ECLI:NL:TGZCTG:2026:179 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3203

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:179
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 03-09-2026
Zaaknummer(s): C2026/3203
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: .

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3203 van:

A.,
bedrijfsarts,
(destijds) werkzaam in B., 
appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: de bedrijfsarts,


tegen


C., 
wonende in D., 
verweerder, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: mr. I. Mercanoğlu, werkzaam in Almelo.

1.    Verloop van de procedure
1.1    Klager heeft op 6 juni 2025 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Hij verwijt de bedrijfsarts – onder meer – dat hij heimelijk consulten heeft opgenomen zonder toestemming van klager en dat hij weigert de geluidsopnamen aan klager te verstrekken. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 23 januari 2026, onder nummer Z2025/8603 (ECLI:NL:TGZRZWO:2026:22), klager voor wat betreft de klachtonderdelen c tot en met h niet-ontvankelijk verklaard, de klachtonderdelen a, b en i gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij opgelegd de maatregel van een schorsing van de inschrijving in het BIG-register als bedrijfsarts voor de duur van een jaar, maar bepaald dat deze slechts ten uitvoer wordt gelegd indien de bedrijfsarts binnen een periode van twee jaren na het onherroepelijk worden van deze uitspraak opnieuw tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en voorts onder een aantal nader omschreven bijzondere voorwaarden. 

1.3    De bedrijfsarts heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld en een aanvullend beroepschrift ingediend. Klager heeft een verweerschrift ingediend.

1.4    Op de openbare zitting van 6 juli 2026 is de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde gesteld. Klager en de bedrijfsarts waren beiden aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I. Mercanoğlu. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het college beantwoord. 

1.5    Het Centraal Tuchtcollege heeft na afloop van deze mondelinge behandeling de ontvankelijkheid van het beroep in raadkamer beoordeeld en in het openbaar mondeling uitspraak gedaan. Wat hierna volgt is een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

2.    Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1    Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in het beroep, omdat het beroepschrift te laat is ingediend. Hierna wordt uitgelegd hoe dit college tot dat oordeel is gekomen.
2.2    In artikel 73, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is bepaald dat het beroep binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege kan worden ingesteld. In artikel 73, zevende lid, Wet BIG, is bepaald dat, wanneer het beroepschrift na afloop van die termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kon worden. 

2.3    Een kopie van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 23 januari 2026 is diezelfde dag per aangetekende post aan klager verstuurd. Dit betekent dat klager tot en met 6 maart 2026 de gelegenheid had om schriftelijk beroep in te stellen. 

2.4    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de beslissing op 12 februari 2026 retour ontvangen met als reden dat het poststuk niet was opgehaald. Diezelfde dag is de beslissing opnieuw aangetekend aan klager verzonden. In de begeleidende brief is vermeld dat de beroepstermijn is gaan lopen na de eerste verzending van de beslissing. Volgens informatie van PostNL is het poststuk van het Regionaal Tuchtcollege van 12 februari 2026 op 13 februari 2026 bij de bedrijfsarts bezorgd. De bedrijfsarts heeft op de zitting gezegd dat het poststuk (waarschijnlijk) is aangenomen door zijn echtgenote.

2.5    Op 11 maart 2026 heeft de bedrijfsarts aan het Regionaal Tuchtcollege een e-mailbericht gestuurd. Hij heeft hierin aangegeven dat hij die dag een brief van ‘VWS’ had ontvangen over zijn registratie in het BIG-register. Verder heeft hij aangegeven dat een huisgenoot hem die dag een aangetekend schrijven van het Regionaal Tuchtcollege met de beslissing in zijn tuchtzaak had overhandigd. De bedrijfsarts heeft het Regionaal Tuchtcollege in dit e-mailbericht verzocht om hem toe te staan om bezwaar te maken tegen deze beslissing. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het e-mailbericht van de bedrijfsarts aangemerkt als een beroep tegen de beslissing van 23 januari 2026 en dit ter behandeling doorgestuurd naar het Centraal Tuchtcollege. Daarbij is vermeld dat het Centraal Tuchtcollege de ontvankelijkheid van het beroep zal beoordelen. 

2.6    Uit het e-mailbericht van de bedrijfsarts van 11 maart 2026 kan worden opgemaakt dat hij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 23 januari 2026 en dat hij deze beslissing in beroep ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege wil voorleggen. Het Centraal Tuchtcollege is dan ook met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat het e-mailbericht kan worden aangemerkt als een beroepschrift tegen deze beslissing. Het beroepschrift is echter vijf dagen na afloop van de beroepstermijn, en dus te laat, door het Regionaal Tuchtcollege ontvangen. 

2.7    Het Centraal Tuchtcollege heeft de bedrijfsarts gevraagd naar de reden van de overschrijding van de beroepstermijn. De bedrijfsarts heeft in het aanvullend beroepschrift en op de zitting hierover verklaard dat hij uit protest tegen de wijze waarop de tuchtklachtprocedure bij het Regionaal Tuchtcollege werd gevoerd niet aan de procedure bij dat college wilde meewerken. Hij kwam naar eigen zeggen in verzet en weigerde de status van verweerder in die procedure op zich te nemen. De bedrijfsarts weigerde daarom ook post van het Regionaal Tuchtcollege te openen en stuurde deze retour. Op de zitting heeft hij verder verteld dat hij destijds gespannen was en overwerkt en dat hij zich met andere zaken bezighield. De bedrijfsarts heeft de brief van het Regionaal Tuchtcollege van 12 februari 2026 (die hij niet retour had gestuurd) naar eigen zeggen pas geopend na ontvangst van de brief van het ministerie van VWS over zijn BIG-registratie. Toen pas kwam hij erachter dat aan hem een tuchtrechtelijke maatregel was opgelegd.

2.8    Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de bedrijfsarts hiermee niet aangetoond dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kon worden. De overschrijding van de beroepstermijn is een gevolg van de keuze van de bedrijfsarts om geen medewerking te verlenen aan de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege en – in het verlengde daarvan – geen aangetekende post van het Regionaal Tuchtcollege aan te nemen respectievelijk te openen. Hij heeft in eerste aanleg in dit verband (per brief) kenbaar gemaakt dat hij dat college niet erkent als onafhankelijk orgaan. Het Centraal Tuchtcollege is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat de bedrijfsarts door zwaarwegende persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was om voor het einde van de beroepstermijn beroep in te stellen.  

2.9    De conclusie is dat de bedrijfsarts niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. 

3.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart de bedrijfsarts niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beslissing is genomen door A.S. Gratama, voorzitter, A.R.O. Mooy en M.C. Stoové, 
leden-juristen, en A.H.J.M. Sterk en J. Hermans, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.
Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.