ECLI:NL:TGZCTG:2026:54 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2871
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:54 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 26-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2871 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager is sinds juli 2022 werkzaam als accountmanager bij E.. Per 21 juni 2023 heeft klager zich ziekgemeld. De bedrijfsarts i.o, werkzaam bij F., heeft klager in zijn ziekteverzuimperiode begeleid. Klager verwijt de bedrijfsarts i.o, in meerdere klachtonderdelen, dat zij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij de verzuimbegeleiding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep tegen die beslissing. Het incidenteel beroep van de bedrijfsarts i.o. slaagt, in die zin dat het Centraal Tuchtcollege klager alsnog niet-ontvankelijk verklaart in klachtonderdeel j (het niet melden van PTSS als beroepsziekte). |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2871 van:
A., wonende te B., appellant, tevens verweerder in incidenteel beroep, klager in
eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., arts in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde,
werkzaam te D., verweerster in beroep, tevens incidenteel appellante, verweerster
in eerste aanleg,
hierna: de bedrijfsarts i.o.,
gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam te Amsterdam.
1. Kern van de zaak
1.1 Klager is sinds juli 2022 werkzaam als accountmanager bij E. Per 21 juni 2023 heeft klager zich ziekgemeld. De bedrijfsarts i.o., werkzaam bij F., heeft klager in zijn ziekteverzuimperiode begeleid. Klager verwijt de bedrijfsarts i.o, in meerdere klachtonderdelen, dat zij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij de verzuimbegeleiding.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft de klacht op 17 juni 2025 ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel en zal dat hieronder toelichten.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam met nummer A2024/7821 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:149). De bedrijfsarts i.o. heeft een verweerschrift in beroep ingediend en tevens incidenteel beroep ingesteld. Klager heeft op zijn beurt een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedures in eerste aanleg en beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 februari 2026 behandeld. Klager was daar zoals aangekondigd niet verschenen. De bedrijfsarts i.o. wel, bijgestaan door mr. A.C. de Die. De bedrijfsarts i.o. heeft vragen van het college beantwoord en haar standpunt nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. De Die zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten (en voegt daar nog een paar feiten aan toe).
3.2 Klager is sinds 4 juli 2022 werkzaam als accountmanager bij E.. Per 21 juni 2023 heeft klager zich ziekgemeld wegens spannings- en paniekklachten ten gevolge van een pestsituatie op het werk.
3.3 De bedrijfsarts i.o. is BIG geregistreerd als huisarts, maar heeft de overstap gemaakt naar de opleiding bedrijfsgeneeskunde en werkt vanaf mei 2024 als bedrijfsarts onder supervisie, bij F.. De bedrijfsarts i.o. en haar supervisor, reeds 30 jaar werkzaam als bedrijfsarts, hebben de casus van klager samen behandeld. Ook tegen de supervisor is een tuchtklacht ingediend.
3.4 Het eerste consult tussen klager en de bedrijfsarts i.o. vond plaats op 27
juli 2023. De bedrijfsarts i.o. noteerde van dit consult (citaten voor zover van belang
en letterlijk weergegeven):
“4 juli 2022 gestart bij E.. Maakte sinds het begin al diverse dingen mee op de werkvloer,
pesterijen, racistische bejegening, uitsluiting. Meerder collega’s last van werkcultuur.
Melding gemaakt bij HR.
Ging om 3 collega’s; er zijn er 2 ontslagen, 1 niet tot zijn verbazing. Andere collega
die ook gepest werd vertrokken.
Hij heeft het steeds volgehouden.
Hoefde van vorige directeur niet met diegene samen te werken. Nu een ad interim
directeur gekomen waarvan hij wel moet gaan samenwerken.
Emotioneel uitgeput. Sluit zich op in huis, gaat nergens naar toe. in kleine kamer
zitten waar hij zich veilig voelt.
Gaat met moeite in de auto, krijgt paniekaanvallen, emotionele huilbuien,
situaties die lijken op werk triggeren hem.
herbeleeft pijnlijke momenten, gevoel van constant op zijn hoede moeten zijn,
beelden en gedachten dringen zich op.
Meneer wilt een veilige werksituatie, maar voelt zich niet gehoord.
Heeft zelf bij G. aangeklopt omdat WG niets deed. heeft ook een advocaat
ingeschakeld omdat hij niet wist waar te beginnen.” (..)
De conclusie van de bedrijfsarts i.o. luidde dat er spannings-en paniekklachten zijn ten gevolge van werkgerelateerde factoren. Het advies was o.a. de komende twee weken rust te houden en daarna het advies voor een gesprek tussen werkgever en klager. Klager had reeds zelf een afspraak gemaakt met de POH GGZ en het advies van de bedrijfsarts i.o. luidde om na het eerste gesprek, gesprekken met de POH GGZ voort te zetten.
3.5 In de periode die volgde tot aan het tweede consult met de bedrijfsarts i.o. had klager contact met de casemanager van F. op 31 juli, 3, 16, 21 en 30 augustus 2023 (tussentijdse evaluatie). Daarin gaf klager aan dat zijn klachten toenamen, gaf hij zijn visie op het plan van aanpak en gaf hij aan een gesprek met de werkgever niet aan te kunnen. De casemanager overlegde met de bedrijfsarts i.o. en zij adviseerde mediation in te zetten.
3.6 Op 22 september 2023 vond een tweede consult bij de bedrijfsarts i.o. plaats.
Daarvan is genoteerd:
“Beperkingen nog niet aan het afnemen.
Adequate behandeling (intake gehad bij H.).
Mediation is van start; volgende week intake.
Beleid/
-op dit moment nog geen voldoende herstel voor werkhervatting
-advies doorgaan met herstelwerkzaamheden
-uitkomst mediation afwachten
-volgende gesprek: vrijdag 20/10 11.30 uur”
3.7 In het volgende spreekuurcontact met de bedrijfsarts i.o. op 20 oktober 2023 gaf klager aan dat het slechter met hem ging. Uit de terugkoppeling van H. waar klager op dat moment onder behandeling was, bleek dat er een trauma -of stressgerelateerde stoornis aanwezig was en een ander probleem verband houdend met werk. H. stelde dan ook een individuele behandeling met steunende en structurerende gesprekken voor, en cognitieve therapie aangevuld met trauma verwerkende interventie. De bedrijfsarts i.o. besloot op basis hiervan dat het herstel van klager nog onvoldoende was om het werk te kunnen hervatten en dat eerst het effect van de behandeling bij H. moest worden afgewacht.
3.8 Op 21 november 2023 vond een telefonisch evaluatieconsult (tussentijdse evaluatie) met de casemanager plaats.
3.9 Op 4 januari 2024 volgde een vierde consult waarbij klager aangaf dat het
inmiddels wat beter ging. De mediation tussen werkgever en klager was op gang gekomen
en de adequate behandeling bij H. bevorderde het herstel. Hoewel het beter ging concludeerde
de bedrijfsarts i.o. als volgt:
“Beleid/
-herstel nog onvoldoende gevorderd voor werkhervatting;
effect gerichte behandeling afwachten
-advies mediation continueren om tot oplossingen te komen
-over 4 wkn EVC: stand van zaken? verloop mediation? daarna weer PE plannen.
3.10 Klager stuurde op 30 januari 2024 een e-mail waarin hij aangaf dat het, hoewel in zeer kleine stapjes en ook langzaam, steeds iets beter ging.
3.11 Het volgende spreekuurcontact vond plaats op 15 februari 2024. De bedrijfsarts i.o. heeft in haar terugkoppeling van dit consult samengevat genoteerd dat het herstel gestaag verloopt en dat zijn beperkingen voor werk steeds verder afnemen. De verwachting was dat klager over ongeveer twee maanden weer geleidelijk kon starten met het hervatten van werk. De bedrijfsarts i.o signaleerde een stagnatie in het mediation-proces en adviseerde klager om daarover zo spoedig mogelijk zelf contact op te nemen met de mediator.
3.12 Op 4 en 25 maart 2024 was er contact tussen klager en de casemanager van F. over de stand van zaken (tussentijdse evaluatie). Het eerder gegeven advies behoefde, naar aanleiding van deze contacten, geen aanpassing.
3.13 Op 9 en 15 april 2024 was er contact met de casemanager (tussentijdse evaluatie) en klager liet weten dat de mediation stap voor stap een afronding naderde en dat hij hoopvol was over de voortgang.
3.14 Op 18 april 2024 vond de eerstejaarsevaluatie plaats. De bedrijfsarts i.o. concludeerde samengevat dat er sprake was van geleidelijk herstel, dat mediation nog gaande was maar dat er nog geen concrete oplossing was. De bedrijfsarts i.o. gaf aan dat dit niet bevorderend werkt voor het verdere herstel en zij adviseerde werknemer en werkgever om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen in het mediation traject. Een geleidelijk opbouwschema van werkzaamheden door klager kon worden gestart. Zij adviseerde tevens dat een arbeidsdeskundig onderzoek en lijst arbeidsmogelijkheden en beperkingen (LAB) moest worden opgesteld om zo de toekomstige mogelijkheden van aangepast werk inzichtelijk te krijgen. De bedrijfsarts i.o. had met toestemming van klager medische informatie opgevraagd bij de behandelaar van klager, H.. Deze liet weten dat zij geen verdere informatie verstrekt over cliënten. Het medisch dossier is toen door klager zelf aan de bedrijfsarts i.o. verstrekt.
3.15 Op 25 april 2024 stuurde klager een e-mail waarin hij o.a. aangaf dat werkgever hem geen veilige werkomgeving en onvoldoende middelen bood om hem te helpen. Op 29 mei 2024 had klager een telefonisch consult (tussentijdse evaluatie) met de casemanager van F.. Hierover is in het dossier genoteerd: “Meneer geeft aan dat de werkgever tijdens de mediation geen veilige werkomgeving wil garanderen. De mediation zit muurvast, maar loopt nog wel door. (..)”
3.16 Op 20 juni 2024 vond het arbeidsdeskundig en re-integratie onderzoek plaats waarbij geconcludeerd werd dat er sprake was van een niet medische kwestie die een duurzame terugkeer naar eigen werk in de weg stond. Werkgever en werknemer werd geadviseerd om actief te blijven zoeken naar een oplossing.
3.17 Op 1 juli 2024 vond een volgend telefonisch contact tussen klager en de bedrijfsarts i.o. plaats. Klager vertelde dat het ondanks paniekklachten wel weer wat beter ging. Hij had moeite met de houding van werkgever. De bedrijfsarts i.o. adviseerde, in de terugkoppeling naar werknemer en werkgever, de adviezen van het arbeidsdeskundig onderzoek op te volgen en benadrukte de verplichting van werkgever om te zorgen voor een veilige werkomgeving en stelde dat het van belang was een oplossing te vinden door mediation.
3.18 Tot aan het volgende spreekuurcontact van 10 september 2024 met de bedrijfsarts i.o. waren er nog enkele gesprekken (tussentijdse evaluaties) tussen klager en de casemanager van F. die telkens neerkwamen op het ongenoegen van klager over de houding van zijn werkgever.
3.19 Op 10 september 2024 vond een zevende consult plaats. De terugkoppeling
luidt voor zover relevant als volgt:
“Conclusie en visie arts/ spannings en paniekklachten tgv werkgerelateerde
factoren.
diagnose psycholoog: andere gespecificeerde trauma of stressor gerelateerde stoornis
Adequate behandeling (CGT en traumabehandeling bij H.).
Aanvankelijk sprake van toenemend herstel; mediation traject leidt echter niet tot
oplossingen, aanhoudende situatie geleid tot verergering PTSS klachten.
Beleid/
- nieuwe medische informatie opvragen (machtiging met vragen naar dhr mailen)
- langdurige mediation leidt niet tot oplossingen > advies aan wg en wn om te overleggen
met de betrokken mediator over het vervolg.
- tweede spoor continueren
- over 4 wkn EVC: stavaza klachten/ herstel? beloop mediation? beloop tweede
spoor? hierna fysieke PE plannen op een vrijdagochtend
- ook uitgebreid besproken met dhr dat ik eerdere mails van dhr (tav schrappen uit
big register arts bij tuchtzaak) als onprettig heb ervaren;
deze manier leidt niet tot verbetering van zijn klachten; mijn inzet is er op gericht
om hem weer in duurzaam herstel en belastbaarheid te krijgen.”
3.20 Op 16 september 2024 heeft de bedrijfsarts i.o. aan klager gevraagd of hij de actuele medische informatie bij zijn behandelaar wilde opvragen. Op diezelfde dag vroeg klager om een second opinion. De bedrijfsarts i.o. verzamelde alle informatie en stuurde deze door naar de bedrijfsarts die een second opinion ging uitbrengen.
3.21 De bedrijfsarts die de second opinion uitvoerde kwam op 29 oktober 2024
tot de volgende conclusie en advies:
“Uit de anamnese en de mislukte mediation blijkt een ernstig verstoorde arbeidsrelatie
met psychosociale klachten bij werknemer. Re-integratie in hetzelfde team is medisch
gezien onwenselijk. Adviseer werkgever Spoor 2 te volgen en een plan van aanpak op
te stellen gericht op duurzame inzetbaarheid buiten de huidige werksituatie. Let op
signalen van PTSS en overweeg met de GGZ-professional om een aangepaste opbouw van
belastbaarheid en re-integratie te bewerkstelligen.”
3.22 Op 2 november 2024 stuurde klager de bedrijfsarts i.o. een e-mail met een aantal verwijten en tekortkomingen van de begeleiding van F. en de bedrijfsarts i.o.. Klager kondigde aan een rechtszaak te beginnen.
3.23 Op 8 november 2024 vond een video-consult plaats tussen de bedrijfsarts i.o., haar supervisor en klager waarin de stand van zaken besproken werd. De e-mail van 2 november 2024 werd besproken en de supervisor gaf aan dat hij de begeleiding overnam.
3.24 Na het gesprek van 8 november 2024 stuurde klager op diezelfde dag een
uitgebreide
e-mail waarin hij de vermeende tekortkomingen van F. en de bedrijfsarts i.o. beschreef.
Klager kondigde aan dat deze punten zouden worden behandeld in een tuchtprocedure.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over?
4.1 Klager verwijt de bedrijfsarts i.o.:
a) het niet tijdig herkennen en behandelen van een PTSS;
b) een onveilige reïntegratieomgeving;
c) dat zij geen risico-inventarisatie en evaluatie heeft gemaakt;
d) het ontbreken van een individueel herstelplan;
e) een onjuiste inschatting van belastbaarheid;
f) het forceren van mediation ondanks contra-indicaties;
g) summiere een onvoldoende rapportages;
h) het onvoldoende communiceren met behandelaars;
i) het langdurig uitblijven van actie;
j) het niet melden van PTSS als beroepsziekte.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat zijn klacht alsnog gegrond wordt verklaard. In dat verband heeft hij in zijn aanvullend beroepschrift verzocht om I. als getuige-deskundige te horen. De bedrijfsarts i.o. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzet zich tegen het horen van de gevraagde getuige-deskundige en verzoekt het beroep van klager te verwerpen.
4.3 In incidenteel beroep verzoekt de bedrijfsarts i.o. om klager alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in klachtonderdeel j. Klager heeft hiertegen verweer gevoerd.
Beoordeling van het beroep van klager
4.4 Het verzoek van klager om I. als getuige-deskundige te horen wordt afgewezen,
omdat de noodzaak daartoe ontbreekt. Het rapport van I. maakt onderdeel uit van het
dossier. De inhoud van dat rapport is helder; het roept geen (aanvullende) vragen
op. Het Centraal Tuchtcollege acht zich daarom voldoende voorgelicht.
4.5 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts i.o. op juiste en zorgvuldige wijze heeft gehandeld zodat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De behandeling van de zaak in beroep maakt dat niet anders. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen en neemt dat over. Ter terechtzitting in beroep van 11 februari 2026 heeft de bedrijfsarts i.o. nog toegelicht dat zij haar advies van 18 april 2024 achteraf gezien duidelijker had kunnen verwoorden, maar dat destijds de strekking van haar advies voor een ieder helder was en dat daarover geen misverstand heeft bestaan. Dit volgt onder meer uit het feit dat het opbouwschema van werkzaamheden, zoals genoemd in het advies, nooit daadwerkelijk in gang is gezet. De bedrijfsarts i.o. had oog voor de situatie waarin klager zich bevond. Zij heeft louter willen opschrijven waartoe klager medisch gezien in staat was, indien het probleem met de werkgever zou zijn opgelost. Mogelijk zou de ernst van de mate waarin de arbeidsrelatie verstoord is geraakt voor iedereen duidelijker zijn geweest indien de bedrijfsarts i.o. onomwonden het pesten en de racistische bejegening had benoemd, maar gezien enerzijds de onder 3.4 door de bedrijfsarts i.o. beschreven situatie waarin dit expliciet aan de orde komt en anderzijds de in gang gezette mediation, kan de bedrijfsarts i.o. hiervan geen verwijt gemaakt worden. De klachten zijn ongegrond, het beroep van klager wordt verworpen.
Beoordeling van het incidenteel beroep van de bedrijfsarts i.o.
4.6 De bedrijfsarts i.o. verzoekt om klager alsnog niet-ontvankelijk te verklaren
in klachtonderdeel j. Hiertoe is aangevoerd dat klager geen rechtstreeks belang heeft
bij het wel of niet melden van een beroepsziekte bij het J.. Het doel van een dergelijke
melding is het verkrijgen van een zo volledig mogelijk statistisch beeld van het aantal
beroepsziekten op landelijk niveau.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege is het met de bedrijfsarts i.o. eens dat het rechtstreekse
belang van klager dat noodzakelijk is voor ontvankelijkheid in de tuchtprocedure ten
aanzien van klachtonderdeel j ontbreekt. Dit leidt ertoe dat het Centraal Tuchtcollege
de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege op dit punt zal aanpassen. Voor beide
procespartijen heeft deze (juridische) aanpassing geen praktische gevolgen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: in het principaal beroep: verwerpt het beroep; in het incidenteel beroep: vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van klachtonderdeel j en doet in zoverre opnieuw recht: verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel j.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en T.W.H.E. Schmitz,
leden-juristen, en A.H.J.M. Sterk en J.H.M. de Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.