ECLI:NL:TGZCTG:2026:57 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2833

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:57
Datum uitspraak: 25-03-2026
Datum publicatie: 26-03-2026
Zaaknummer(s): C2025/2833
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager en verweerder zijn tandarts in dezelfde plaats. De verhoudingen tussen beide tandartsen zijn al jaren ernstig verstoord. Klager verwijt verweerder 1) ernstig oncollegiaal gedrag en 2) het niet verstrekken van medische dossiers van naar klager overgestapte patiënten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 2 gegrond verklaard en bepaald dat aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover dit betrekking heeft op het gegrond verklaarde klachtonderdeel en verwerpt het beroep voor het overige.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2833 van:

A., 
wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: mr. L.H.E. Drenthe, werkzaam in Amsterdam,
     
tegen

C., tandarts,
werkzaam in B., 
verweerder in beide instanties,
hierna: verweerder, 
gemachtigde: mr. J.P. Plasman, werkzaam in Amsterdam.

1.    De zaak in het kort
1.1    Klager en verweerder zijn beiden tandarts te B. De verhoudingen tussen beide tandartsen zijn al jaren ernstig verstoord. Klager verwijt verweerder in deze zaak ernstig oncollegiaal gedrag en het niet verstrekken van medische dossiers van naar klager overgestapte patiënten.
 
1.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover dit betrekking heeft op het gegrond verklaarde klachtonderdeel en verwerpt het beroep voor het overige.

2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle van 28 maart 2025 met nummer Z2024/7419
(ECLI:NL:TGZRZWO:2025:38). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing gehecht. Verweerder heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft op 21 januari 2026 per e-mail en op 22 januari 2026 per post nog aanvullende stukken van klager ontvangen (brief met bijlagen van mr. Drenthe d.d. 21 januari 2026). Deze stukken zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege. 

2.2    De zaak is op de zitting van 4 februari 2026 behandeld. Partijen en hun gemachtigden waren daar aanwezig. De spreekaantekeningen die mr. Drenthe heeft gebruikt zijn toegevoegd aan het dossier van het Centraal Tuchtcollege. 

3.    Feiten
3.1    Klager is samen met zijn echtgenote praktijkhouder van een tandartsenpraktijk in 
B. Ook verweerder is praktijkhouder van een tandartsenpraktijk in B. Zijn echtgenote is praktijkmanager en assistente in dezelfde praktijk. De verhoudingen tussen partijen zijn al jaren ernstig verstoord. Over en weer zijn er verschillende (gerechtelijke)procedures gevoerd, onder andere bij het Regionaal en Centraal Tuchtcollege en bij de Commissie Intern Tuchtrecht (CIT) van de KNMT.

3.2     Een van die procedures heeft geresulteerd in een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle (hierna: RTG Zwolle) van 16 mei 2019,  waarbij aan klager de maatregel van schorsing voor de duur van zes maanden is opgelegd, waarvan één maand onvoorwaardelijk en vijf maanden voorwaardelijk. Klager heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

3.3    Voordat door het Centraal Tuchtcollege op het beroep van klager was beslist, is vanuit het  B. (waarvan verweerder op dat moment secretaris was) een brief verstuurd aan de tandartsen van de tandartsenkring om hen te informeren over deze uitspraak van het RTG Zwolle. 

3.4    Ook is in die periode (op 24 mei 2019) een artikel verschenen in een regionale krant met als kop “Waslijst van klachten over tandarts”. Hierin laat de echtgenote van verweerder zich in een interview uit over de uitspraak van het RTG Zwolle en het functioneren van klager als tandarts.  

3.5    Het Centraal Tuchtcollege heeft op 17 maart 2020 op het beroep van klager tegen de uitspraak van het RTG Zwolle beslist. Daarbij is de uitspraak vernietigd en is de klacht van verweerder alsnog ongegrond verklaard. 

3.6    In de loop der jaren zijn regelmatig patiënten overgestapt van de praktijk van verweerder naar de praktijk van klager en vice versa. 

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het over?
4.1    Klager verwijt verweerder:
1.    ernstig oncollegiaal gedrag, door:
a.    klagers naam in een krantenartikel te verbinden aan de uitspraak van het RTG Zwolle en die uitspraak aan collega’s van de kring te zenden waardoor klagers naam wordt geschaad, dit terwijl de uitspraak nog niet onherroepelijk was en later werd vernietigd;
b.    het indienen van vele klachten bij diverse instanties (IGJ, NZa, KNMT) en het doen van een ongegronde aangifte valsheid in geschrifte en daartoe aanzetten.
2.    de weigering om aan klager patiëntendossiers te verstrekken als de patiënt daarom vraagt en de weigering daartoe behorende röntgenfoto’s in origineel format toe te zenden per beveiligde mail. 

4.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 1 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 gegrond verklaard en daarbij bepaald dat aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd. Klager is het niet eens met deze beslissing. Klager verzoekt het Centraal Tuchtcollege om voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel een maatregel op te leggen en klachtonderdeel 
1 alsnog gegrond te verklaren. 

4.3    Verweerder heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om klager niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel dit beroep te verwerpen. 

Ontvankelijkheid
4.4    Verweerder voert allereerst aan dat klager misbruik maakt van recht en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. Verweerder verwijst naar de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 26 mei 2025 met kenmerk C2024/2411 waarin klager een voorwaardelijke schorsing is opgelegd voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar onder de voorwaarde dat klager afziet van het direct en indirect indienen van tuchtklachten tegen verweerder. Verweerder wijst er verder op dat klager op 23 mei 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle een klacht heeft ingediend tegen verweerder en de voorzitter van dat college klager bij beslissing van 3 juli 2025 met nummer Z2025/8556 kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens misbruik van recht. 

4.5    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat verweerder niet wordt gevolgd in zijn betoog dat klager misbruik maakt van recht door beroep in te stellen tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 28 maart 2025. Het beroepschrift dateert van voor de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 26 mei 2025 en van voor de ingangsdatum van de proeftijd en overigens van voor de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 
3 juli 2025. Dit betekent dat klager kan worden ontvangen in zijn beroep met inachtneming van het hiernavolgende. 

4.6    In artikel 73, eerste lid onder a, van de Wet BIG wordt bepaald dat door een klager tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege slechts beroep kan worden ingesteld voor zover zijn klacht ongegrond is verklaard, hij niet-ontvankelijk is verklaard, het college kennelijk onbevoegd is, of voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 2 gegrond verklaard en bepaald dat verweerder in verband hiermee geen maatregel wordt opgelegd. Omdat klachtonderdeel 2 door het Regionaal Tuchtcollege gegrond is verklaard, is het niet mogelijk om tegen het oordeel over dit klachtonderdeel beroep in te stellen. Dit betekent dat klager niet-ontvankelijk is in beroep voor zover dit gaat over klachtonderdeel 2. 

Inhoudelijk oordeel

Toetsingskader
4.7    Zoals het Regionaal Tuchtcollege terecht heeft overwogen, heeft het medisch tuchtrecht tot doel de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken en te bevorderen en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van een zorgverlener. Het gaat daarbij om een algemeen belang. Zoals al eerder is geoordeeld in tuchtrechtelijke procedures tussen partijen, is het medisch tuchtrecht niet bedoeld en ook niet geschikt om een oordeel te vellen over ernstig verstoorde verhoudingen tussen zorgverleners onderling. Dit is alleen anders als door die verstoorde verhoudingen risico’s ontstaan voor de kwaliteit van de patiëntenzorg.

4.8    De behandeling van klachtonderdeel 1 in beroep geeft geen aanleiding tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met wat het Regionaal Tuchtcollege over klachtonderdeel 1 heeft overwogen en beslist en neemt dit over. 

Conclusie
4.9    De conclusie is dat klager niet ontvankelijk is in het beroep voor zover dit gaat over klachtonderdeel 2 en dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel 1 terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal klager in het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren en het beroep voor het overige verwerpen. 

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover dit betrekking heeft op klachtonderdeel 2;

verwerpt het beroep voor het overige. 

 
Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, 
L. van Dijk en B.J.M. Frederiks, leden-juristen, en B. van Noordenne en R. van der Velden, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026.
Voorzitter w.g.                                          Secretaris  w.g.