ECLI:NL:TGZRZWO:2026:22 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8603

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:22
Datum uitspraak: 23-01-2026
Datum publicatie: 29-01-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8603
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een bedrijfsarts die heimelijk geluidsopnamen heeft gemaakt van consulten van een patiënt en die daarna weigert aan de patiënt te geven. Tevens gegronde klacht over het zich onttrekken aan toetsing door het tuchtcollege en weigering om zich toetsbaar op te stellen. Gezien eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen wordt een schorsing voor de duur van een jaar opgelegd, maar voorwaardelijk onder stringente voorwaarden, gericht op persoonlijke en professionele ontwikkeling, in de omgang met cliënten en in conflictsituaties of geschillen.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 23 januari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: mr. I. Mercanoglu, advocaat te Almelo,

tegen

C,

bedrijfsarts,

(destijds) werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Verweerder was als bedrijfsarts betrokken bij de begeleiding van klager bij ziekte. Klager verwijt de bedrijfsarts, onder meer, het heimelijk opnemen van consulten en het weigeren van verstrekken van de opnames. Ook verwijt klager de bedrijfsarts medisch onzorgvuldig gehandeld te hebben.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht (deels) gegrond is en legt een schorsing op van één jaar, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 juni 2025;
  • de brief van de secretaris van 2 juli 2025, gericht aan verweerder, met het verzoek schriftelijk op het klaagschrift te reageren;
  • een herhaald verzoek van de secretaris van 5 augustus 2025 om schriftelijk op het klaagschrift te reageren, nu de brief van 2 juli 2025 met het klaagschrift retour is gekomen;
  • de brief van de secretaris van 4 september 2025, met een uitnodiging voor de zitting;
  • een schriftelijke reactie van verweerder, ontvangen op 8 september 2025, inhoudende dat verweerder het tuchtcollege niet als onafhankelijk orgaan voor het beoordelen van de klacht erkent;
  • brieven van de secretaris van 16 september en 6 oktober 2025, dat de behandeling van de klacht wordt voortgezet, een laatste termijn voor het indienen van een verweerschrift wordt geboden en een uitnodiging voor de zitting op 12 december 2025;
  • een brief van verweerder van 27 september 2025, waarin hij (onder meer) kenbaar maakt geen reactie op het klaagschrift te zullen geven;
  • een aanvullend klaagschrift, ontvangen op 11 oktober 2025, met een uitbreiding van de klacht;
  • een brief van de secretaris van 27 oktober 2025, met het verzoek aan verweerder op de uitbreiding op de klacht te reageren;
  • een brief van verweerder, ontvangen op 1 december 2025, met onder meer de mededeling dat hij niet op zitting zal verschijnen.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 december 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder was afwezig. Klagers gemachtigde heeft namens hem het woord gevoerd en een pleitnotitie voorgelezen en aan het college overhandigd.
 

3. De feiten
 

Het college ontleent aan een eerdere uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (Centraal Tuchtcollege) van 12 maart 2025 (gepubliceerd onder ECLI:NL:TGZCTG:2025:36) in een eerder beoordeelde klacht van klager tegen verweerder de volgende feiten. Deze feiten staan vermeld onder overweging 3.1 tot en met 3.15 van deze beslissing.
 

3.1       Klager werkte als magazijnmedewerker. Na een ziekteperiode van maart 2022 tot hersteldmelding per 6 juni 2022 meldde klager zich op 9 augustus 2022 opnieuw ziek. De bedrijfsarts was bij beide ziekmeldingen als bedrijfsarts betrokken.
 

3.2       Op 4 januari 2023 zag de bedrijfsarts klager op zijn spreekuur. Klager was op dat moment nog volledig arbeidsongeschikt. De bedrijfsarts concludeerde dat er duidelijke kenmerken waren van een stemmings- of depressieve stoornis en ook een aanwijzing voor psychopathologie en/of mogelijke ontwikkelings-/ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De bedrijfsarts vond klager onbelastbaar voor het eigen werk maar niet voor vergelijkbaar werk ergens anders.
 

3.3       Bij e-mail van 11 januari 2023 heeft de gemachtigde van klager zich bij de bedrijfsarts geïntroduceerd als advocaat van klager en vroeg hij aandacht voor de psychische problemen van klager.
 

3.4       Op 7 maart 2023 ontving de bedrijfsarts een brief van de huisarts van klager van 21 februari 2023 met daarbij gevoegd een brief van E van 4 maart 2022 en een brief van een GZ-psycholoog van F van 24 november 2022. In deze laatste brief werd geconcludeerd dat sprake was van een depressieve stoornis en een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (DSM-5 classificatie). Oxazepam en olanzapine werden voorgeschreven en in verband met de complexiteit van de problematiek zou behandeling in de specialistische GGZ worden aangeboden. De bedrijfsarts noteerde op 22 maart 2023 dat naar aanleiding van de ontvangen informatie geen sprake was van een volledige beperking van arbeidsvermogen en dat tweede spoor activiteiten bespreekbaar moesten zijn.

3.5       Op 7 juni 2023 zag de bedrijfsarts klager op zijn spreekuur. Hij noteerde als beleid (citaten zijn overgenomen inclusief eventuele verschrijvingen): “akkoord t.a.v. wens van de werknemer om 5 uur de week een aanvang te maken met arbeid. En het effect hiervan over 4-6 weken met elkaar te evalueren. En daarnaast zal ik een IZP maken voor het vervroegde tweede spoor.” De bedrijfsarts stelde nog dezelfde dag een inzetbaarheidsprofiel (hierna: IZP) op. Daarin noteerde hij bij de aanvullende opmerkingen ook dat het verstandig zou zijn dat werkgever of werknemer een deskundigenoordeel bij het UWV zou aanvragen.

3.6       In een e-mail van 7 juni 2023 schreef de bedrijfsarts aan de advocaat van klager:

“[…]

Als bedrijfsarts ga ik aanvullende medische aanvragen bij zijn behandelaar en heb de werknemer en zijn vrouw op gewezen dat ik nog gemoedwillig ben om in het gaan op het verzoek van uw client om arbeid op korte termijn te hervatten ook niet als dit arbeid migrerend van aard is.

Wel heb ik uw client en zijn partner op gewezen dat als ik de werknemer over 4-6 weken spreek er wel een advies gaat komen tot arbeid in zeer geringe mate i.v.m. een meer sporen beleid: sociale wetgeving en de waarde en betekenis van arbeid in de regelmaat en structuur en daarbij bevorderend voor herstel.” 

3.7       Op 12 juni 2023 stuurde de bedrijfsarts een verslag van de beoordeling van 7 juni 2023 naar klager. Daarin schreef hij onder meer dat met klager was besproken dat medische informatie bij de behandelaar zou worden opgevraagd. Als re-integratieadvies en urenopbouw schreef hij: “Het is onder de huidige belastbaarheid voor arbeid verantwoord om per 19 juni 2023 5 uur de week op het werk aanwezig te zijn in aangepast werk en het doel is om de drempel naar arbeid binnen het eerste ziektejaar mogelijk te maken. Dit vooral op verzoek van de werknemer. Bedrijfsarts acht de werkgever voldoende in staat om de werknemer te begeleiden naar zijn arbeid.”

3.8       De advocaat van klager liet in een e-mail van 13 juni 2023 aan de bedrijfsarts weten dat klager na het consult op 7 juni 2023 in de veronderstelling was dat na vier tot zes weken een nieuw consult zou volgen om te bekijken hoe klager zou re-integreren. De advocaat van klager schreef verder dat hij de eerdere e-mail van de bedrijfsarts zo had gelezen dat een advies zou volgen als de informatie van de behandelend sector zou zijn ontvangen. De advocaat wees verder op de omstandigheid dat klager inmiddels een e-mail had gekregen van de werkgever dat hij vijf uur moest werken. Hij verzocht de bedrijfsarts om een reactie en gaf aan de werkgever in afwachting daarvan te informeren dat klager zijn werkzaamheden nog niet kon hervatten.

3.9       Op 22 juni 2023 had de bedrijfsarts telefonisch overleg met de behandelend psychiater. De bedrijfsarts noteerde als conclusie van dit telefoongesprek dat sprake was van een forse depressie en dat de psychiater ook verwees naar psychotische kenmerken bij een man die erg gevoelig is voor discriminatie. Afgesproken werd dat in verband met de depressie de druk naar arbeid tijdelijk zou worden uitgesteld.

3.10     Een HR-medewerker van de werkgever nodigde klager in een e-mail van vrijdag 23 juni 2023 uit de maandag daarop te starten met de re-integratie.

3.11     Omdat de bedrijfsarts niet had gereageerd op de e-mail van 13 juni 2023, stuurde de advocaat van klager op 23 juni 2023 opnieuw een e-mail aan de bedrijfsarts. Hij deelde daarin onder meer mee dat klager de maandag daarna (26 juni 2023) al zou moeten starten en schreef – kort gezegd – dit onverantwoord te vinden.

3.12     De bedrijfsarts accordeerde volgens zijn verslag op 23 juni 2023 het eerder opgestelde IZP. Daarnaast adviseerde de bedrijfsarts dat het noodzakelijk was dat klager tot nader order niet zou deelnemen aan arbeid en dat dit ook gold voor deelname in het tweede spoor tot het UWV een deskundigenoordeel had gegeven. De bedrijfsarts noteerde ook dat als het UWV hier te lang over zou doen, hij de regie zou terugnemen. In een e-mail van zaterdag 24 juni 2023 aan klager, de advocaat van klager en de werkgever, bevestigde de bedrijfsarts dit advies.

3.13     In een brief van 23 juni 2023 van de behandelend psychiater aan de bedrijfsarts schreef zij onder meer dat het afwachten was of de verhoging van de medicatie en de psychotherapie met EMDR het toestandsbeeld nog zou kunnen verbeteren of niet.

Bij een volgend consult op 12 juli 2023 noteerde de bedrijfsarts dat medische informatie was ontvangen van de psychiater op 29 juni 2023. Hij concludeerde dat klager volledig onbelastbaar was de komende drie maanden en dat dit ook gold voor het tweede spoor.

3.14     Klager werd op 18 juli 2023 gezien door de verzekeringsarts van het UWV. Deze constateerde dat werkhervatting per 19 juni 2023 niet (meer) aan de orde was na het laatste advies van de bedrijfsarts. Desondanks beantwoordde de verzekeringsarts de (eerder) aan de orde gestelde vraag of klager per 19 juni 2023 arbeidsgeschikt was. De verzekeringsarts concludeerde dat er sprake was van een ernstig ziektebeeld met forse beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren. Hij achtte het onmogelijk dat klager zou kunnen functioneren in werk op 19 juni 2023.

3.15     Op 1 november 2023 zag de bedrijfsarts klager weer op zijn spreekuur. Hij was niet op de hoogte van het door de verzekeringsarts van het UWV gegeven deskundigenoordeel. De bedrijfsarts achtte klager volledig arbeidsongeschikt voor het eigen werk bij zijn werkgever. Wel achtte hij klager per 13 november 2023 in beperkte mate (drie uur per week) in staat oriënterende inspanningen ten behoeve van het tweede spoor te ondernemen, zonder dat klager in contact mocht komen met de werkgever. Klager werd in een brief van 14 november 2023 door een coach van G uitgenodigd voor maandelijkse coachingsessies.


(voor de leesbaarheid wordt hier verdergegaan qua nummering)
 

3.16     Na ontvangst van een tuchtklacht tegen de bedrijfsarts was er op 22 december 2023 telefonisch contact tussen klager en de bedrijfsarts. De begeleiding van klager werd overgedragen aan een andere bedrijfsarts. De ingediende tuchtklacht werd door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle bij beslissing van 15 juli 2024 deels gegrond verklaard (gepubliceerd onder ECLI:NL:TGZRZWO:2024:87). Aan de bedrijfsarts werd een schorsing van de bevoegdheid om de aan de inschrijving in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van een maand opgelegd. De bedrijfsarts heeft hiertegen beroep ingesteld.

3.17     Bij e-mail van 12 februari 2025 e-mailde de gemachtigde van klager het volgende aan de verweerder:
Op 29 januari 2025 hebt u tijdens de zitting – tot mijn grote verbazing – verklaard dat u de gesprekken met A zou hebben opgenomen. Ter zitting heb ik aangegeven dat u klachtwaardig hebt gehandeld, aangezien u deze opnames hebt gemaakt zonder toestemming of medeweten van mijn cliënt. Ik wil graag van u weten met welk doel u deze gesprekken hebt opgenomen en waarom u tot 29 januari 2025 niets over deze opnames hebt laten weten.” 

Verweerder reageerde dezelfde dag op deze e-mail en schreef:
Goede middag,
Nu even geen gedoe van jouw.

Zie hier onder. Vanuit de Raad van Staten ga ik zo metteen mijn 4de van mijn 9 kinderen bijstaan bij haar beëdiging tot Advocaat.

De kans is groot dat ik inhoudelijk niet op uw mail ga reageren conform de uitleg van de voorzitter van de zitting. RUST en VREDE. De optelsom daarvan is groter dan de onderdelen waar u mee bezig bent en dus wordt u verdrongen
.”

Op 25 februari 2025 stuurde de gemachtigde van klager wederom een e-mail naar verweerder, met de volgende inhoud:
Ik neem aan dat u niet langer zult reageren. Ik ben van mening dat u verantwoordelijkheid dient te nemen voor uw handelingen en beslissingen, hetgeen u nalaat. Door niet te reageren, laat u uw cliënt in de kou staan. Dit acht ik onprofessioneel en niet in overeenstemming met de zorgvuldigheid die van een bedrijfsarts mag worden verwacht. Ik had een andere houding van een bedrijfsarts verwacht. Zodra ik de beslissing van het Tuchtcollege uit Den Haag heb ontvangen, zal ik dan ook een tweede tuchtklacht indienen.”

3.18     Op 12 maart 2025 is door het Centraal Tuchtcollege beslist op het door de bedrijfsarts ingestelde beroep. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling in beroep zijn oorspronkelijke klacht als volgt uitgebreid dan wel aangevuld:
- de bedrijfsarts heeft tijdens de zitting in beroep opgemerkt dat hij opnamen heeft gemaakt van zijn gesprekken met klager en klager acht dit klachtwaardig;

- de bedrijfsarts heeft in eerste aanleg en beroep tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo heeft de bedrijfsarts in eerste aanleg verklaard dat de door hem voor klager opgestelde machtigingsformulieren op het secretariaat zijn blijven liggen en in beroep heeft de bedrijfsarts verklaard dat hij deze formulieren niet heeft opgesteld; en
- tijdens de zitting in beroep heeft de bedrijfsarts verklaard dat hij telefonisch informatie heeft ingewonnen bij psycholoog H, terwijl dit niet juist kan zijn omdat deze psycholoog alleen I en dus geen Nederlands spreekt.
Het Centraal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klager hiermee zijn oorspronkelijke klacht ongeoorloofd heeft uigebreid en heeft klager in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

3.19     Ten aanzien van klachtonderdeel a, zijnde het verwijt dat de bedrijfsarts onzorgvuldig heeft gehandeld door medische informatie van de behandelaars niet op te vragen en/of niet te betrekken bij zijn adviezen, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt:
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat navolgbaar en verdedigbaar is dat de bedrijfsarts op 7 juni 2023 op grond van de op dat moment beschikbare medische gegevens en het beeld dat de bedrijfsarts van klager had gekregen heeft geadviseerd de werkzaamheden te hervatten met vijf uur per week en niet eerst de opgevraagde medische informatie af te wachten. Dat betekent dat klachtonderdeel a. ongegrond is.”

3.20     Het Centraal Tuchtcollege overweegt verder ten aanzien van klachtonderdeel c, zijnde het verwijt dat de bedrijfsarts onzorgvuldig heeft gehandeld door het deskundigenoordeel van het UWV van 18 juli 2023 niet te betrekken bij zijn consult op
1 november 2023, als volgt:
Evenals het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts er op 1 november 2023 vanuit mocht gaan dat het deskundigenoordeel inmiddels was gegeven. Het had op de weg van de bedrijfsarts gelegen om dit deskundigenoordeel tijdens het consult op 1 november 2023 met klager te bespreken en in zijn oordeelsvorming te betrekken. Dat de bedrijfsarts dit heeft nagelaten, kan hem worden aangerekend. Dat betekent dat klachtonderdeel b. gegrond is.”

3.21     Verder volgt het Centraal Tuchtcollege de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege ten aanzien van de door klager ervaren discriminatie en onveiligheid bij de werkgever. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

3.22     Het Centraal Tuchtcollege acht een andere maatregel dan een waarschuwing niet passend gelet op de aard en de strekking van het gegrond verklaarde klachtonderdeel. Het Centraal Tuchtcollege overweegt tot slot:
Dit neemt niet weg dat het Centraal Tuchtcollege op grond van de opmerkingen van de bedrijfsarts en zijn presentatie tijdens de zitting in beroep zorgen heeft over zijn beroepsmatig functioneren. Deze zorgen zien op de invulling van zijn praktijkvoering, de zorgvuldigheid in zijn handelen en zijn wijze van communiceren. Daarbij lijkt het de bedrijfsarts te ontbreken aan voldoende reflecterend vermogen op zijn handelen. Zo heeft de bedrijfsarts desgevraagd bijvoorbeeld verklaard en uitgelegd dat de tegen hem door klager ingediende klachten ertoe hebben geleid dat hij sindsdien op “sluwe wijze” zijn dossiervoering vormgeeft en dat hij gesprekken met patiënten (zonder dit kenbaar te maken) opneemt. Het Centraal Tuchtcollege adviseert de bedrijfsarts daarom dringend om kritisch te reflecteren op zijn beroepsmatig functioneren. Het College raadt de bedrijfsarts in dit verband met klem aan om bij intercollegiale toetsing, bij- en nascholing en in het visitatieproces aandacht te besteden aan transparante communicatie en het verbeteren van zijn mondelinge en schriftelijke communicatie- en adviesvaardigheden.”


3.23     Op 18 maart 2025 stuurde de gemachtigde van klager een e-mail naar de bedrijfsarts. Hierin schreef hij onder meer namens klager voor te stellen een gesprek aan te gaan met als doel overeenstemming te bereiken over de vergoeding van de gemaakte kosten. Daarnaast wees hij erop dat klager nog vier klachten tegen de bedrijfsarts kon indienen, waaronder de geluidsopnames, het gesprek met de psycholoog, communicatie met klager en tegenstrijdige verklaringen over de machtigingsformulieren.
 

3.24     Klager diende vervolgens op 6 juni 2025 onderhavige tuchtklacht in.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
 

4.1     Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij:

a) heimelijk consulten heeft opgenomen zonder toestemming van klager;
b) weigert de audio opname te verstrekken;
c) een twijfelachtig beroep doet op (vermeende) communicatie met behandelaar;
d) structureel gebrekkig communiceert richting klager;
e) medisch inhoudelijk onzorgvuldig heeft gehandeld bij de diagnosestelling en consultatie;
f) onvolledig en misleidend heeft genoteerd in het medisch dossier;
g) signalen van ernstige psychische klachten heeft genegeerd en heeft gediscrimineerd;
h) onrealistische en niet onderbouwde adviezen heeft gegeven met betrekking tot de inzetbaarheid;
i) zich onprofessioneel opstelt en het gezag van het tuchtcollege afwijst;
j) warrige, onsamenhangende uitlatingen doet.

4.2     Verweerder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Wel stelt hij dat hij het tuchtcollege niet erkent als onafhankelijk orgaan en geeft hij geen toestemming eenzijdig een oordeel te vellen. Er is sprake van een persoonlijke vete tussen de gemachtigde van klager en verweerder zelf. Als de gemachtigde van klager zich laat vervangen door een andere jurist, stelt verweerder volledig mee te werken.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

Ontvankelijkheid

5.1     De huidige klachten van klager bevatten deels klachten over feiten of gedragingen van verweerder die hem zijn gebleken na het indienen van de door het Centraal Tuchtcollege bij uitspraak van 12 maart 2025 afgedane klachten en deels ook klachten die (opnieuw) zien op de wijze waarop verweerder klager heeft behandeld c.q. begeleid. Die laatste betreffen de klachtonderdelen c tot en met h. Deze klachtonderdelen betreffen het handelen van verweerder dat eerder aanleiding is geweest voor een tuchtrechtelijke toetsing, maar worden nu vanuit een andere invalshoek opnieuw voorgelegd. Artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat niemand nogmaals berecht kan worden ter zake van enig handelen of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Dit wordt het ne bis in idem-beginsel genoemd. In zijn uitspraak van 23 november 2022 (ECLI:NL:TGZCTG:2022:192) heeft het Centraal Tuchtcollege over deze situatie geoordeeld: “De derde tuchtklacht betreft hetzelfde feitencomplex en hetzelfde handelen van de verzekeringsarts als de eerste en tweede tuchtklacht en het verwijt dat klager de verzekeringsarts met de derde tuchtklacht maakt, wijkt in de kern niet af van het eerder gemaakte verwijt. De conclusie is dat de eerste, tweede en de derde tuchtklacht hetzelfde feitencomplex betreft en in wezen aan elkaar gelijk zijn. Dat klager op ondergeschikte onderdelen nieuwe argumenten naar voren brengt maakt dit niet anders.” Dit leidt ertoe dat de klachtonderdelen c tot en met h niet opnieuw aan het college kunnen worden voorgelegd. Ten aanzien van deze klachtonderdelen is klager dan ook niet-ontvankelijk.

5.2     Ten aanzien van de klachtonderdelen a en b, is klager wel ontvankelijk. Dit betreft immers handelen dat valt onder artikel 47, lid 1, aanhef en onder a van de Wet BIG en handelen dat nog niet eerder aan het college ter beoordeling is voorgelegd. Voor wat betreft de laatste twee klachtonderdelen (i en j) komt het college nog specifiek terug op de ontvankelijkheid onder de tweede tuchtnorm.

De criteria voor de beoordeling
5.3     De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdelen a en b) heimelijke opname consulten en de weigering tot verstrekking van van de audio-opname
5.4     Vanwege de samenhang zal het college deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken. Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij zonder zijn toestemming audio-opnames heeft gemaakt van hun consultgesprekken. Klager ontleent de grond van dit klachtonderdeel aan uitlatingen die verweerder heeft gedaan op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 januari 2025. Verweerder heeft dit klachtonderdeel niet weersproken. In de beslissing van het Centraal Tuchtcollege is de overweging opgenomen zoals weergegeven in deze uitspraak onder 3.22. Hoewel deze overweging een algemene strekking heeft en niet specifiek ziet op gesprekken met klager zelf, heeft klager onweersproken gesteld dat verweerder ook in de contacten met klager geluidsopnames heeft gemaakt. Het college heeft ook geen reden om hieraan te twijfelen. Het heimelijk maken van geluidsopnames door een zorgverlener is een handeling die in strijd is met de hierboven genoemde tuchtnorm van art. 47 lid 1, aanhef en onder a Wet BIG en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar.1

1 KNMG-handreiking-Opnemen-van-gesprekken-door-patiënten (2017), 2.11 (p.11)


5.5     Klager heeft na het bekend worden van het bestaan van de audio-opnames om een kopie of inzage van deze opnames verzocht. Verweerder heeft de opnames niet aan klager ter beschikking gesteld, aldus klager. Verweerder heeft enkel per e-mail op 12 februari 2025 aan de gemachtigde van klager gereageerd met de mededeling dat hij het “gedoe” vindt en geschreven dat de kans groot is dat hij niet inhoudelijk gaat reageren op de e-mail. Het college heeft verweerder vervolgens herhaaldelijk de gelegenheid geboden te reageren, maar verweerder heeft dit nagelaten. Het college moet het er nu voor houden dat verweerder de gemaakte geluidsopnames niet aan klager heeft willen verstrekken en ook dat is, op dezelfde grond als bij klachtonderdeel a tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Klachtonderdeel i en j) onprofessionele houding en procesvoering

5.6       Klachten over een opstelling of houding van een zorgverlener in het kader van een tuchtprocedure kunnen slechts bij wijze van uitzondering onder de tweede tuchtnorm ontvangen worden, waarbij het gaat over handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Een verweerder in een tuchtprocedure mag immers niet geschaad worden in diens recht op een eerlijk proces en dient zich voldoende vrij te voelen om zich te verweren op de wijze die hem goeddunkt. In de onderhavige zaak werkt de opstelling van verweerder direct door op klagers belang om minimaal enige feitelijke opheldering van verweerder te krijgen rond (het bestaan van) de geluidsopname, ook bij de behandeling van diens klacht in deze procedure. Daarom is klager in dit onderdeel, onder deze omstandigheden, ontvankelijk.

5.7       De bedrijfsarts stelt dat hij het tuchtcollege niet erkent als onafhankelijk orgaan en dat hij het tuchtcollege geen toestemming geeft eenzijdig een oordeel te vellen. De bedrijfsarts weigert voorts het klaagschrift te openen en inhoudelijk kennis te nemen van de klacht. Hij schrijft: “Ik heb nimmer inhoudelijk kennis genomen van het klaagschrift (…) Nimmer de inhoud geopend.” Ook stelt hij ongepaste voorwaarden aan zijn medewerking, zoals zijn eis dat de klager een andere advocaat moet inschakelen voordat hij bereid is mee te werken. Daarnaast getuigt de wijze waarop de bedrijfsarts zich uitlaat in relatie tot het tuchtcollege en de tuchtprocedure van een ernstig gebrek aan professionaliteit. In zijn brief van 27 september 2025 schrijft verweerder bijvoorbeeld: “Er komt een man in de spreekkamer met een wapen en wilt in de fabriek zijn collega’s gaan doodschieten. Ik grijp in en u gaat vervolgens over een tuchtklacht die gaat over zijn klacht dat ik niet zijn belang heb gediend. Dit is zulk een ernstige dwaling door u dat ik u alleen binnen artikel 1781 kan aanspreken (…) Nu ben ik gedwongen om u aan te houden en aan te spreken naar Amerikaanse Recht artikel 1781 (…) “Cc: Raad van Staten (Nederlands Maat Recht), Brussel (conventie) USA ( artikel 1781 verzoek aansprakelijkheid Nederlands Tucht Collega voor de gezondheidszorg).”

5.8       Verweerder is echter onderworpen aan de regelgeving die op zijn beroepsgroep van toepassing is. De Wet BIG maakt daarvan deel uit. Het is niet aan verweerder om zich aan hem onwelgevallige onderdelen van die wet te onttrekken. Door dit wel te doen, handelt verweerder ook ten aanzien van dit klachtonderdeel tuchtrechtelijk verwijtbaar op grond van art. 47 lid 1, aanhef en onder b Wet BIG.

5.9       Ten aanzien van de uitlatingen van verweerder overweegt het college het volgende. Niet gebleken is dat verweerder tegenover klager als patiënt onsamenhangende uitspraken heeft gedaan. In zoverre is dit klachtonderdeel (j) ongegrond. Dat neemt niet weg dat het college met zorg heeft kennisgenomen van de brieven die verweerder aan het college heeft gestuurd die, kort gezegd, kant noch wal raken. Het doen van dergelijke ongefundeerde uitspraken, het in kopie sturen van zijn brieven aan de in die brieven gesuggereerde instanties en het stellen dat het tuchtcollege onder Amerikaans recht aansprakelijk zou zijn, duidt op een ernstig gebrek aan inzicht bij verweerder in de relevante (juridische) context en wat van hem als professional verwacht mag worden. Juist van een bedrijfsarts mag worden verwacht dat hij beschikt over voldoende professioneel inzicht om op een zorgvuldige wijze met klachten en geschillen om te gaan. Een bedrijfsarts werkt immers voortdurend in een spanningsveld, waarbij een professionele omgang met conflictsituaties of geschillen essentieel is.

5.10     Het college komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat de bedrijfsarts heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. De uitlatingen zijn niet alleen ongepast, onprofessioneel en ongefundeerd, maar vormen ook een risico voor het vertrouwen in de beroepsgroep. Klachtonderdeel i) wordt daarom gegrond verklaard.

Slotsom

5.11     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a, b, i gegrond zijn, klachtonderdeel j ongegrond is en klager in de overige klachtonderdelen niet-ontvankelijk is.

Maatregel

5.12     Met het gegrond zijn van de zojuist beoordeelde klachtonderdelen komt het college toe aan de vraag naar de aan verweerder op te leggen maatregel. Het college constateert allereerst dat verweerder al eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Zo is bij uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 10 januari 2022 aan verweerder een berisping opgelegd omdat (samengevat) verweerder onvoldoende blijk heeft gegeven van inzicht in zijn gebrekkig handelen en van overtuigende reflectie. Tevens is bij de eerder genoemde beslissing van
12 maart 2025 van het Centraal Tuchtcollege aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd wegens (samengevat) het niet verlenen van voldoende zorg ten opzichte van klager.
 

De in deze uitspraak vastgestelde gedragingen en gegronde klachtonderdelen zijn naar het oordeel van het college ernstige tekortkomingen in zijn handelen. Zij raken niet alleen aan de veiligheid van een cliënt, maar ook aan de basisvoorwaarde dat een professioneel handelende beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg zich voldoende toetsbaar dient op te stellen. Hieronder valt ook dat hij onderworpen is aan tuchtrechtspraak en zich onthoudt van een ook anderszins zeer onprofessionele opstelling. Door dat na te laten handelt verweerder laakbaar. Gekoppeld aan de wijze van communiceren moet er serieus aan getwijfeld worden of verweerder in staat is om op een verantwoorde manier zijn beroep uit te oefenen.

5.13     Dit leidt ertoe dat het college gezien de ernst van de verwijten in samenhang met de eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen komt tot een schorsing van de inschrijving in het BIG-register als bedrijfsarts voor de duur van een jaar, maar zal die voorwaardelijk opleggen, onder de hieronder te vermelden voorwaarden.

5.14     In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere bedrijfsartsen van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.


6.         De beslissing
 

Het college:

  • verklaart klager niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdelen c tot en met h;
  • verklaart deklachtonderdelen a, b en i gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt verweerder de maatregel van een schorsing van de inschrijving in het BIG-register als bedrijfsarts op voor de duur van een jaar, maar bepaalt dat deze slechts ten uitvoer wordt gelegd indien verweerder binnen een periode van twee jaren na het onherroepelijk worden van deze uitspraak opnieuw tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en voorts onder de volgende bijzondere voorwaarden:
    • dat hij zich voor supervisie onder begeleiding stelt van een BIG-geregistreerde bedrijfsarts, tevens supervisor en benoemd als visitator door het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) (hierna: de begeleider). De begeleiding is gericht op de volgens het beroepsprofiel van de bedrijfsarts benodigde competenties op het vlak van persoonlijke en professionele ontwikkeling, in de omgang met clienten en in conflictsituaties of geschillen, voor de frequentie en duur die deze begeleider noodzakelijk acht;
    • dat hij binnen een maand na de dag dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden opgave doet van de persoon van de begeleider aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de begeleider ervan in kennis stelt dat de IGJ bij de begeleider informatie kan inwinnen over de aard, globale inhoud, voortgang en frequentie van de begeleiding en aan de begeleider toestemming geeft om deze informatie aan de IGJ te verstrekken;
    • dat hij de IGJ schriftelijk laat weten wanneer de begeleiding met instemming van de begeleider is voltooid, welke brief of verklaring door de begeleider mede ondertekend dient te worden ten bewijze van instemming daarmee en, indien de begeleiding niet is voltooid binnen de proeftijd, hiervan schriftelijk aan de IGJ mededeling te doen onder bijsluiting van een voortgangsrapportage door de begeleider;
    • dat hij binnen een jaar na de dag dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden een visitatie succesvol afrondt, zoals beschreven in het Visitatiereglement 2025 van de NVAB;
  • draagt de IGJ op toezicht te houden op de hiervoor genoemde voorwaarden;
  • bepaalt dat de proeftijd en de voorwaarden ingaan op de dag dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en Tijdschrift voor Bedrijfs en Verzekeringsgeneeskunde (TBV).

Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, M. Mostert, lid-jurist,
M.L.A. Kleinjan-Lüschen, M. Prenger en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter



 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

[1] KNMG-handreiking-Opnemen-van-gesprekken-door-patiënten (2017), 2.11 (p. 11).