ECLI:NL:TGZCTG:2026:50 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2836
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:50 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 26-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2836 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. Klaagster is wegens pensionering van haar vaste huisarts per 1 juli 2022 ingeschreven als patiënt bij de huisartsenpraktijk van de huisarts die het patiëntenbestand overnam. Klaagster was het daar niet mee eens vanwege de grotere afstand van de praktijk tot haar woning. Het bleek niet mogelijk te zijn om klaagster aan een andere huisarts over te dragen. Klaagster had in 2023 en 2024 meerdere malen contact met de huisartsenpraktijk voor verschillende hulpvragen. Zij is niet tevreden met de zorg die zij heeft ontvangen. Zo zou de huisarts onder andere haar zorgplicht niet zijn nagekomen, onzorgvuldig beleid voeren, slechte service verlenen en medicatie hebben geweigerd. Het regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2836 van:
A., wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., huisarts, werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Amsterdam.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster is per 1 juli 2022 ingeschreven als patiënt bij de huisartsenpraktijk
van de huisarts. Dit omdat de vaste huisarts van klaagster per die datum met pensioen
was gegaan en de huisarts diens patiëntenbestand had overgenomen. Klaagster was het
niet eens met de inschrijving bij de nieuwe huisartsenpraktijk, vanwege de grotere
afstand van de praktijk tot haar woning. Het bleek niet mogelijk om klaagster aan
een andere huisarts over te dragen. Klaagster had vanaf oktober 2022 meermalen contact
met de huisartsenpraktijk voor verschillende hulpvragen. Zij is niet tevreden over
de zorg die zij heeft ontvangen. Zo zou de huisarts onder andere haar zorgplicht niet
zijn nagekomen, onzorgvuldig beleid voeren, slechte service verlenen en medicatie
hebben geweigerd.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Zwolle van 11 april 2025 met nummer Z2024/7392 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:49).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, het aanvullende beroepschrift en het verweerschrift in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 februari 2026 behandeld. Klaagster en de huisarts waren beiden aanwezig. De huisarts werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.F. Maatje. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. Klaagster had daarbij de hulp van een schrijftolk. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster was tot 1 juli 2022 patiënt bij een huisartsenpraktijk, waarna haar vaste huisarts met pensioen ging. De huisarts heeft toen de huisartsenpraktijk van deze collega-huisarts overgenomen, inclusief het gehele patiëntenbestand. Klaagster werd daardoor automatisch ingeschreven bij de praktijk van de huisarts.
3.3 In september, oktober en november 2023 was er over en weer e-mailcontact tussen klaagster en de assistente over het wisselen van huisartsenpraktijk. Klaagster wilde in verband met haar beperkte mobiliteit overstappen naar een praktijk die dichter bij haar in de buurt zat. De assistente gaf na overleg met de huisarts aan dat klaagster niet naar een praktijk van haar voorkeur kon overstappen, wegens een patiëntenstop voor patiënten die al een huisarts in B. hadden.
3.4 Op 20 december 2023 verzocht klaagster per e-mail om antibiotica voor oorpijnklachten aan het rechteroor. Klaagster, die aan het linkeroor doof is en rechts een verminderd gehoor heeft, gaf daarbij aan dat zij de weinige gehoorcapaciteit rechts graag wilde behouden. De assistente berichtte dat de huisarts geen antibioticakuur kon voorschrijven zonder de patiënt te hebben gezien. Er werd een consult aangeboden. Op 21 december 2023 kwam klaagster op het spreekuur bij een basisarts, werkzaam in de praktijk van de huisarts. Deze schreef na overleg met de waarnemend huisarts oordruppels en neusspray voor, en plande een controleafspraak in voor de week erna. Ook werd met klaagster afgesproken dat zij contact op moest nemen met de huisartsenpost als zij zieker zou worden. Klaagster e-mailde op 22 december 2023 naar de praktijk omdat de oorpijn bleef aanhouden. Zij vroeg zich af of de juiste medicijnen waren voorgeschreven. De assistente gaf na overleg met de basisarts het advies om pijnstilling erbij te gebruiken en bij koorts opnieuw contact op te nemen.
3.5 Tijdens de controleafspraak op 27 december 2023 werden door de basisarts geen zichtbare afwijkingen geconstateerd. Klaagster had naast de aanhoudende pijn nu ook last van beduidend gehoorverlies aan het rechteroor. Na overleg met een waarnemend huisarts in de praktijk verwees de basisarts klaagster door naar de KNO-arts. De KNO arts koppelde terug dat klaagster mogelijk ISSHL (plotseling gehoorverlies) of labyrinthitis (ontsteking van het binnenoor) had doorgemaakt. Op 29 februari 2024 stuurde klaagster een e mail naar de huisartsenpraktijk dat haar gehoor verslechterde en zij zo snel mogelijk een afspraak wilde in het ziekenhuis.
3.6 Op 23 mei 2024 vroeg klaagster per e-mail om een herhaalrecept voor zolpidem (slaapmedicatie). In overleg met de huisarts antwoordde de assistente op 24 mei 2024 dat klaagster eerst op een consult moest komen voordat de slaapmedicatie voorgeschreven kon worden, overeenkomstig het beleid binnen de praktijk. Op 30 mei 2024 vond het consult met de huisarts plaats om het gebruik van de slaapmedicatie en de arts-patiëntrelatie te bespreken. Het gesprek werd vroegtijdig afgebroken, omdat klaagster wegliep. Hierna was er een mailwisseling over het verloop van het consult en de herhaalmedicatie.
3.7 Klaagster verzocht op 30 juli 2024 per e-mail om een spoedverwijzing voor een MRI-scan in verband met ernstige rugklachten. Zij bevond zich op dat moment op vakantie in het buitenland en vroeg om een spoedafspraak bij de afdeling radiologie op maandag 5 augustus 2024. Klaagster had in verband met deze klachten in het buitenland al een ziekenhuis bezocht. De assistente antwoordde in overleg met een waarnemend huisarts dat een MRI-scan alleen via een specialist kon worden aangevraagd en niet via de huisartsenpraktijk. Een röntgenfoto aanvragen kon wel. Klaagster is uiteindelijk op 5 augustus 2024 bij de basisarts op consult geweest, waarna op 6 augustus 2024 een thoraxfoto is gemaakt.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat:
a) zij haar zorgplicht heeft verzaakt door de klachten van klaagster niet serieus
te nemen;
b) zij zonder toestemming medische en privé-informatie heeft gedeeld met derden;
c) zij zonder toestemming klaagster heeft ingeschreven als patiënt en haar dossier
heeft overgenomen, waardoor klaagster niet meer kan overstappen naar een andere praktijk;
d) zij de gezondheid van klaagster heeft geschaad door onzorgvuldig beleid, namelijk
het weigeren van een verzoek tot aanvraag MRI-scan, de zorg niet afstemmen op de individuele
patiënt, een onveilige werksfeer binnen de praktijk en onbeschoft gedrag;
e) de praktijk ontoegankelijk en slecht bereikbaar is, door de lange telefonische
wachttijd en slechte service;
f) de (waarnemend) huisarts op 21 en 27 december 2023 onbekwaam was en een verkeerde
beoordeling heeft gedaan;
g) heeft geweigerd medicatie (zolpidem en antibiotica) voor te schrijven of te
verstrekken.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klachtonderdelen a) tot en met g) alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
4.4 Dit betekent dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.
Toetsingskader
4.5 De vraag die moet worden beantwoord is of de huisarts de zorg heeft verleend
die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Daarnaast geldt bij de
tuchtrechtelijke toetsing het beginsel dat een zorgverlener alleen verantwoordelijk
kan worden gehouden voor zijn eigen handelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Het Centraal Tuchtcollege komt op basis van de stukken en de mondelinge toelichting
van partijen tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen 5.2 tot
en met 5.9 van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege over – onder meer – de
inschrijving van klaagster als patiënt in de praktijk van de huisarts en de aan klaagster
verleende zorg en neemt deze overwegingen hier integraal over. Daarmee sluit het Centraal
Tuchtcollege aan bij het oordeel van dat college dat de huisarts niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. De behandeling van de zaak in beroep geeft het Centraal
Tuchtcollege wel aanleiding tot een paar aanvullende opmerkingen.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege acht het voorstelbaar dat het voor klaagster moeilijk was dat, nadat zij jarenlang patiënt was geweest in een huisartsenpraktijk, deze huisartsenpraktijk werd overgenomen door een andere huisarts, wier praktijk bovendien verder van de woning van klaagster was gelegen. Het is begrijpelijk dat klaagster liever had gezien dat zij als patiënte in een huisartsenpraktijk dicht bij haar woning kon worden ingeschreven. Dit neemt niet weg dat de automatische overname van het patiëntenbestand inclusief dossiers naar een nieuwe praktijk een gebruikelijke gang van zaken is en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit ten opzichte van klaagster niet op zorgvuldige wijze is gebeurd.
4.8 Verder wil het Centraal Tuchtcollege hier (nogmaals) benadrukken dat in het tuchtrecht het beginsel van persoonlijke verwijtbaarheid geldt. Dit betekent dat een zorgverlener alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen en dus in beginsel niet verantwoordelijk is voor het handelen van anderen waar hij of zij niet zelf bij betrokken is geweest. Dit geldt ook voor een huisarts die – zoals in dit geval – praktijkhouder is. De praktijkhouder is niet uit de aard van haar positie medeverantwoordelijk voor al het handelen van andere BIG-geregistreerde zorgverleners binnen de praktijk.
4.9 Gebleken is dat de huisarts alleen direct betrokken is geweest bij het consult
van
30 mei 2024 (betreffende de verstrekking van (slaap)medicatie en de arts-patiëntrelatie).
Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld
dat de huisarts bij die gelegenheid onzorgvuldig heeft gehandeld. De huisarts kan
ten aanzien van dit consult dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Voor
de overige consulten (betreffende onder meer de oorpijnklachten en de spoedverwijzing
voor een MRI-scan) geldt dat deze door een waarnemend huisarts zijn gedaan of onder
diens verantwoordelijkheid hebben plaatsgevonden. De huisarts heeft hier geen betrokkenheid
bij gehad. In de periode van 13 juli 2024 tot medio oktober 2024 was de huisarts zelfs
afwezig wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid en was zij in het geheel niet betrokken
bij de praktijkvoering. Het vorenstaande betekent dat de huisarts ten aanzien van
de overige consulten evenmin een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ten overvloede
overweegt het Centraal Tuchtcollege daarbij nog dat het medisch dossier van klaagster
ook geen aanwijzingen bevat voor het oordeel dat bij die overige consulten de aan
klaagster verleende zorg ontoereikend zou zijn geweest.
4.10 Tot slot merkt het Centraal Tuchtcollege op dat, hoewel de huisarts niet betrokken was bij het opstellen van de verwijsbrief aan de KNO-arts in 2023, zij het wel betreurt dat in deze brief gegevens zijn opgenomen die daar niet in thuishoorden. De huisarts heeft aangegeven dat zij samen met de andere artsen uit de huisartsenpraktijk hier lering uit heeft getrokken en haar excuses aan klaagster heeft aangeboden. Ook is in de praktijk aandacht besteed aan de informatie die in een verwijsbrief gedeeld mag worden om herhaling te voorkomen.
Conclusie
4.11 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a tot
en met g terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal daarom het
beroep van klaagster verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door Z.J. Oosting, voorzitter, S.M. Evers en T.W.H.E. Schmitz, leden juristen, en W. de Ruijter en O.T.M. Schouten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.