ECLI:NL:TGZRZWO:2025:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:131
Datum uitspraak: 27-10-2025
Datum publicatie: 30-10-2025
Zaaknummer(s): Z2025/8018
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht ongegrond. Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij het inzage- en correctierecht niet goed heeft uitgevoerd. Daarnaast verwijt dat in de adviesrapportage onjuiste medische gegevens staan en het onmogelijk is dat, zoals in het rapport zou staan, de verzekeringsarts dezelfde dag als het spreekuurcontact met klager contact heeft gehad met de gemeente. 


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 27 oktober 2025 op de klacht van:

A,

wonende inB,

klager,

tegen

C,

verzekeringsarts,

destijds werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,

gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam bij de VvAA Legal te Utrecht.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klager (hierna: ook cliënt) verwijt de verzekeringsarts dat hij het inzage- en correctierecht niet goed heeft uitgevoerd. Daarnaast verwijt klager de verzekeringsarts dat in de adviesrapportage onjuiste medische gegevens staan en het onmogelijk is dat, zoals in het rapport zou staan, de verzekeringsarts dezelfde dag als het spreekuurcontact met klager contact heeft gehad met de gemeente.  
 

1.2     De arts stelt zich op het standpunt dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
 

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 januari 2025, bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch en later naar het Regionaal Tuchtcollege Zwolle doorgezonden;
  • het aanvullende klaagschrift, binnengekomen op 6 februari 2025;
  • de brief van klager, met bijlage, binnengekomen op 27 februari 2025;
  • de brief van klager, met bijlage, binnengekomen op 14 maart 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, binnengekomen op 22 april 2025;
  • de repliek van klager, met bijlage, binnengekomen op 11 juli 2025;
  • de brief van klager, binnengekomen op 29 juli 2025;
  • de dupliek, binnengekomen op 12 augustus 2025;
  • de brief van klager, met bijlage, binnengekomen op 12 augustus 2025;
  • de brief van gemachtigde van verweerder, binnengekomen op 13 augustus 2025.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3      De zaak is behandeld op de openbare zitting van 7 oktober 2025. De partijen zijn  verschenen. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de  gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. De feiten
 

3.1     Klager heeft de verzekeringsarts op 16 oktober 2024 gesproken tijdens een spreekuurcontact. De oproep betrof een aanvraag bij de gemeente in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (hierna Wmo) voor licht huishoudelijke hulp en vrijstelling van de zorgplicht van inwonende kinderen, dochter en schoonzoon. Klager had eerder een Wmo-aanvraag gedaan voor zwaar huishoudelijke hulp en begeleiding.
 

3.2     De adviesrapportage van de verzekeringsarts, van 22 oktober 2024, is ingebracht in de procedure en daarin is, voor zover relevant, opgenomen:

2. Vraagstelling opdrachtgever:
Bestaat er noodzaak voor het toekennen van huishoudelijke hulp voor licht huishoudelijk werk. Kan van de huisgenoten (inwonende kinderen) worden verwacht dat zij de licht huishoudelijke taken overnemen of zijn er redenen dat deze gebruikelijke zorg niet van hen kan worden verwacht?
(…)
Actuele medicatie:
Lisinoprol 5 mg en voor de cholesterol.
3. Dagelijkse activiteiten (Dagverhaal):
Hij staat vroeg op rond 06:00 uur.
Na opstaan gaat hij naar de kerk. Hij doet heel veel activiteiten in de kerk, brood in de pauzes, hij doet met de activiteiten mee, 3 keer per week gaat hij met de trein buiten B voor deze activiteiten van de kerk. Soms gaan zij naar E voor de kerk. En de rest van de dagen doen ze buiten de kerk activiteiten in B.
(…)
Sport: Hij fietst veel (ongeveer 2 keer per dag 10 km = 20 km fietsen) hij heeft een elektrische fiets van de gemeente gekregen. (…)
(3). Herstelgedrag en begeleiding:
Client gebruikt medicatie en hij komt zijn medische afspraken na. Zijn herstelgedrag is adequaat.
(7). Conclusie:
(…) Omdat ciënt deelneemt aan verschillende activiteiten van de kerk (hij gaat minimaal drie dagen per week naar verschillende steden en naar B), omdat deze activiteiten ook fysieke inspanningen vereisen die meer belastend zijn dan de lichte huishoudelijke taken, omdat hij geen pijnstillers gebruik en omdat de lichte huishoudelijke taken niet knie-belastend zijn worden de aangenomen beperkingen niet sterk gescoord. (…)Hiervoor wordt er een negatief advies aan de gemeente om de lichte huishoudelijke werkzaamheden toe te kennen.
(3). Reactie van klant:
Het advies is tijdens het onderzoek aan cliënt medegedeeld.
Cliënt is het niet eens met de (medische) strekking van het advies.
Cliënt wacht de beslissing van de gemeente af.
Cliënt heeft geen gebruik gemaakt van het inzage en blokkeringsrecht.

3.3     Op 30 oktober 2024 is de aanvraag voor licht huishoudelijke hulp van klager door de gemeente afgewezen.

3.4     Op 26 november 2024 is aan de Wmo-consulent van de gemeente een antwoord van de verzekeringsarts toegestuurd, inhoudende:

Dhr. [achternaam klager, RTG Zwolle] heeft tijdens het spreekuur geen gebruik gemaakt van het inzage en blokkeringsrecht. Ik heb hem daarna verteld dat ik de rapportages verder thuis ging uitwerken en afronden.
Mijn negatief advies over zijn aanvraag huishoudelijke hulp blijft onveranderd.

4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
 

4.1     Klager verwijt de verzekeringsarts, na bespreken van de klachtonderdelen ter zitting, dat:

  1. de verzekeringsarts het inzage- en correctierechter niet correct heeft toegepast;  
  2. het rapport in strijd is met de medische gegevens van klager;
  3. de verzekeringsarts op de dag van het onderzoek telefonisch heeft gesproken met een medewerker van de gemeente, hetgeen onmogelijk is en niet in het rapport hoort te staan.

Klager voert met name aan dat hij het rapport niet heeft ontvangen van de verzekeringsarts voordat het naar de gemeente is gegaan. In een eerder rapport in het kader van de WMO (begeleiding) staat juist dat klager door moet gaan met het reizen met de trein. In deze rapportage staat dat omdat klager kan reizen hij ook licht huishoudelijk werk kan doen. Dat is tegenstrijdig met elkaar. Verder staat geschreven dat klager geen paracetamol gebruikt terwijl klager het juist wel moet gebruiken voor onder meer zijn knieklachten.
 

4.2     De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de verzekeringsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2      Centraal in deze procedure staat de adviesrapportage die verweerder aan de gemeente heeft uitgebracht naar aanleiding van de WMO-aanvraag (licht huishoudelijke hulp) van klager. Klachtonderdeel a), omtrent het inzage- en correctierecht

5.3     Klager stelt dat hij ten onrechte geen inzage heeft gekregen in de adviesrapportage, geen conceptrapportage naar hem is opgestuurd, en hij daardoor geen gebruik heeft kunnen maken van zijn correctierecht. Verweerder stelt dat hij aan het einde van het gesprek zijn advies heeft weergegeven en dat klager heeft aangegeven geen gebruik te maken van het inzage- en correctierecht en dat hij in bezwaar zou gaan bij de gemeente als er een negatieve beslissing volgde.
 

5.4       Het college overweegt dat de stellingen van partijen omtrent het al dan besproken zijn van het inzage- en correctierecht tijdens het spreekuur lijnrecht tegenover elkaar staan. Ter zitting heeft klager aangegeven dat de verzekeringsarts liegt over het bespreken van het inzage- en correctierecht aan het einde van het spreekuurcontact.
Het college gaat in principe uit van de inhoud van het medisch dossier als waarheidsgetrouw, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. In het dossier heeft de verzekeringsarts specifiek over de reactie van cliënt/klager opgemerkt dat het advies tijdens het onderzoek aan hem is meegedeeld, dat hij het niet eens is met de strekking van het advies en dat cliënt/klager de beslissing van de gemeente afwacht en geen gebruik maakt van het inzage- en blokkeringsrecht. De verzekeringsarts heeft ter zitting nog opgemerkt dat klager daarbij heeft aangegeven dat hij zelf jurist was geweest.
De verzekeringsarts heeft in het dossier meer opgeschreven dan alleen dat klager geen gebruik maakt van het inzage- en blokkeringsrecht. Daar tegenover staat de niet onderbouwde stelling van klager dat verweerder hierover liegt. Het college is van oordeel dat, gelet op specifieke notitie van de verzekeringsarts op dit punt, niet aannemelijk is geworden dat het dossier niet waarheidsgetrouw is.
Het college is van oordeel dat gelet op het voorgaande het verweerder niet tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het inzage- en correctierecht en geen conceptrapportage naar klager heeft opgestuurd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.


Klachtonderdeel b) het rapport is in strijd met de medische gegevens van klager

5.5       Klager heeft ter zitting verklaard dat de medische gegevens die hij bedoelt gaan over het reizen voor de kerk met de trein en het gebruik van paracetamol. Daarmee is het rapport, naar de mening van klager, in strijd met het eerder opgemaakte rapport bij de Wmo-aanvraag voor zwaar huishoudelijk werk. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat er bij deze Wmo-aanvraag voor licht huishoudelijke hulp geen medische gegevens zijn opgevraagd.

5.6       Het college is van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is door klager welke medische gegevens niet goed in het adviesrapport zouden zijn weergegeven. De door klager genoemde treinreizen en het gebruik van paracetamol zijn geen medische gegevens waarover de verzekeringsarts tegenstrijdig zou hebben gerapporteerd. Er zijn door de verzekeringsarts ook geen medische gegevens opgevraagd. De verzekeringsarts heeft in de rapportage weergegeven dat klager medicatie gebruikt en naar aanleiding van klagers eigen verklaring opgetekend dat hij regelmatig met de trein reist. Dat in een eerdere adviesrapportage betreffende een andere Wmo-aanvraag andere dingen staan kan niet leiden tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt richting verweerder. Het college kan verweerder in zijn conclusie volgen dat klager omdat hij met de trein reist ook licht huishoudelijk werk kan verrichten. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.


Klachtonderdeel c) telefonisch contact met de gemeente op datum onderzoek

5.7       Klager stelt dat het onmogelijk is dat de verzekeringsarts op dezelfde dag als het spreekuurcontact plaatsvond telefonisch contact heeft gehad met de gemeente en dit niet in het rapport hoort te staan. De verzekeringsarts heeft ter zitting aangevoerd dat de organisatie waarvoor hij werkt altijd de gemeente inlicht als een cliënt is gesproken over de aanvraag.

5.8     Het college stelt vast dat in de adviesrapportage niet staat dat verweerder op dezelfde dag als hij klager heeft gesproken contact heeft gehad met de gemeente. Dit verwijt mist derhalve feitelijke grondslag. Ook als de organisatie waarvoor de verzekeringsarts werkzaam is de gemeente heeft gebeld op diezelfde dag leidt dit niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt nu de verzekeringsarts daar niet persoonlijk bij betrokken is. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.

Slotsom
5.9     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht ongegrond.  

Deze beslissing is gegeven door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, H.B.C. van der Meer, lid-jurist, M. Prenger, G. Koster en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op

27 oktober 2025.

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.