat het Centraal Tuchtcollege zich bij zijn uitspraak kennelijk geen rekenschap heeft gegeven van zijn eerdere oordeel. In die procedure zijn de feitelijke onjuistheden uitgebreid toegelicht.
4.8 De vernietiging van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege dateert echter van ver voor de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 26 mei 2025 en betreft daarom geen naderhand gebleken omstandigheid als bedoeld in artikel 52 van de Wet BIG. Het door A. aangevoerde kan alleen al daarom geen grond vormen voor herziening.
4.9 Ten overvloede wijst het Centraal Tuchtcollege erop dat uit de laatste zin van overweging 3.9 van de beslissing van 26 mei 2025 volgt dat het Centraal Tuchtcollege zich wel degelijk rekenschap heeft gegeven van het feit dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is vernietigd.
Herzieningsgrond 3
4.10 De omstandigheid dat de leden-tandartsen van het Regionaal Tuchtcollege
en het Centraal Tuchtcollege worden voorgedragen door de betrokken beroepsgroep (de
KNMT) is, anders dan A. heeft gesteld, ook niet aan te merken als een naderhand gebleken
omstandigheid als bedoeld in artikel 52 van de Wet BIG. Ten overvloede overweegt het
Centraal Tuchtcollege dat het voordragen van leden-tandartsen door de KNMT – los van
de juistheid van die stelling – op zichzelf geen omstandigheid is die vrees voor of
twijfel over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van deze leden objectief gerechtvaardigd
maakt.
4.11 Volgens A. gaat het hier om een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Voor zover A. hiermee bedoeld te stellen dat de leden-tandartsen die deel uitmaakten van het Centraal Tuchtcollege die de eindbeslissing van 26 mei 2025 heeft genomen, niet onpartijdig of onafhankelijk waren, levert dit geen grond op voor herziening als bedoeld in artikel 52 van de Wet BIG. Daarvoor staat immers een andere rechtsgang open.
4.12 De door A. genoemde omstandigheden dat ten tijde van de mondelinge behandeling
bij het Centraal Tuchtcollege een opzegging van zijn lidmaatschap van de KNMT van
kracht was, welke opzegging naar aanleiding van een door A. ingesteld bezwaar ongedaan
is gemaakt en de KNMT een tegen A. bij de rechtbank ingestelde vordering heeft ingetrokken,
vormen, anders dan A. heeft betoogd, geen grond voor herziening. Uit de motivering
van de uitspraak van 26 mei 2025 van het Centraal Tuchtcollege blijkt niet dat de
opzegging van het lidmaatschap en het instellen van een vordering tegen A. door de
KNMT enige rol hebben gespeeld bij de oordeelsvorming door het Centraal Tuchtcollege.
Het betreft hier dus geen omstandigheden die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende
beslissing zouden hebben geleid als zij tijdig bekend waren geworden.
Herzieningsgronden 4 en 5
4.13 Deze herzieningsgronden betreffen inhoudelijke bezwaren tegen het oordeel
van het Centraal Tuchtcollege en de motivering daarvan. Het bijzondere rechtsmiddel
van herziening is niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende
uitspraak te voeren of te openen, maar om een beslissing die berust op een naderhand
onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. De door A. aangevoerde herzieningsgronden
4 en 5 betreffen geen naderhand gebleken omstandigheden en kunnen daarom geen grond
voor herziening opleveren.
4.14 De door A. in zijn herzieningsverzoek opgenomen conclusie en verzoeken gaan
de
de mogelijkheden in het kader van een herzieningsprocedure ver te buiten. Deze kunnen
daarom buiten bespreking blijven.
Conclusie
4.15 Nu geen naderhand gebleken omstandigheden zijn aangevoerd die naar ernstig
vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid indien zij tijdig bekend
waren geworden, is er geen grond voor herziening van de eindbeslissing van het Centraal
Tuchtcollege van 26 mei 2025 en dient het daartoe strekkende verzoek te worden afgewezen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
wijst het verzoek tot herziening af;
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter,
L. van Dijk en B.J.M. Frederiks, leden-juristen, en B. van Noordenne en R. van der
Velden,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.