ECLI:NL:TGZRZWO:2025:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7419

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:38
Datum uitspraak: 28-03-2025
Datum publicatie: 31-03-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7419
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klager en verweerder zijn tandarts in dezelfde plaats. De verhoudingen tussen beide tandartsen zijn al jaren ernstig verstoord en er zijn over en weer al diverse procedures gevoerd, waaronder meerdere tuchtrechtelijke procedures. Klager verwijt verweerder in deze zaak ernstig oncollegiaal gedrag en het niet verstrekken van medische dossiers van naar klager overgestapte patiënten. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is en gedeeltelijk gegrond. Vaststaat dat verweerder de dossiers van overgestapte patiënten op hun verzoek niet aan klager als opvolgend tandarts verstrekt maar aan de patiënten zelf. Op grond van artikel 4.3.3 van de KNMT-richtlijn Patiëntendossier dient een dossier, wanneer een patiënt daarom verzoekt, rechtstreeks aan de opvolgend tandarts ter beschikking te worden gesteld. Het ter beschikking stellen van het dossier aan de patiënt zelf geeft geen zekerheid dat de opvolgend tandarts de beschikking krijgt over het volledige patiëntendossier. Het college legt verweerder geen maatregel op voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel. Hierin heeft het college onder meer laten meewegen dat de ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen in dit geval in overwegende mate hebben bijgedragen aan de wijze van handelen van verweerder. Van een weigerachtigheid om patiëntendossiers te verstrekken is in algemene zin geen sprake geweest.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 28 maart 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: mr. L.H.E. Drenthe, werkzaam in Amsterdam,

tegen

C,

tandarts,

werkzaam in B,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Plasman, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1 Klager en verweerder zijn tandarts in dezelfde plaats. De verhoudingen tussen beide tandartsen zijn al jaren ernstig verstoord en er zijn over en weer al diverse procedures gevoerd, waaronder meerdere tuchtrechtelijke procedures. Klager verwijt verweerder in deze zaak ernstig oncollegiaal gedrag en het niet verstrekken van medische dossiers van naar klager overgestapte patiënten.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is en dat de klacht deels gegrond en deels ongegrond is. Aan verweerder wordt geen maatregel opgelegd. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juli 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • het proces-verbaal van het op 29 oktober 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 februari 2024. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klager heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten

3.1 Klager is samen met zijn echtgenote praktijkhouder van een tandartsenpraktijk in

B. Ook verweerder is praktijkhouder van een tandartsenpraktijk in B. Diens echtgenote is praktijkmanager en assistente in dezelfde praktijk. De verhoudingen tussen beide praktijken zijn al jaren ernstig verstoord. Er zijn door partijen over en weer diverse procedures gevoerd, zowel bij het tuchtcollege als bij de Commissie Intern Tuchtrecht (CIT) van de KNMT.

3.2 Een van die eerdere procedures betrof een tuchtklacht van verweerder tegen klager. Deze procedure heeft geresulteerd in een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle (hierna: RTG Zwolle) van 16 mei 2019,[1] waarbij de klacht deels gegrond en deels ongegrond was verklaard. Wat betreft het gegrond verklaarde gedeelte was daarbij aan klager de maatregel van schorsing van zes maanden opgelegd, waarvan één maand onvoorwaardelijk en vijf maanden voorwaardelijk. Omdat klager tegen deze uitspraak beroep had ingesteld, was deze uitspraak nog niet onherroepelijk.

3.3 Voordat op het beroep van klager was beslist, is vanuit het bestuur van de Tandartsenkring B (waarvan verweerder op dat moment secretaris was) een brief verstuurd aan de tandartsen van de plaatselijke tandartsenkring om hen te informeren over de uitspraak van het RTG Zwolle. Ook is in die brief een voorstel tot royement van klager en zijn echtgenote gedaan. Uiteindelijk zijn beiden ook daadwerkelijk geroyeerd.

3.4 Ook is in die periode (op 24 mei 2019) een artikel verschenen in een regionale krant met als kop “Waslijst van klachten over tandarts”. Hierin laat de echtgenote van verweerder zich in een interview uit over de uitspraak van het RTG Zwolle en het functioneren van klager als tandarts.

3.5 Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft op 17 maart 2020 op het beroep van klager tegen de uitspraak van het RTG Zwolle beslist. Daarbij is de uitspraak vernietigd en is de klacht van verweerder alsnog ongegrond verklaard.[2]

3.6 Op 8 juli 2020 is het royement van klager en zijn echtgenote door de Rechtbank Overijssel vernietigd.

3.7 In de loop der jaren zijn regelmatig patiënten overgestapt van de praktijk van verweerder naar de praktijk van klager en vice versa.

[1] gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:TGZRZWO:2019:77.

[2] gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:TGZCTG:2020:84.

4. De klacht en de reactie van verweerder

4.1 Klager verwijt verweerder:

1. ernstig oncollegiaal gedrag, om de volgende redenen:

  1. door klagers naam in een krantenartikel te verbinden aan een uitspraak van het RTG Zwolle en de uitspraak aan collega’s te zenden en daardoor klagers naam te schaden, ondanks dat de beslissing nog niet onherroepelijk was en later werd vernietigd;
  2. het indienen van vele klachten bij diverse instanties (IGJ, NZa, KNMT) en het doen van ongegronde aangifte valsheid in geschrifte en daartoe aanzetten.

2. de weigering om patiëntendossiers te verstrekken als de patiënt daar om vraagt en daartoe behorende röntgenfoto’s in origineel format aan klager toe te zenden per beveiligde mail.

4.2 Verweerder heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Volgens verweerder is de klacht uitsluitend gebaseerd op de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen en dient dit buiten het tuchtrecht te blijven. De gemaakte verwijten zien volgens verweerder op geen enkele wijze op het bestaan van risico’s voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 heeft verweerder daarnaast aangevoerd dat klager geen partij is en niet in enig gerechtvaardigd individidueel belang is geschaad.

Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

Wijze van beoordelen van de klacht

5.1 Het medisch tuchtrecht heeft tot doel de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken en te bevorderen en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van een zorgverlener. Het gaat daarbij om een algemeen belang. Zoals al eerder is geoordeeld in tuchtrechteljike procedures tussen partijen, is het medisch tuchtrecht niet bedoeld en ook niet geschikt om een oordeel te vellen over ernstig verstoorde verhoudingen tussen zorgverleners onderling. Dit is alleen anders als door die verstoorde verhoudingen risico’s ontstaan voor de kwaliteit van de patiëntenzorg.

Ontvankelijkheid

5.2 Het college acht klager ontvankelijk in beide klachtonderdelen. Het gestelde oncollegiale handelen kan van invloed zijn op het vertrouwen dat patiënten in klager als zorgverlener hebben. Wat betreft het gestelde niet-verstrekken van patiëntendossiers van overgestapte patiënten geldt dat niet is uitgesloten dat klager hierdoor wordt gehinderd in het leveren van goede tandheelkundige zorg. Dit betekent dat klager in beide gevallen rechtstreeks in zijn belang is geraakt en dat dit belang ook te maken heeft met de individuele gezondheidszorg. Het gestelde handelen valt onder de werkingssfeer van de tweede tuchtnorm, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Algemeen

5.3 Ter zitting is met partijen uitvoerig gesproken over de situatie tussen beiden en de veelvuldige tuchtklachten die zij in de afgelopen jaren over en weer tegen elkaar hebben ingediend. Getracht is met partijen te bezien of, en zo ja, hoe, hierin naar de toekomst toe verandering gebracht zou kunnen worden. Het college heeft echter moeten constateren dat partijen niet in gezamenlijkheid tot een constructieve oplossing kunnen komen.

Het college zal daarom hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht.


Klachtonderdeel 1) ernstig oncollegiaal gedrag

5.4 Volgens klager heeft verweerder zijn naam geschaad door deze in een krantenartikel te verbinden aan een uitspraak van het RTG Zwolle en door die uitspraak naar collega’s te sturen terwijl deze nog niet onherroepelijk was en later is vernietigd. Ondanks dat het krantenartikel een interview met de echtgenote van verweerder betreft en niet met verweerder zelf, meent klager dat verweerder wel tuchtrechtelijk verantwoordelijk is.

5.5 Het college volgt klager daarin niet. Gesteld noch gebleken is dat verweerder in het krantenartikel uitlatingen heeft gedaan over de gewraakte uitspraak. Dat verweerders echtgenote, tevens medewerker van zijn tandartspraktijk, dat heeft gedaan maakt verweerder daarvoor nog niet tuchtrechtelijk aansprakelijk. Verder is verweerder als secretaris van de plaatselijke tandartsenkring weliswaar betrokken geweest bij het versturen van een brief aan de overige leden van de kring om hen te informeren over de schorsing door het RTG Zwolle van 16 mei 2019, maar daarbij is in de brief ook expliciet vermeld dat de uitspraak nog niet onherroepelijk was. Van latere verspreiding van die uitspraak (na vernietiging daarvan) door verweerder aan derden is het college niet gebleken. Daarnaar ter zitting gevraagd, heeft klager daarvoor ook geen onderbouwing kunnen geven.

5.6 Het oncollegiale gedrag bestaat volgens klager verder uit het veelvuldig indienen van klachten tegen klager bij diverse instanties en het doen van aangifte door verweerder dan wel het aanzetten daartoe. In het klaagschrift wordt daarbij gesproken van een “lawine aan klachten” in de orde van grootte van honderden klachten.

5.7 Het college stelt vast dat door verweerder verschillende tuchtklachten tegen klager zijn ingediend, in aantal vergelijkbaar met de door klager tegen verweerder ingediende klachten. Voor de door klager genoemde aantallen – honderden – ontbreekt echter elke onderbouwing. Hiernaar ter zitting gevraagd, heeft de gemachtigde van klager ook hierover verklaard niet specifieker te kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor de beweerdelijke aangiftes.

5.8 In het klaagschrift en tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klager ook naar voren gebracht dat verweerder, toen hij werkzaam was als secretaris van de tandartsenkring, klager disproportioneel veel spoeddiensten heeft toebedeeld. Voor zover dit ook als onderdeel van de klacht moet worden gezien, geldt ook hiervoor dat geen feitelijke onderbouwing is gegeven.

5.9 De overwegingen hiervoor leiden tot de conclusie dat een feitelijke grondslag voor het verwijt van ernstig oncollegiaal gedrag ontbreekt. Klachtonderdeel 1 is om die reden ongegrond.


Klachtonderdeel 2) weigeren verstrekken patiëntendossier

5.10 Klager verwijt verweerder dat hij weigert om de patiëntendossiers van overgestapte patiënten rechtstreeks aan hem te verstrekken.

Vaststaat dat verweerder de dossiers van overgestapte patiënten niet aan klager als opvolgend tandarts verstrekt maar aan de patiënten zelf. Volgens verweerder heeft hij bij verzoeken waarvan gezegd wordt dat deze door patiënten worden gedaan niet de zekerheid dat dit ook zo is en heeft hij voldoende reden om aan te nemen dat door of namens klager verzoeken van patiënten worden gefabriceerd. Verweerder wil niet het risico lopen dat hij een patiëntendossier verstrekt aan klager als opvolgend tandarts zonder dat de betreffende patiënt daar om heeft verzocht. Om die reden verstrekt hij het dossier niet aan klager maar aan de patiënt zelf. Verweerder meent dat het de verantwoordelijkheid van de patiënt is om er vervolgens voor te zorgen dat het dossier bij klager terechtkomt.

5.11 Verweerder kan niet in deze uitleg worden gevolgd. Ondanks het feit dat de verstoorde relatie tussen klager en verweerder voeding geeft aan wantrouwen tussen beiden, laat dit naar het oordeel van het college onverlet dat verweerder, wanneer een patiënt daarom verzoekt, het dossier rechtstreeks aan klager als opvolgend tandarts ter beschikking dient te stellen. Dit vloeit voort uit artikel 4.3.3 van de KNMT-richtlijn Patiëntendossier (herziening 2020). Het ter beschikking stellen van het dossier aan de patiënt zelf geeft geen zekerheid dat de opvolgend tandarts de beschikking krijgt over het volledige patiëntendossier.

Dit betekent dat verweerder in zoverre tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Slotsom

5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel 1 ongegrond is en klachtonderdeel 2 gegrond.


Maatregel

5.13 Omdat het college een deel van de klacht gegrond verklaart, moet de vraag worden beantwoord of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.

Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door patiëntendossiers van overgestapte patiënten niet rechtstreeks over te dragen aan klager als opvolgend tandarts. Het is van belang dat verweerder zich ervan bewust is dat hij in de toekomst zorg draagt voor een juiste wijze van overdracht om op die manier, met het oog op de kwaliteit van de patiëntenzorg, te waarborgen dat alle beschikbare gegevens bij de opvolgend tandarts terechtkomen. Het college weegt echter mee dat de ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen in dit geval in overwegende mate hebben bijgedragen aan de wijze van handelen van verweerder. Van een weigerachtigheid om patiëntendossiers te verstrekken is in algemene zin geen sprake geweest. Dit geheel maakt dat het college de enkele constatering dat hiermee een tuchtrechtelijke norm is geschonden voldoende acht en dat geen maatregel wordt opgelegd.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
  • bepaalt dat aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door G. Tangenberg, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist,
Th.J.M. Hoppenreijs, M.E. Geertman en R. Müller, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.

secretaris voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.