ECLI:NL:TGZCTG:2026:177 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3152
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:177 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3152 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | De huisarts is medisch directeur van een huisartsenorganisatie. Klaagster stond als patiënt ingeschreven bij een huisartsenpraktijk die is aangesloten bij deze organisatie. Per 6 november 2023 heeft de huisarts de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de huisartsenpraktijk beëindigd. Klaagster klaagt over het beëindigen van de behandelingsovereenkomst en over de (opvolging van) zorg daarna. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft klaagster ontvankelijk verklaard in de klacht en de klacht vervolgens ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft klaagster beroep ingesteld en de huisarts vervolgens incidenteel beroep. Het Centraal Tuchtcollege komt tot dezelfde conclusies als het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt de beroepen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3152 van:
A., wonende te B., appellante, tevens verweerster in incidenteel beroep, klaagster
in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigden: mr. S.S. van Gijn en mr. N. Buitink, werkzaam te Amsterdam,
tegen
C., huisarts, werkzaam te D.,
verweerder in beroep, tevens incidenteel appellant, verweerder in eerste aanleg,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 De huisarts is medisch directeur van een huisartsenorganisatie. Klaagster stond als patiënt ingeschreven bij een huisartsenpraktijk die is aangesloten bij deze organisatie. Per 6 november 2023 heeft de huisarts de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de huisartsenpraktijk beëindigd. Klaagster klaagt over het beëindigen van de behandelingsovereenkomst en over de (opvolging van) zorg daarna.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft klaagster ontvankelijk verklaard in de klacht en de klacht vervolgens ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot dezelfde conclusies en zal dat hieronder toelichten.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle met nummer Z2024/7705 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:166). De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend en tevens incidenteel beroep ingesteld. Klaagster heeft op haar beurt een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedures in eerste aanleg en beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 15 juli 2026 behandeld. Daar waren aanwezig beide gemachtigden van klaagster, mr. S.S. van Gijn en mr. N. Buitink, en de huisarts met zijn gemachtigde mr. M.F. Mooibroek. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Buitink en mr. Mooibroek zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster stond ingeschreven als patiënt bij huisartsenpraktijk B. van E. (verder: de praktijk).
3.3 De huisarts is medisch directeur van huisartsenorganisatie E.-B.V.
en is eindverantwoordelijk voor de bij de organisatie aangesloten huisartsenpraktijken
voor eerstelijnszorg, waaronder de praktijk.
3.4 Uit telefoonnotities en e-mailcorrespondentie blijkt dat klaagster vanaf maart
tot en met juni 2023 diverse keren naar de praktijk e-mailde en belde. Ook belde klaagster
geregeld de spoedlijn van de praktijk. De inhoud van de e-mails en telefoongesprekken
bevatten meestal scheldwoorden, waarin medewerkers ook persoonlijk werden uitgescholden.
3.5 Vanaf het tweede kwartaal van 2023 vond er via de klachtenfunctionaris bemiddeling
tussen klaagster en de praktijk plaats over onder andere het opschonen van het medisch
dossier van klaagster.
3.6 Op 16 oktober 2023 legde een dienstdoende huisarts van de praktijk een huisbezoek
bij klaagster af. De dienstdoende huisarts e-mailde de huisarts hierover het volgende
(letterlijk weergegeven):
”Beste [naam huisarts],
Vandaag heb ik een flinke aanvaring gehad met mw A. Vervolgens heeft ze zeker 10
keer onze spoedlijn gebeld. Van […] begreep ik dat er een brief bij jou ligt die je
moet tekenen betreffende een waarschuwing vanwege haar gedrag. Zou je deze brief zsm
willen tekenen, zodat we hier verder mee kunnen en haar gedrag beter kunnen begrenzen
of haar uit de praktijk kunnen verwijderen. Zij legt een zeer groot beslag op onze
tijd en energie, die we op het moment beter voor andere zaken kunnen gebruiken.
Met vriendelijke groet,
[naam dienstdoende huisarts]”.
3.7 Op 17 oktober 2023 werd per aangetekende post en e-mail, na toestemming en
ondertekening door de huisarts, voor zover relevant, het volgende aan klaagster
medegedeeld:
”(…) Hieronder een aantal punten die belangrijk zijn voor u om te weten:
Bemiddeling
Helaas is het de Klachtenfunctionaris, mevrouw […], ondanks haar inzet, niet gelukt
om te bemiddelen tussen u en de praktijk. Uit de toenemende hoeveelheid klachten en
onvrede die u heeft geuit, en nog steeds uit, blijkt dat de situatie steeds gecompliceerder
wordt en bemiddeling niet mogelijk is.
Daarnaast is het voor de klachtenfunctionaris niet meer duidelijk wat uw hoofdklacht
precies is, gezien die verscheidenheid aan klachten die u heeft geuit. De klachtenfunctionaris
heeft getracht een bijeenkomst te organiseren om de situatie te evalueren, maar helaas
heeft u deze poging verhinderd door zelf niet te verschijnen, ondanks dat de huisarts
en zijzelf tijd in hun agenda hadden vrijgemaakt om met u te spreken.
Uw gedrag
Ten aanzien van uw gedrag kan ik u vertellen dat het ernstige karakter van herhaalde
dreigementen waaronder het dreigen om de huisarts op de praktijk op te zoeken en haar
uit haar kamer te slepen onacceptabel is. Bovendien heeft u aangegeven dat u altijd
een mes binnen een halve meter heeft liggen. Dergelijk gedrag en dergelijke uitspraken
bemoeilijken de communicatie en de relatie met de zorgverleners aanzienlijk. Het feit
dat u ook met regelmaat de spoedlijn bezet houdt, is een zorgwekkende kwestie. Dit
gedrag brengt andere patiënten in gevaar, aangezien de spoedlijn bedoeld is voor dringende
medische hulpverzoeken die onmiddellijke aandacht vereisen (…).
Dit gedrag moet dus onmiddellijk stoppen.
Wij nemen uw dreigementen zeer serieus en beschouwen uw gedrag als onacceptabel. Het is van grootste belang dat de communicatie tussen u en zorgverleners plaatsvindt in een veilige en respectvolle sfeer. Hier is momenteel geen sprake van. Indien dit gedrag zich blijft voortzetten, zullen we de behandelovereenkomst met u moeten beëindigen. Dit conform de richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ van de KNMG. Dit betekent dat u dan niet meer patiënt bent bij huisartsenpraktijk B. (…).
Conclusie
• Bemiddeling heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.
• We zullen ons e-mailcontact met u blokkeren, u kunt alleen nog telefonisch
een afspraak maken
• Uw verzoek om uw medisch dossier op te schonen wordt niet gehonoreerd, omdat
het behoud van een compleet en accuraat dossier van essentieel belang is voor uw zorg.
• Als uw gedrag zich blijft voortzetten en de veiligheid of het welzijn van anderen
in gevaar blijft brengen, zullen we de behandelovereenkomst met u beëindigen, in overeenstemming
met de geldende regelgeving.
Dit is een laatste oproep aan u om de aangeboden zorg en hulp van onze praktijk te accepteren (…).”
3.8 In de ochtend van 17 oktober 2023 e-mailde klaagster wederom de praktijk. In
deze
e-mail schreef zij onder andere: “vieze achterbaksen in de zorg!!”.
3.9 In een verklaring noteerden drie doktersassistentes van de praktijk kort gezegd dat klaagster op 17 oktober 2023 tussen 17.10-17.20 uur vanuit haar auto naar hen gebaren maakte toen zij nog even stonden te praten op het parkeerterrein bij de praktijk. Niet veel later reed klaagster weer langs het parkeerterrein, zij keek hen aan en maakte allemaal gebaren. Zij noteerden verder dat nadat zij besloten weg te rijden en alle drie in de auto stonden te wachten bij het kruispunt, klaagster nogmaals langsreed, hen aankeek en wederom gebaren maakte, niet alleen het opsteken van haar middelvinger, maar ook met een hand langs haar keel.
3.10 Op 19 oktober 2023 stuurde klaagster een e-mail naar de praktijk waarin zij onder meer schreef: “Wat een lachertje die halfgebakken eindreactie en dingen ook nog ZO neerzetten zodat het een bedreiging lijkt? Waar is de rest van het verhaal over die mes??(…)”.
3.11 Op 23 oktober 2023 stuurde de huisarts vanuit zijn naam een aangetekende brief en e-mail aan klaagster over het beëindigen van de behandelingsovereenkomst. In de brief staat dat de behandelingsovereenkomst per 6 november 2023 zal worden beëindigd. Verder vermeldt de brief, voor zover relevant, het volgende:
“(…)Hierbij schrijf ik u met betrekking tot onze behandelovereenkomst en de recente gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in relatie tot uw gedrag jegens onze medewerkers en de praktijk.
Zoals u weet, hebben we u op 17 oktober jl. een schriftelijke waarschuwing gestuurd met betrekking tot uw gedrag jegens onze medewerkers en de praktijk. Deze brief is bedoeld om te bevestigen dat ondanks onze waarschuwing, uw gedrag zich heeft voortgezet en niet is verbeterd.
De aanhoudende agressieve houding, waaronder het opsteken van de middenvinger en het maken van bedreigende gebaren zoals hand langs de keel, heeft onze medewerkers blootgesteld aan onaanvaardbare spanning en onveiligheid. Het steeds overmatig bellen, e-mailen en de intimiderende acties blijven de werkomgeving verstoren en hebben de behandelrelatie verder ondermijnd.
We vinden het heel spijtig, maar we moeten de veiligheid en het welzijn van onze medewerkers en patiënten beschermen(…).
We hebben de nodige inspanningen geleverd om een alternatieve huisartsenpraktijk voor u te vinden. Huisartsenpraktijk [naam, gevestigd aan de …], is momenteel open voor nieuwe inschrijvingen. Dit kan een geschikte optie zijn om uw medische zorg aldaar voort te zetten. We hebben ook contact opgenomen met Huisartsengroepspraktijk [naam], maar zij nemen helaas op dit moment geen nieuwe patiënten aan. We raden u ten zeerste aan om contact op te nemen met Huisartsenpraktijk [naam] om uw inschrijving te regelen. Het staat u uiteraard vrij om op zoek te gaan naar een huisarts van eigen keuze. (…)”
3.12 Op 27 oktober 2023 deed klaagster schriftelijk een verzoek tot vernietiging
van haar
medisch dossier. Het vernietigingsverzoek werd door de praktijk in behandeling genomen
en het dossier van klaagster werd vernietigd. Diezelfde dag e-mailde klaagster de
praktijk meerdere keren en belde zij 20-30 keer naar de praktijk. In haar e-mails
schreef zij onder andere: “Jullie weten HÉÉL goed waar jullie mee bezig zijn, hoe jullie patiënten BLIJVEN Verneuken!
Wil EEN KEER EERLIJKE ANTWOORDEN NU NA MAANDEN! Jullie zorgen ZELF voor dat het steeds
verder uit de hand loopt met jullie vieze achterbakse leugens en spelletjes!”. Van
de telefoongesprekken noteerden de medewerkers dat klaagster onder andere uitspraken
deed als: “bel de politie dan mongooltje”, “je woont dichtbij he” en “tot 17.00 uur!!”.
3.13 Op 30 oktober 2023 had klaagster een afspraak op het spreekuur bij een dienstdoende huisarts van de praktijk. Klaagster is op deze afspraak niet verschenen. Klaagster belde diezelfde dag ongeveer 55 keer naar de praktijk. Van de telefoongesprekken noteerden medewerkers dat klaagster onder andere uitspraken deed als: “stelletje mongolen, achterbaksen, ga de politie maar weer bellen”, “waar blijf je” en “tot zo ik sta op parkeerplaats”.
3.14 Ook in november en december 2023 nam klaagster, vaak meerdere keren op een dag, telefonisch of per e-mail, contact op met de praktijk waarin zij onder andere verzocht om alle gegevens van haar te verwijderen en (medewerkers) (uit)schold.
3.15 Vanaf eind oktober 2023 tot en met januari 2024 nam de huisarts tweewekelijks digitaal deel aan een intern overleg over de casus met medewerkers van de praktijk, bestaande uit enkele huisartsen, de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg, de regiomanager en de praktijkmanager om het personeel van de praktijk te ondersteunen.
3.16 Op 16 november 2023 was de huisarts aanwezig bij de bespreking van de casus met een externe werkgroep, waaronder medewerkers van de GGD, de openbare geestelijke gezondheidszorg (bemoeizorg), de gemeente en de politie.
3.17 Op 4 januari 2024 heeft een coördinator van de openbare geestelijke gezondheidszorg
namens klaagster telefonisch contact gehad met de praktijk(assistente). De assistente
e-mailde dezelfde dag aan de praktijkmanager dat de coördinator had aangegeven dat
het niet goed ging met klaagster, dat zij zou lijden, een huisarts nodig had en dat
de doktersdienst en spoedeisende hulp naar de praktijk verwezen. Klaagster had zich
proberen in te schrijven bij de door de huisarts genoemde andere praktijken, maar
die namen geen nieuwe patiënten aan of wensten haar niet aan te nemen. De praktijkmanager
stuurde de e-mail van de praktijk(assistente) op 4 januari 2024 door naar de huisarts.
De huisarts reageerde per e-mail op 7 januari 2024. De huisarts liet in deze e-mail
aan de praktijkmanager weten dat niet moest worden teruggekomen op de beslissing klaagster
uit te schrijven. De huisarts schreef in zijn e-mail aan de praktijkmanager dat de
praktijkmanager er wel bij de door hem in de brief van 23 oktober 2023 voorgestelde
huisartsenpraktijken op zou kunnen aandringen om klaagster toe te laten. De huisarts
sloot zijn
e-mail af met: “Ik hoor graag als verder overleg nodig is”.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster verwijt de huisarts het beëindigen van de behandelingsovereenkomst
en het
onvoldoende waarborgen van de (opvolging van) zorg daarna.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard en dat aan de huisarts een maatregel wordt opgelegd. De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep voor zover sprake is van uitbreiding van de klacht, en het beroep van klaagster voor het overige te verwerpen.
4.3 In incidenteel beroep verzoekt de huisarts om klaagster alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht. Klaagster is het daar niet mee eens en stelt dat het incidenteel beroep van de huisarts moet worden verworpen.
Beoordeling van het incidenteel beroep van de huisarts
4.4 Omdat het incidenteel beroep van de huisarts ziet op de ontvankelijkheid
van klaagster in de klacht, zal het Centraal Tuchtcollege dit beroep eerst beoordelen.
Het Centraal Tuchtcollege zal eerst ingaan op de stelling dat het tuchtrecht niet
van toepassing is en daarna op de stelling dat er sprake is van misbruik van recht.
4.5 Het staat niet ter discussie dat de eerste tuchtnorm niet van toepassing is. Verder staat vast dat het verwijt zich richt op het handelen van de huisarts in zijn rol van medisch directeur van huisartsenorganisatie E.-B.V. In deze rol is de huisarts eindverantwoordelijk voor de bij de organisatie aangesloten huisartsenpraktijken voor eerstelijnszorg, waaronder de praktijk waar klaagster als patiënt stond ingeschreven. De huisarts is niet rechtstreeks betrokken geweest bij (de behandeling van) klaagster. Partijen verschillen van mening over de vraag of de tweede tuchtnorm wel van toepassing is. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat dit het geval is en licht dat in het onderstaande toe.
4.6 De huisarts betwist niet dat zijn bemoeienis met de beëindiging van de behandelovereenkomst weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Volgens de huisarts is de tweede tuchtnorm niet van toepassing, omdat hij zich met zijn handelen niet heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat behoort bij zijn BIG-registratie. Het is geen vereiste dat de medisch directeur huisarts is en zijn registratie als huisarts heeft geen rol gespeeld bij zijn handelen. Het Centraal Tuchtcollege volgt de huisarts in zijn betoog dat de verweten gedragingen uitsluitend zien op zijn handelen als bestuurder, dat een registratie als huisarts niet vereist is voor de uitoefening van de functie en dat hij niet als huisarts heeft gehandeld. Anders dan de huisarts stelt, betekent dit echter niet dat de gedragingen hem niet tuchtrechtelijk verweten kunnen worden op basis van de tweede tuchtnorm.
4.7 De tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1, onder b, Wet op de beroepen in de
Individuele gezondheidszorg (wet BIG) betreft gedragingen die niet onder de eerste
tuchtnorm vallen maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijke beroepsuitoefenaar
betaamt. Voor het handelen in strijd met de tweede tuchtnorm is verder vereist dat
dit voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege
hanteert als uitgangspunt dat bij toepassing van de tweede tuchtnorm terughoudendheid
moet worden betracht als er sprake is van handelen in bestuurlijke en/of leidinggevende
functies. Met andere woorden, als het handelen/nalaten betreft dat geen betrekking
heeft op de zorg voor een individuele patiënt maar veeleer op de organisatie van de
zorg en de voorwaarden waaronder die wordt verleend. Met name moet voorkomen worden
dat de betrokken arts tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor keuzes
in de bedrijfsvoering waarin hem in zijn bestuursfunctie in beginsel beleidsvrijheid
toekomt, ook al kunnen deze keuzes gevolgen hebben voor de individuele zorgverlening.
De wetgever heeft met de wetswijziging in 2019 beoogd dat ook gedragingen die niet
zijn begaan in de hoedanigheid van BIG-geregistreerde tuchtrechtelijk kunnen worden
getoetst wanneer sprake is van gedragingen die een gevaar voor de patiënt kunnen opleveren
of het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig kunnen schaden. Het Centraal Tuchtcollege
overweegt dat dit het geval zou kunnen zijn in deze zaak. Dat de betrokken BIG geregistreerde
zich bij de uitoefening van zijn (bestuurlijk) handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied
dat behoort bij zijn BIG registratie, is geen eis die de wet stelt en het Centraal
Tuchtcollege ziet ook anderszins geen reden deze insteek toe te passen. Dit leidt
ertoe dat het Centraal Tuchtcollege van oordeel is dat de klachten in deze zaak beoordeeld
dienen te worden op basis van de tweede tuchtnorm.
4.8 Wat betreft de stelling dat klaagster niet in haar klacht ontvangen kan worden, omdat er sprake is van misbruik van recht overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het klachtrecht een wettelijk recht is dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden beperkt. Hiervan is in deze zaak geen sprake. Wat de huisarts in dit kader aanvoert, kan een rol spelen bij de beoordeling van de klachten maar kan niet tot de conclusie leiden dat klaagster niet ontvankelijk verklaard wordt in haar klachten.
4.9 Het voorgaande betekent dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht, en dat
het incidenteel beroep van de huisarts niet kan slagen.
Beoordeling van het beroep van klaagster
4.10 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen
die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel
uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd.
Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake
is van uitbreiding van de klacht, kan klaagster daarin dus niet worden ontvangen.
4.11 Tussen klaagster en de praktijk is een geneeskundige behandelingsovereenkomst
tot stand gekomen. Een dergelijke overeenkomst kan niet worden opgezegd, tenzij er
sprake is van gewichtige redenen (artikel 7:460 Burgerlijk Wetboek). De Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst heeft in de richtlijn ‘Niet-aangaan
of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ van januari 2021 (verder:
de KNMG-richtlijn) opgenomen onder welke voorwaarden (gewichtige redenen) de behandelingsovereenkomst
eenzijdig kan worden beëindigd. Dit kan het geval zijn wanneer een patiënt zeer onheus
of agressief gedrag vertoont. Daarbij moet worden voldaan aan de volgende zorgvuldigheidseisen:
a. de patiënt herhaaldelijk waarschuwen en onderzoeken of herstel van de relatie
mogelijk is;
b. de patiënt tijdig mondeling informeren over zijn besluit en dit besluit schriftelijk
bevestigen;
c. een redelijke termijn aanhouden voordat hij de overeenkomst daadwerkelijk
beëindigt;
d. noodzakelijke hulp blijven verlenen of laten verlenen, tot de patiënt een
andere behandelaar heeft gevonden;
e. medewerking verlenen om na de beëindiging elders zorg te ontvangen.
4.12 Bij de beoordeling stelt het Centraal Tuchtcollege voorop dat de hele situatie voorafgaand en na de beëindiging van de behandelovereenkomst voor zowel de medewerkers van de praktijk als voor klaagster complex en heel belastend is geweest. Het is duidelijk dat de medewerkers de handelwijze van klaagster niet alleen als overlast gevend, maar ook als bedreigend hebben ervaren. Voor klaagster is het ingrijpend geweest dat de huisartsenzorg is beëindigd en dat zij er niet in slaagde een nieuwe huisarts te vinden. Het Centraal Tuchtcollege heeft hier oog voor. Dat neemt niet weg dat het Centraal Tuchtcollege op een zakelijk manier moet beoordelen of de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.13 Het Centraal Tuchtcollege constateert op basis van de hierboven onder punt
3 uiteengezette feiten dat sprake was van een complexe situatie. Klaagster vertoonde
gedurende langere tijd zeer onheus en agressief gedrag tegenover medewerkers van de
praktijk en bleef dat ook vertonen, ondanks meerdere waarschuwingen en meerdere pogingen
om de relatie te herstellen. Klaagster uitte dreigementen richting medewerkers van
de praktijk en hield ook veelvuldig de spoedlijn van de praktijk bezet. Inzet van
de klachtenfunctionaris en andere interventies bleken onvoldoende om de relatie tussen
klaagster en (de medewerkers van) de praktijk te herstellen en leken uitsluitend als
gevolg te hebben dat de situatie verder escaleerde.
De huisarts diende in zijn rol als bestuurder diverse belangen tegen elkaar af te
wegen. Daarbij ging het enerzijds om het belang van klaagster en anderzijds om de
veiligheid van medewerkers, de continuïteit van de praktijk en de belangen van de
andere patiënten, met name degenen die acute zorg nodig hadden en de spoedlijn moesten
kunnen bereiken.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat er in deze situatie voldoende aanleiding
was om de behandelingsovereenkomst te beëindigen en dat het Regionaal Tuchtcollege
op goede gronden heeft overwogen dat de huisarts dit zorgvuldig heeft gedaan. Het
Centraal Tuchtcollege neemt dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen
over en voegt daar nog het volgende aan toe.
4.14 Er zijn voorafgaand aan de beëindiging verschillende pogingen gedaan om de
zorgrelatie te herstellen, de praktijk heeft verder advies aan de KNMG gevraagd over
de manier waarop een eventuele beëindiging geregeld moest worden en de mogelijkheid
van het inschakelen van GGZ-zorg is zorgvuldig overwogen. Met de schriftelijke waarschuwing
van 17 oktober 2023 (aangetekend per post en in de ochtend per e-mail verzonden) waarin
stond dat de behandelingsovereenkomst tussen de praktijk en klaagster zou worden beëindigd
als zij haar gedrag zou voortzetten, kreeg klaagster een laatste kans om haar gedrag
aan te passen.
Hoewel klaagster heeft betwist dat zij na de waarschuwing aanleiding heeft gegeven
om daadwerkelijk tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst over te gaan, constateert
het Centraal Tuchtcollege dat die aanleiding er wel was, waarbij het belangrijkste
incident het onder 3.9 genoemde voorval betrof.
4.15 Bij het beëindigen van de behandelingsovereenkomst heeft de huisarts de in
de KNMG-richtlijn genoemde zorgvuldigheidseisen goed in acht genomen. Klaagster is
immers meerdere keren gewaarschuwd, de praktijk heeft, ook met behulp van derden,
onderzocht of herstel van de relatie mogelijk was en klaagster is per aangetekende
brief en e-mail geïnformeerd over het besluit tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst.
Bij aangetekende brief en e-mail van 23 oktober 2023 is de behandelingsovereenkomst
per
6 november 2023 beëindigd. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de opzegtermijn
weliswaar relatief kort was, maar dat deze termijn van twee weken klaagster voldoende
tijd gaf zich in te schrijven bij de huisartsenpraktijk waarmee de huisarts contact
had gehad of om zelf een andere huisarts te zoeken. Hiermee zijn de zorgvuldigheidseisen
omschreven onder a, b en c in de KNMG-richtlijn in acht genomen.
4.16 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts ook de zorgvuldigheidseis ‘voldoende medewerking verlenen om na de beëindiging elders zorg te ontvangen’, zoals omschreven onder e in de KNMG-Richtlijn, in acht heeft genomen. Met het Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege hierover het volgende. Uit de door de huisarts opgestelde en ondertekende beëindigingsbrief van 23 oktober 2023 blijkt dat de praktijk zich heeft ingespannen om een alternatieve huisartsenpraktijk voor klaagster te vinden. Er stond op dat moment één huisartsenpraktijk in de regio open voor nieuwe inschrijvingen en aan klaagster werd aangeraden om met de betreffende huisartsenpraktijk contact op te nemen om zich in te schrijven als nieuwe patiënt. Ook volgt uit de brief dat er contact is opgenomen met een tweede huisartsenpraktijk, maar dat die op dat moment geen nieuwe patiënten aannam. Er was dus een beschikbaar alternatief. De huisarts heeft verklaard dat de praktijkmanager, nog voordat de beëindigingsbrief aan klaagster werd verstuurd, telefonisch contact had met de huisartsenpraktijk die openstond voor nieuwe patiënten. Deze praktijk had daarop aangegeven dat zij bereid was klaagster als nieuwe patiënt in te schrijven. De huisarts verkeerde hierdoor in de veronderstelling dat de zorg aan klaagster was veiliggesteld en dat de continuïteit van zorg was gewaarborgd. Toen de huisarts in januari 2024 vernam dat de inschrijving bij de andere praktijk niet was gebeurd en dat klaagster geen huisartsenzorg had, heeft hij de praktijkmanager in een e-mail van 7 januari 2024 geadviseerd om er bij de twee genoemde huisartsenpraktijken op aan te dringen om klaagster als patiënte op te nemen. De huisarts sloot zijn e-mail af met de woorden: “Hoor graag als er verder overleg nodig is”. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts, door te handelen zoals hij heeft gedaan, in de gegeven situatie voldoende medewerking heeft verleend om ervoor te zorgen dat klaagster na de beëindiging van de behandelingsovereenkomst elders zorg kon ontvangen. Hoewel het beter was geweest als de huisarts zich na de beëindigingsbrief van 23 oktober 2023 op de hoogte had laten stellen of inschrijving bij de andere praktijk daadwerkelijk was gebeurd, mocht hij daarvan uitgaan, behoudens tegenbericht. Ook was het beter geweest als hij meer regie had genomen in het opvolgen van de e-mail van 7 januari 2024. Hij heeft zelf ook aangegeven dat het op dit punt beter had gekund. Door dit na te laten is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege evenwel geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
4.17 Bij een eenzijdige beëindiging van een behandelingsovereenkomst door een arts geldt tot slot als norm en uitgangspunt dat de arts noodzakelijke hulp blijft verlenen of laat verlenen, totdat de patiënt een andere behandelaar heeft gevonden. Door dit niet aan klaagster kenbaar te maken in de beëindigingbrief van 23 oktober 2023, en door klaagster niet (opnieuw) in zorg te nemen in januari 2024 toen zij daar om vroeg, heeft de huisarts niet gehandeld overeenkomstig deze in de KNMG-richtlijn onder d genoemde zorgvuldigheidseis. In beginsel zou dat een tuchtrechtelijk verwijtbaar nalaten kunnen opleveren, maar in deze concrete zaak komt het Centraal Tuchtcollege gelet op de uitzonderlijke omstandigheden tot een ander oordeel. Het aanhoudende gedrag van klaagster richting (medewerkers van) de praktijk was zodanig bedreigend en ontwrichtend dat in redelijkheid niet van de praktijk kon worden verwacht dat noodzakelijke zorg zou blijven worden verleend aan klaagster. Door het gedrag van klaagster stond de praktijk letterlijk op omvallen. Medewerkers van de praktijk vielen uit of gingen ergens anders werken. Hierdoor, en door de spoedlijn veelvuldig bezet te houden, bracht klaagster de continuïteit van zorg voor alle overige patiënten van de praktijk in gevaar. Het Centraal Tuchtcollege acht de overweging van de huisarts dat het blijven/opnieuw verlenen van zorg aan klaagster zou kunnen leiden tot een (verdere) ontwrichting van de praktijk en de continuïteit van zorg voor de overige patiëntenpopulatie zou bedreigen, begrijpelijk. De huisarts had ook een verantwoordelijkheid richting de medewerkers van de praktijk en richting de overige patiënten van de praktijk en heeft die serieus genomen. Alles afwegende oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de huisarts voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
4.18 Het voorgaande betekent dat de klacht van klaagster ongegrond is en dat het beroep van klaagster niet kan slagen.
4.19 Klaagster heeft in het incidentele beroep gevraagd om een kostenveroordeling. Nu het incidentele beroep uitsluitend de ontvankelijkheid betreft en het Centraal Tuchtcollege de klacht naar aanleiding van het beroep van klaagster volledig inhoudelijk heeft beoordeeld, wijst het Centraal Tuchtcollege dit verzoek af.
5 Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het incidenteel beroep van de huisarts; verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover zij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; verwerpt het beroep van klaagster voor het overige.
Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, J. Legemaate en H.K.N. Vos,
leden-
juristen, en D. Coppoolse en C.A. Lindeboom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.