ECLI:NL:TGZCTG:2026:178 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2996

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:178
Datum uitspraak: 02-09-2026
Datum publicatie: 02-09-2026
Zaaknummer(s): C2025/2996
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts, werkzaam bij een arbodienst, onder supervisie van een BIG-geregistreerde bedrijfsarts. De inschrijving van de arts in het BIG-register is voor de duur van drie maanden geschorst geweest. In deze periode is klager twee keer bij de arts op het spreekuur geweest. Het Regionaal Tuchtcollege is tot het oordeel gekomen dat de arts vanwege de schorsing deze werkzaamheden niet had mogen uitvoeren en heeft aan de arts de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het hiertegen door de arts ingestelde beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2996 van:

A., 
arts,
werkzaam in B.,
appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: de arts,

tegen

C.,
wonende in D.,
verweerder in beroep, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
gemachtigde: E., wonende in D.

1.    Kern van de zaak
1.1    De arts is werkzaam bij een arbodienst, onder supervisie van een BIG-geregistreerde bedrijfsarts. De inschrijving van de arts in het BIG-register is voor de duur van drie maanden geschorst geweest. In deze periode is klager twee keer bij de arts op het spreekuur geweest.

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch is tot het oordeel gekomen dat de arts vanwege de schorsing deze werkzaamheden niet had mogen uitvoeren en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat college heeft aan de arts de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register opgelegd dan wel de arts, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden van die beslissing niet is ingeschreven in het register, het recht ontzegd om weer in dit register te worden ingeschreven. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het door de arts ingestelde beroep tegen die uitspraak.

2.    Verloop van de procedure
2.1    De arts heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te ’s Hertogenbosch van 27 augustus 2025 met nummer H2024/7757 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:100). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.

2.3    De zaak is op de zitting van 6 juli 2026 behandeld. Klager is met bericht niet verschenen. Hij werd op de zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, E. De arts heeft vanwege zijn medische conditie via een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. 

3.    Feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. 

3.2    De arts is – onder meer - tot medio 2024 werkzaam geweest bij een arbodienst waar hij onder supervisie van een BIG-geregistreerde bedrijfsarts heeft gewerkt.

3.3    Met de beslissing van 31 januari 2024 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg ’s-Hertogenbosch een klacht tegen de arts gegrond verklaard en aan de arts de maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van drie maanden van de bevoegdheid om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen. De arts heeft tegen die beslissing geen beroep ingesteld. Daarmee is de beslissing onherroepelijk geworden. De schorsing gold vanaf 14 maart 2024 tot en met 13 juni 2024. De klacht in die zaak hield in dat de klager niet serieus zou zijn genomen door de arts en dat een verzoek van de klager om een second opinion door de arts niet was beantwoord. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in die beslissing overwogen dat de arts de klager consequent heeft genegeerd door niet te doen wat hij de klager had toegezegd en hem daarna niet te berichten; ook niet nadat de advocaat van de klager hem had gevraagd mee te werken aan een second opinion. Dat college overwoog verder dat de arts de klager in de kou had laten staan en daarmee het risico op gezondheidsschade en eventuele arbeidsongeschiktheid had vergroot. 

3.4    De klager in de nu voorliggende zaak is vier keer bij de arts op het spreekuur geweest. Twee van de vier keer viel het spreekuurbezoek in de periode waarin de schorsing van kracht was, te weten op 1 mei 2024 en 29 mei 2024. Daar is klager later achter gekomen.

3.5    De arts heeft over het spreekuur op 1 mei 2024 aan de werkgever de volgende schriftelijke terugkoppeling gegeven: (citaten inclusief eventuele taal- en spelfouten) 
“- werknemer is in afwachting van de uitslag van een diagnostisch onderzoek
- herbeoordelen spreekuur arts (naam arbodienst) over 4 weken
- dan is de uitslag vanuit recente diagnostiek bekend en zullen resultaten van eerdere
  onderzoeken worden bekeken 
- aan de hand hiervan opstellen FML en verdere follow up”

3.5    De arts heeft over het spreekuur op 29 mei 2024 de volgende terugkoppeling gegeven:
“- inmiddels is sprake van een bevestigde diagnose
- deze maakt dat er de komende dagen / weken sprake is van aanvullende diagnostiek en
   beleid
- hier voor nu voorrang aan geven
- vraag m.b.t. aangepast werk even “parkeren”
- herbeoordelen 4 weken”.

3.6    Onderaan de beide terugkoppelingen is de naam van de arts en de titel ‘arts’ vermeld.

4.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    Klager verwijt de arts dat hij tijdens de aan hem opgelegde schorsing van drie maanden (vanaf 14 maart 2024 tot en met 13 juni 2024) op 1 mei 2024 en op 29 mei 2024 spreekuur heeft gehouden.

4.2    De arts is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog ongegrond te verklaren, of althans een lichtere maatregel op te leggen. 

4.3    Klager heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van de arts te verwerpen. 

4.4     Dit betekent dat de oorspronkelijke klacht in beroep in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.

Toetsingskader
4.5    De vraag die moet worden beantwoord is of de arts met zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. 

Inhoudelijke beoordeling
4.6    Artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG) heeft de registers in het leven geroepen waar personen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen zich kunnen laten inschrijven, onder meer als arts. Deze registratie is een constitutieve registratie. Dat wil zeggen dat door de inschrijving:
•    het recht ontstaat om de wettelijke beschermde beroepstitel te voeren;
•    de bevoegdheid ontstaat om werkzaam te zijn op een bepaald gebied van de gezondheidszorg;
•    de ingeschrevene is onderworpen aan het tuchtrecht.

4.7    Door de in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 31 januari 2024 aan de arts opgelegde schorsing van de bevoegdheid om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, mocht de arts gedurende drie maanden niet als zodanig werkzaam zijn in de gezondheidszorg en de beschermde artsentitel niet voeren. 

4.8    De arts heeft in zijn beroepschrift naar voren gebracht dat hij gedurende de schorsingsperiode maar beperkt werkzaamheden heeft verricht en dat deze werkzaamheden geen medisch karakter hadden. Het ging daarbij om overdracht van dossiers aan collega’s of casemanagers en inzet van arbeidsdeskundigen om de continuïteit van de dienstverlening te kunnen garanderen. Ook verrichte hij ondersteunende werkzaamheden variërend van administratie tot ondersteuning aan de telefooncentrale in verband met personele krapte, aldus de arts. De arts wil hiermee kennelijk betogen dat hij gedurende de schorsingsperiode niet als arts werkzaam is geweest. Het Centraal Tuchtcollege volgt de arts niet in dit betoog. Door in de periode waarin hij was geschorst klager tweemaal op zijn spreekuur te ontvangen en een terugkoppeling van deze gesprekken aan de werkgever te geven, heeft de arts als zodanig in de gezondheidszorg gewerkt en zijn titel gebruikt. Hij was daar op dat moment niet toe bevoegd. 

4.9    Dat de arts in de periode waarin hij geschorst was onbevoegd heeft gehandeld is tijdens de zitting ook bevestigd. De arts heeft naar aanleiding van vragen van het Centraal Tuchtcollege verteld dat hij een eigen bedrijf voor verzuimbegeleiding heeft en dat hij in verband met de schorsing het klantenbestand van zijn bedrijf heeft overgedragen aan een (andere dan de hier aan de orde zijnde) arbodienst. Daarnaast werkte de arts één keer per twee weken voor zes uur – onder supervisie – voor de arbodienst waar de werkgever van klager bij was aangesloten. Dat is hij tijdens zijn schorsing blijven doen. Hij heeft naar eigen zeggen tijdens de schorsingsperiode ook anderen dan klager bij deze arbodienst op het spreekuur gezien en, zo ziet hij dat achteraf, daar toen te weinig aan de inhoud van zijn werkzaamheden veranderd. Verder heeft de gemachtigde van klager op de zitting verteld dat de betreffende arbodienst tegenover haar heeft verklaard dat de arts tijdens de schorsing keuringen heeft verricht en in die periode had aangegeven dat zijn agenda goed gevuld moest worden.   

4.10    Voor het Centraal Tuchtcollege bestaat er dan ook geen twijfel over dat de arts in de periode waarin hij was geschorst zijn werkzaamheden voor de arbodienst ongewijzigd dan wel onvoldoende gewijzigd heeft voortgezet. Over zijn afwegingen heeft de arts ter zitting verklaard dat hij zich heeft laten leiden door een gevoel van betrokkenheid bij deze arbodienst, die niet goed functioneerde en kampte met een krappe personeelsbezetting, en door het belang van de cliënten van de arbodienst, dat in zijn ogen gediend was met continuïteit. Het Centraal Tuchtcollege is echter net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat het handelen van de arts in strijd is met de zorg die de arts ten opzichte van klager had moeten betrachten. Klager moet erop kunnen vertrouwen dat hij door een bevoegde arts wordt beoordeeld en begeleid en dat de arts in zijn terugkoppeling aan de werkgever de titel ‘arts‘ alleen vermeldt als hij bevoegd is die titel te gebruiken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

Maatregel
4.11    Bij het bepalen van de zwaarte van de maatregel heeft het Regionaal Tuchtcollege betrokken dat de arts, ondanks telefonische toezeggingen, in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd en niet op zitting is verschenen. In beroep heeft de arts uitgelegd dat hij in die periode al kampte met ernstige gezondheidsklachten en een daarmee samenhangend wisselend energieniveau. Anders dan in eerste aanleg heeft de arts nu wel de vragen van het Centraal Tuchtcollege kunnen beantwoorden. Dat leidt echter niet tot een andere beoordeling. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de arts er met diens verklaring over zijn afwegingen geen blijk van heeft gegegeven dat hij zich bewust is van de ernst van het verwijt dat hem wordt gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij de overwegingen 5.7 tot en 5.12 van de bestreden beslissing en acht de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register in dit geval passend. Het onbevoegd als arts werkzaamheden verrichten in de gezondheidszorg en het onbevoegd voeren van een beschermde beroepstitel is een ernstig tuchtrechtelijk verwijt. Dit laatste is in artikel 99 van de Wet BIG zelfs strafbaar gesteld. De arts heeft zich bij zijn werkzaamheden voor de arbodienst weinig tot niets aan de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde schorsing gelegen laten liggen. Voorzover de arts zijn werkzaamheden al heeft aangepast, heeft hij dat niet op een gepaste, georganiseerde wijze gedaan en zonder de cliënten van de arbodienst hierover te informeren. Het geheel of gedeeltelijk negeren van een door de tuchtrechter opgelegde maatregel, zoals door de arts gedaan, is gelijk te stellen met het negeren van de doelstelling van het tuchtrecht, te weten het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de gezondheidszorg. Dit past niet bij de verantwoordelijkheid die op een zorgverlener rust. 

Conclusie 
4.12    De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht gegrond heeft verklaard en op goede gronden aan de arts de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register heeft opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van de arts tegen deze beslissing verwerpen. 

Publicatie
4.13    Deze beslissing zal op de voet van artikel 71 van de Wet BIG in het algemeen belang worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is er in gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. 

4    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

verstaat dat de door het Regionaal Tuchtcollege opgelegde maatregel gehandhaafd blijft; 

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is genomen door A.S. Gratama, voorzitter, 
A.R.O. Mooy en M.C. Stoové, leden-juristen, en A.H.J.M. Sterk en J. Hermans, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2026.
Voorzitter  w.g.        Secretaris  w.g.