ECLI:NL:TGZRSHE:2025:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7757
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:100 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7757 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Onder supervisie van een bedrijfsarts werkende arts heeft klager tweemaal op een consult ontvangen tijdens een eerder door het college opgelegde schorsing. Van deze consulten heeft hij ook een terugkoppeling gegeven aan de werkgever. Klacht gegrond. Verweerder heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen. Maatregel doorhaling. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 27 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: [C], wonende in [B],
tegen
[D],
arts,
werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de arts.
1. De zaak in het kort
1.1 De arts is werkzaam bij een arbodienst waar hij onder supervisie van een BIG-
geregistreerde
bedrijfsarts werkt. Blijkens het BIG-register is de inschrijving van de arts vanaf
14 maart 2024
geschorst voor de duur van drie maanden tot en met 13 juni 2024 vanwege geen of
onvoldoende
zorgverlening. Gedurende de schorsing is klager tweemaal op het spreekuur geweest
bij de arts.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de arts vanwege de opgelegde schorsing
deze
werkzaamheden niet had mogen uitvoeren en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Aan
de arts wordt de maatregel van doorhaling opgelegd. Het college licht hierna toe
hoe het tot dit
oordeel is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2024;
- de brief van 27 februari 2025 van de secretaris aan verweerder;
- het proces-verbaal van het op 11 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 juli 2025. Klager is met bericht
niet
verschenen. De gemachtigde van klager is wel verschenen. Verweerder is niet verschenen
en heeft het
college daaromtrent ook niet bericht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Bij beslissing van 31 januari 2024 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de
Gezondheidszorg ’s-Hertogenbosch een klacht tegen de arts gegrond verklaard en aan
de arts de
maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van drie maanden van de bevoegdheid
om de aan de
inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen. Verweerder heeft
tegen de
beslissing geen beroep ingesteld waarna de beslissing onherroepelijk is geworden.
De schorsing gold
vanaf 14 maart 2024 tot en met 13 juni 2024. Deze klacht hield in dat de klager
niet serieus zou
zijn genomen door verweerder en dat een verzoek van de klager om een second opinion
door verweerder
niet was beantwoord. Het college heeft overwogen dat de arts de klager consequent
heeft genegeerd
door niet te doen wat hij de klager had toegezegd en hem daarna niet te berichten;
ook niet nadat
de advocaat van de klager hem had gevraagd mee te werken aan een second opinion.
3.2 De arts is werkzaam bij een arbodienst waar hij onder supervisie van een BIG-
geregistreerde
bedrijfsarts werkt. Onder andere op 1 mei 2024 en 29 mei 2024 is klager met zijn
echtgenote op het
spreekuur geweest bij de arts.
De arts heeft over het spreekuur op 1 mei 2024 de volgende terugkoppeling gegeven:
(citaten
inclusief eventuele taal- en spelfouten)
“- werknemer is in afwachting van de uitslag van een diagnostisch onderzoek
- herbeoordelen spreekuur arts (naam arbodienst) over 4 weken
- dan is de uitslag vanuit recente diagnostiek bekend en zullen resultaten van eerdere
onderzoeken
worden bekeken
- aan de hand hiervan opstellen FML en verdere follow up”
De arts heeft over het spreekuur op 29 mei 2024 de volgende terugkoppeling gegeven:
“- inmiddels is sprake van een bevestigende diagnose
- deze maakt dat er de komende dagen / weken sprake is van aanvullende diagnostiek
en beleid
- hier nu voorrang aan geven
- vraag m.b.t. aangepast werk even “parkeren”
- herbeoordelen 4 weken”
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij tijdens de aan hem opgelegde schorsing van
drie maanden (vanaf
14 maart 2024 tot en met 13 juni 2024) op 1 mei 2024 en op 29 mei 2024 spreekuur
heeft gehouden.
4.2 De arts heeft, hoewel hij daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld,
geen
verweerschrift ingediend noch anderszins een reactie gegeven op de klacht.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op het standpunt van klager en de stukken
die het tot
zijn beschikking heeft.
5. De overwegingen van het college
Welk criterium geldt bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de arts met zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de
grenzen van een
redelijk bekwame beroepsuitoefening. De norm daarvoor is die van een redelijk bekwame
en redelijk
handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Beoordeling
5.2 Het college beantwoordt deze vraag ontkennend. Voor dit oordeel is het volgende
redengevend.
In de beslissing van 31 januari 2024 heeft het college de arts een schorsing opgelegd
van de
bevoegdheid om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit
te oefenen. De
spreekuurcontacten van 1 mei 2024 en 29 mei 2024 zijn dus verricht in de periode
waarin de arts
niet bevoegd was de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit
te oefenen.
5.3 Artikel 3 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, hierna wet BIG,
heeft de
registers in het leven geroepen waar personen met de voorgeschreven opleiding zich
kunnen laten
inschrijven onder andere als arts. Deze registratie is een constitutieve registratie
wat inhoudt
dat door de inschrijving:
- het recht voor de ingeschrevene ontstaat de wettelijk beschermde beroepstitel
te voeren (de
registertitel) te voeren;
- de bevoegdheid ontstaat om werkzaam te zijn op bepaalde gebieden van de gezondheidszorg;
- de beroepsbeoefenaar onderworpen is aan het tuchtrecht.
5.4 De in de beslissing van 31 januari 2024 opgelegde schorsing van de bevoegdheid
om de aan de
inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen, betreft dus
het recht om als
arts werkzaam te zijn in de gezondheidszorg.
5.5 Door in de periode waarin hij was geschorst klager tweemaal op zijn spreekuur
te ontvangen en
de terugkoppeling van deze gesprekken te geven, heeft de arts tweemaal onbevoegd
gehandeld en
daarbij ook zijn titel onbevoegd gebruikt. Het onbevoegd handelen en voeren van
zijn titel acht het
college handelen in strijd met de zorg die de arts behoorde te betrachten ten opzichte
van klager,
die er op moet kunnen vertrouwen dat hij door een bevoegde arts wordt beoordeeld.
Daarbij hoort ook
dat een patiënt erop mag vertrouwen dat de zorgverlener in zijn terugkoppeling aan
de werkgever de
titel “arts” enkel vermeldt als hij bevoegd is die titel te gebruiken. De arts heeft
in het licht
van voornoemde feiten en omstandigheden dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.7 Het onbevoegd handelen is een ernstig tuchtrechtelijk verwijt dat zelfs strafbaar
is gesteld
in artikel 99 lid 1 wet BIG. Het doel van het tuchtrecht is het bewaken en bevorderen
van de
kwaliteit van de gezondheidszorg. Een tuchtrechtelijke maatregel moet ertoe leiden
dat die
kwaliteit bewaakt en bevorderd wordt. Het negeren van een door de tuchtrechter opgelegde
maatregel,
zoals de arts in deze zaak heeft gedaan, is gelijk te stellen aan het negeren van
de doelstelling
de kwaliteit van de gezondheidszorg te bewaken en bevorderen. Dit past in het geheel
niet bij de
verantwoordelijkheid die in een situatie zoals deze op een zorgverlener rust.
5.8 De arts heeft niet alleen het vertrouwen van klager geschonden dat de zorg die
aan hem wordt
verleend wordt verricht door een bevoegde zorgverlener, maar hij heeft zich ook
niet toetsbaar
opgesteld. Dit acht het college laakbaar.
5.9 Zorgverleners die zijn ingeschreven in het BIG-register zijn op grond van artikel
47 lid 1
wet BIG aan tuchtrecht onderworpen. Deze bepaling brengt ook mee dat een zorgverlener
zich
toetsbaar dient op te stellen. Dit betekent in ieder geval dat de zorgverlener verantwoording
aflegt aan de klager ten overstaan van het tuchtcollege over zijn handelen en het
gemaakte verwijt.
Dat is in deze zaak niet gebeurd. De arts is door de secretaris van het college
meermaals
aangeschreven en dringend verzocht een verweerschrift in te dienen. Telefonisch
heeft de arts dit
ook toegezegd. De arts heeft desondanks geen verweerschrift ingediend en ook is
de arts, hoewel
behoorlijk opgeroepen, niet verschenen bij het mondeling vooronderzoek en ook niet
bij de zitting
van 4 juli 2025. Door aldus te handelen heeft de arts klager genegeerd, zoals hij
ook de eerder aan
hem opgelegde tuchtrechtelijke maatregel heeft genegeerd.
5.10 Door noch verweer te voeren, noch te verschijnen bij de mondelinge behandeling
heeft het
college de arts bovendien geen vragen kunnen stellen en heeft de arts zijn kant
van het verhaal
niet kunnen belichten. Daardoor kan het college bij de beantwoording van de vraag
welke maatregel
moet worden opgelegd, geen rekening houden met de aanwezigheid van een mogelijke
verklaring of
bijzondere omstandigheden die wellicht ten gunste van de arts in de beoordeling
had(den) kunnen
worden betrokken.
5.11 Het college constateert een patroon in het gedrag van verweerder. Immers, ook
in de
beslissing van 31 januari 2024 is beschreven dat de arts herhaaldelijk niet reageert
op verzoeken
waarop een zorgvuldig handelend zorgverlener wel zou moeten reageren. Uit de in
die beslissing
omschreven feiten en uit de proceshouding van de arts in deze zaak blijkt een gebrek
aan
verantwoordelijkheid in de zorg jegens de betrokkenen en gebrek aan respect jegens
klager in het
bijzonder en de tuchtrechtspraak in het algemeen.
5.12 Het college stelt vast dat de arts niet van de beslissing van 31 januari 2024
heeft geleerd
en oordeelt dat de maatregel doorhaling van de inschrijving in het register passend
is.
Publicatie in vaktijdschriften
5.13 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de arts de maatregel op van doorhaling van de inschrijving in het register,
dan wel ontzegt
de arts, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden van deze
beslissing niet is
ingeschreven in het register, het recht om weer in dit register te worden ingeschreven;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, K.A.J.C.M. van den
Berg Jeths- van Meerwijk, lid-jurist, B.C.A.M. van Casteren-van Gils, N.B. van der
Maas, en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van
den Berg Jeths-van Meerwijk
op 27 augustus 2025.