ECLI:NL:TGZRZWO:2025:166 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7705
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:166 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-12-2025 |
| Datum publicatie: | 23-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2024/7705 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts ongegrond. Verweerder is medisch directeur van een huisartsenorganisatie. Klaagster stond als patiënt ingeschreven bij een huisartsenpraktijk die is aangesloten bij de organisatie. Verweerder heeft de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de huisartsenpraktijk beëindigd. Klaagster klaagt over de (opvolging van) zorg na het beëindigen van de behandelingsovereenkomst. Het college is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 19 december 2025 op de klacht van:
A ,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C,
tegen
D ,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. E.A. Kadijk, werkzaam in Utrecht.
- De zaak in het kort
1.1 Verweerder is medisch directeur van een huisartsenorganisatie. Klaagster stond
als patiënt ingeschreven bij een huisartsenpraktijk die is aangesloten bij deze organisatie.
Per
6 november 2023 heeft verweerder de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en
de huisartsenpraktijk beëindigd. Klaagster klaagt over de (opvolging van) zorg na
het beëindigen van de behandelingsovereenkomst.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 oktober 2024;
-het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 december 2024;
-de repliek met de bijlagen, ontvangen op 8 januari 2025;
-de dupliek met de bijlagen, ontvangen op 18 februari 2025;
-het e-mailbericht van de gemachtigde van verweerder van 18 november 2025 met daarin
een brief met bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 2 december 2025. Klaagster
is met bericht van verhindering niet verschenen en heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen
door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde.
Zij hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerder heeft
een pleitnotitie voorgelezen en aan de andere partij en het college overhandigd. De
gemachtigde van klaagster heeft het woord gevoerd met behulp van door klaagster gegeven
schriftelijke aanwijzingen. Deze zijn niet aan het college en de andere partij overhandigd.
- De feiten
3.1 Klaagster stond ingeschreven als patiënt bij huisartsenpraktijk B van E
(verder: de praktijk).
3.2 Verweerder is medisch directeur van huisartsenorganisatie E en is eindverantwoordelijk voor de bij de organisatie aangesloten huisartsenpraktijken voor eerstelijnszorg, waaronder de praktijk.
3.3 Uit telefoonnotities en e-mailcorrespondentie blijkt dat klaagster vanaf maart tot en met juni 2023 diverse keren naar de praktijk e-mailde en belde. Ook belde klaagster geregeld de spoedlijn van de praktijk. De inhoud van de e-mails en telefoongesprekken bevatten meestal scheldwoorden, waarin medewerkers ook persoonlijk werden uitgescholden.
3.4 Vanaf het tweede kwartaal van 2023 vond er via de klachtenfunctionaris bemiddeling tussen klaagster en de praktijk plaats over onder andere het opschonen van het medisch dossier van klaagster .
3.5 Op 16 oktober 2023 legde een dienstdoende huisarts van de praktijk een huisbezoek bij klaagster af. De dienstdoende huisarts e-mailde verweerder hierover het volgende (letterlijk weergegeven):
”Beste [naam verweerder],
Vandaag heb ik een flinke aanvaring gehad met mw A. Vervolgens heeft ze zeker 10
keer onze spoedlijn gebeld. Van […] begreep ik dat er een brief bij jou ligt die je
moet tekenen betreffende een waarschuwing vanwege haar gedrag. Zou je deze brief zsm
willen tekenen, zodat we hier verder mee kunnen en haar gedrag beter kunnen begrenzen
of haar uit de praktijk kunnen verwijderen. Zij legt een zeer groot beslag op onze
tijd en energie, die we op het moment beter voor andere zaken kunnen gebruiken.
Met vriendelijke groet,
[naam dienstdoende huisarts]”
3.6 Op 17 oktober 2023 werd per aangetekende post en e-mail, na toestemming en ondertekening door verweerder, voor zover relevant, het volgende aan klaagster medegedeeld:
”(…) Hieronder een aantal punten die belangrijk zijn voor u om te weten:
Bemiddeling
Helaas is het de Klachtenfunctionaris, mevrouw […], ondanks haar inzet, niet gelukt
om te bemiddelen tussen u en de praktijk. Uit de toenemende hoeveelheid klachten en
onvrede die u heeft geuit, en nog steeds uit, blijkt dat de situatie steeds gecompliceerder
wordt en bemiddeling niet mogelijk is.
Daarnaast is het voor de klachtenfunctionaris niet meer duidelijk wat uw hoofdklacht
precies is, gezien die verscheidenheid aan klachten die u heeft geuit. De klachtenfunctionaris
heeft getracht een bijeenkomst te organiseren om de situatie te evalueren, maar helaas
heeft u deze poging verhinderd door zelf niet te verschijnen, ondanks dat de huisarts
en zijzelf tijd in hun agenda hadden vrijgemaakt om met u te spreken.
Uw gedrag
Ten aanzien van uw gedrag kan ik u vertellen dat het ernstige karakter van herhaalde
dreigementen waaronder het dreigen om de huisarts op de praktijk op te zoeken en haar
uit haar kamer te slepen onacceptabel is. Bovendien heeft u aangegeven dat u altijd
een mes binnen een halve meter heeft liggen. Dergelijk gedrag en dergelijke uitspraken
bemoeilijken de communicatie en de relatie met de zorgverleners aanzienlijk. Het feit
dat u ook met regelmaat de spoedlijn bezet houdt, is een zorgwekkende kwestie. Dit
gedrag brengt andere patiënten in gevaar, aangezien de spoedlijn bedoeld is voor dringende
medische hulpverzoeken die onmiddellijke aandacht vereisen (…).
Dit gedrag moet dus onmiddellijk stoppen.
Wij nemen uw dreigementen zeer serieus en beschouwen uw gedrag als onacceptabel. Het
is van grootste belang dat de communicatie tussen u en zorgverleners plaatsvindt in
een veilige en respectvolle sfeer. Hier is momenteel geen sprake van. Indien dit gedrag
zich blijft voortzetten, zullen we de behandelovereenkomst met u moeten beëindigen.
Dit conform de richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’
van de KNMG. Dit betekent dat u dan niet meer patiënt bent bij huisartsenpraktijk
B (…).
Conclusie
- Bemiddeling heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.
- We zullen ons e-mailcontact met u blokkeren, u kunt alleen nog telefonisch een afspraak maken
- Uw verzoek om uw medisch dossier op te schonen wordt niet gehonoreerd, omdat het behoud van een compleet en accuraat dossier van essentieel belang is voor uw zorg.
- Als uw gedrag zich blijft voortzetten en de veiligheid of het welzijn van anderen in gevaar blijft brengen, zullen we de behandelovereenkomst met u beëindigen, in overeenstemming met de geldende regelgeving.
Dit is een laatste oproep aan u om de aangeboden zorg en hulp van onze praktijk te
accepteren (…).”
3.7 In de ochtend van 17 oktober 2023 e-mailde klaagster wederom de praktijk.
In deze
e-mail schreef zij onder andere: “vieze achterbaksen in de zorg!!”.
3.8 In een verklaring noteerden drie doktersassistentes van de praktijk kort gezegd dat klaagster op 17 oktober 2023 tussen 17.10-17.20 uur vanuit haar auto naar hen gebaren maakte toen zij nog even stonden te praten op het parkeerterrein bij de praktijk. Zij noteerden verder dat nadat zij besloten weg te rijden en alle drie in de auto stonden te wachten bij het kruispunt, klaagster nogmaals langsreed en wederom gebaren maakte, niet alleen het opsteken van haar middelvinger, maar ook met een hand langs haar keel.
3.9 Op 19 oktober 2023 stuurde klaagster een e-mail naar de praktijk waarin zij onder meer schreef: “Wat een lachertje die halfgebakken eindreactie en dingen ook nog ZO neerzetten zodat het een bedreiging lijkt? Waar is de rest van het verhaal over die mes??(…)”.
3.10 Op 23 oktober 2023 stuurde verweerder vanuit zijn naam een aangetekende brief en e-mail aan klaagster over het beëindigen van de behandelingsovereenkomst. In de brief staat dat de behandelingsovereenkomst per 6 november 2023 zal worden beëindigd. Verder vermeldt de brief, voor zover relevant, het volgende:
“(…)Hierbij schrijf ik u met betrekking tot onze behandelovereenkomst en de recente
gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in relatie tot uw gedrag jegens onze medewerkers
en de praktijk.
Zoals u weet, hebben we u op 17 oktober jl. een schriftelijke waarschuwing gestuurd
met betrekking tot uw gedrag jegens onze medewerkers en de praktijk. Deze brief is
bedoeld om te bevestigen dat ondanks onze waarschuwing, uw gedrag zich heeft voortgezet
en niet is verbeterd.
De aanhoudende agressieve houding, waaronder het opsteken van de middenvinger en
het maken van bedreigende gebaren zoals hand langs de keel, heeft onze medewerkers
blootgesteld aan onaanvaardbare spanning en onveiligheid. Het steeds overmatig bellen,
e-mailen en de intimiderende acties blijven de werkomgeving verstoren en hebben de
behandelrelatie verder ondermijnd.
We vinden het heel spijtig, maar we moeten de veiligheid en het welzijn van onze medewerkers
en patiënten beschermen(…).
We hebben de nodige inspanningen geleverd om een alternatieve huisartsenpraktijk voor
u te vinden. Huisartsenpraktijk [naam, gevestigd aan de …], is momenteel open voor
nieuwe inschrijvingen. Dit kan een geschikte optie zijn om uw medische zorg aldaar
voort te zetten. We hebben ook contact opgenomen met Huisartsengroepspraktijk [naam],
maar zij nemen helaas op dit moment geen nieuwe patiënten aan. We raden u ten zeerste
aan om contact op te nemen met Huisartsenpraktijk [naam] om uw inschrijving te regelen.
Het staat u uiteraard vrij om op zoek te gaan naar een huisarts van eigen keuze. (…)”
3.11 Op 27 oktober 2023 deed klaagster schriftelijk een verzoek tot vernietiging van haar
medisch dossier. Het vernietigingsverzoek werd door de praktijk in behandeling genomen en het dossier van klaagster werd vernietigd. Diezelfde dag e-mailde klaagster de praktijk meerdere keren en belde zij 20-30 keer naar de praktijk. In haar e-mails schreef zij onder andere: “Jullie weten HÉÉL goed waar jullie mee bezig zijn, hoe jullie patiënten BLIJVEN Verneuken! Wil EEN KEER EERLIJKE ANTWOORDEN NU NA MAANDEN! Jullie zorgen ZELF voor dat het steeds verder uit de hand loopt met jullie vieze achterbakse leugens en spelletjes!”. Van de telefoongesprekken noteerden de medewerkers dat klaagster onder andere uitspraken deed als: “bel de politie dan mongooltje”, “je woont dichtbij he” en “tot 17.00 uur!!”.
3.12 Op 30 oktober 2023 had klaagster een afspraak op het spreekuur bij een
dienstdoende huisarts van de praktijk. Klaagster is op deze afspraak niet verschenen. Klaagster belde diezelfde dag ongeveer 55 keer naar de praktijk. Van de telefoongesprekken noteerden medewerkers dat klaagster onder andere uitspraken deed als: “stelletje mongolen, achterbaksen, ga de politie maar weer bellen”, “waar blijf je” en “tot zo ik sta op parkeerplaats”.
3.13 Ook in november en december 2023 nam klaagster, vaak meerdere keren op
een dag, telefonisch of per e-mail, contact op met de praktijk waarin zij onder andere verzocht om alle gegevens van haar te verwijderen en (medewerkers) (uit)schold.
3.14 Vanaf eind oktober 2023 tot en met januari 2024 nam verweerder tweewekelijks
digitaal deel aan een intern overleg over de casus met medewerkers van de praktijk,
bestaande uit enkele huisartsen, de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg,
de regiomanager en de praktijkmanager om het personeel van de praktijk te ondersteunen.
3.15 Op 16 november 2023 was verweerder aanwezig bij de bespreking van de casus
met een externe werkgroep, waaronder medewerkers van de GGD, de openbare geestelijke
gezondheidszorg (bemoeizorg), de gemeente en de politie.
3.16 Op 4 januari 2024 heeft een coördinator van de openbare geestelijke gezondheidszorg
namens klaagster telefonisch contact gehad met de praktijk(assistente). De assistente
e-mailde dezelfde dag aan de praktijkmanager dat de coördinator had aangegeven dat
het niet goed ging met klaagster, dat zij zou lijden, een huisarts nodig had en dat
de doktersdienst en spoedeisende hulp naar de praktijk verwezen. Klaagster had zich
proberen in te schrijven bij de door verweerder genoemde andere praktijken, maar die
namen geen nieuwe patiënten aan of wensten haar niet aan te nemen. De praktijkmanager
stuurde de
e-mail van de praktijk(assistente) op 4 januari 2024 door naar verweerder. Verweerder
reageerde per e-mail op 7 januari 2024. Verweerder liet in deze e-mail aan de praktijkmanager
weten dat niet moest worden teruggekomen op de beslissing klaagster uit te schrijven.
Verweerder schreef in zijn e-mail aan de praktijkmanager dat de praktijkmanager er
wel bij de door hem in de brief van 23 oktober 2023 voorgestelde huisartsenpraktijken
op zou kunnen aandringen om klaagster toe te laten. Verweerder sloot zijn e-mail af
met: “Ik hoor graag als verder overleg nodig is”.
- De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder onvoldoende (opvolgen van) zorg nadat de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de praktijk was beëindigd.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
- De overwegingen van het college
Tuchtnormen
5.1 Allereerst moet worden beoordeeld welke tuchtnorm van toepassing is. De eerste tuchtnorm betreft het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar behoort te verlenen (artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG)). De tweede tuchtnorm omvat “enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet BIG). Het handelen van beroepsbeoefenaren in een leidinggevende functie kan op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, als dit handelen een weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de beroepsbeoefenaar zich met zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort.
5.2 Overwogen wordt dat het verweten handelen niet onder de eerste tuchtnorm valt. Verweerder is namelijk niet inhoudelijk bij de aan klaagster verleende zorg betrokken geweest. Verweerder heeft in zijn hoedanigheid als medisch directeur de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de praktijk opgezegd en op grond van het protocol ‘agressie en ongewenst gedrag’ van de praktijk diende verweerder daarbij betrokken te worden. De klacht gaat over het waarborgen van (opvolgende) zorg bij/na beëindiging van de behandelingsovereenkomst en gaat daarmee over handelen dat weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Verweerder heeft zich met zijn handelen bij de beëindiging van de behandelingsovereenkomst ook begeven op het deskundigheidsgebied van een (huis)arts. Dit betekent dat het college het handelen van verweerder zal beoordelen onder de tweede tuchtnorm.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of verweerder heeft gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar
betaamt. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. In dit geval gaat
het om handelen als leidinggevende/bestuurder en moet daarnaast rekening worden gehouden
met de discretionaire ruimte (beleidsvrijheid) van een leidinggevende/bestuurder.
5.4 Tussen klaagster en de praktijk is een geneeskundige behandelingsovereenkomst
tot stand gekomen. Een dergelijke overeenkomst kan niet worden opgezegd, tenzij er
sprake is van gewichtige redenen (artikel 7:460 Burgerlijk Wetboek). De Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst heeft in de richtlijn ‘Niet-aangaan
of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ van januari 2021 (verder:
de KNMG-richtlijn) opgenomen onder welke voorwaarden (gewichtige redenen) de behandelingsovereenkomst
eenzijdig kan worden beëindigd. Dit kan het geval zijn wanneer een patiënt zeer onheus
of agressief gedrag vertoont. Daarbij moet worden voldaan aan de volgende zorgvuldigheidseisen:
a)de patiënt herhaaldelijk waarschuwen en onderzoeken of herstel van de relatie
mogelijk is;
b)de patiënt tijdig mondeling informeren over zijn besluit en dit besluit schriftelijk
bevestigen;
c)een redelijke termijn aanhouden voordat hij de overeenkomst daadwerkelijk beëindigt;
d)noodzakelijke hulp blijven verlenen of laten verlenen, tot de patiënt een andere
behandelaar heeft gevonden;
e)medewerking verlenen om na de beëindiging elders zorg te ontvangen.
De beoordeling van de klacht
5.5 Ter zitting is door de gemachtigde van klaagster bevestigt dat de klacht
van klaagster ziet op de opvolging van zorg nadat de behandelingsovereenkomst met
de praktijk was beëindigd per 6 november 2023. Het college zal daarom bij de beoordeling
van het handelen van verweerder de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen d) en e)
in aanmerking nemen.
5.6 Uit de door verweerder opgestelde en ondertekende beëindigingsbrief van 23
oktober 2023, blijkt dat de praktijk zich heeft ingespannen om een alternatieve huisartsenpraktijk
voor klaagster te vinden. Er stond op dat moment één huisartsenpraktijk in de regio
open voor nieuwe inschrijvingen en aan klaagster werd aangeraden om met de betreffende
huisartsenpraktijk contact op te nemen om zich in te schrijven als nieuwe patiënt.
Ook volgt uit de brief dat er contact is opgenomen met een tweede huisartsenpraktijk,
maar dat die geen nieuwe patiënten aannam. Er was dus een beschikbaar alternatief.
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de praktijkmanager, nog voordat de beëindigingsbrief
aan klaagster werd verstuurd, telefonisch contact had met de huisartsenpraktijk die
openstond voor nieuwe patiënten, waarbij de praktijkmanager ook zelf met verweerder
had gesproken. Deze praktijk had daarop aangegeven dat zij klaagster als nieuwe patiënt
over wilden nemen. Verweerder verkeerde hierdoor in de veronderstelling dat de zorg
aan klaagster veilig was gesteld en dat de continuïteit van zorg was gewaarborgd.
Het college is van oordeel dat de overdracht op deze wijze onder de gegeven omstandigheden
kan worden beschouwd als ‘voldoende medewerking verlenen om na de beëindiging elders
zorg te ontvangen’, zoals omschreven onder e. in de zorgvuldigheidseisen
genoemd in de KNMG-Richtlijn. Hoewel het beter was geweest als verweerder zich op
de hoogte had laten stellen van het vervolg, mocht hij ervan uitgaan dat de situatie
zoals beschreven in de brief van 23 oktober 2023 zich zou verwezenlijken, behoudens
tegenbericht.
5.7 Zoals blijkt onder overweging 3.14 en 3.15, bleef verweerder in de periode nadat de behandelingsovereenkomst was beëindigd bij de casus van klaagster betrokken. In de dupliek en ter zitting is door verweerder aangevoerd dat hij vanaf medio november 2023 meer op de achtergrond aanwezig was en zijn betrokkenheid bij de praktijk vooral gericht was op organisatorische en personele zaken. Vanwege de complexe situatie die was ontstaan door het gedrag van klaagster dat zich bleef herhalen in het najaar van 2023, dreigden er (meer) medewerkers uit te vallen en stond de praktijk op omvallen. Daarmee werd de continuïteit van zorg voor de vele patiënten in de regio bedreigd, aldus verweerder. Deze lezing van verweerder wordt bevestigd door de algemeen directeur in een door verweerder overgelegde schriftelijke verklaring van 17 november 2025. In deze verklaring staat onder meer dat medewerkers van de praktijk zich extreem onveilig voelden waardoor er beveiliging moest worden ingezet en er ambulante noodknoppen beschikbaar werden gesteld. Na het externe overleg op 16 november 2023 veranderde de betrokkenheid van verweerder geleidelijk meer naar een rol op de achtergrond vanwege de bedreigde continuïteit van zorg voor de totale patiëntenpopulatie. Omdat knelpunten toen meer op het operationele vlak lagen nam de algemeen directeur de rol op de voorgrond over. Verweerder benadrukt dat de overleggen waar hij wel bij aanwezig is geweest niet gingen over de vraag of klaagster wel of niet beschikte over huisartsenzorg. De gesprekken gingen volgens verweerder over de dreiging die van klaagster uitging, het effect daarvan op de praktijk en eventuele mogelijkheden van het verlenen van verplichte zorg aan klaagster.
5.8 Op 4 januari 2024 ontving verweerder een e-mail van de praktijkmanager waaruit blijkt dat klaagster zich tot de praktijk had gewend met het verzoek om huisartsenzorg te verlenen. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder eerder dan 4 januari 2024 wist dat klaagster geen huisartsenzorg had. Dat betekent dat ook niet kan worden vastgesteld dat hem in tuchtrechtelijke zin kan worden verweten dat hij tot dat moment in de veronderstelling verkeerde dat klaagster huisartsenzorg ontving van een andere huisartsenpraktijk, zoals voorgesteld in de beëindigingsbrief. In reactie op de e-mail van 4 januari 2024 heeft verweerder per e-mail van 7 januari 2024 geadviseerd om er bij de twee genoemde huisartsenpraktijken op aan te dringen om klaagster als patiënte op te nemen. Verweerder sloot zijn e-mail af met de woorden: “Hoor graag als er verder overleg nodig is”.
5.9 Het college overweegt dat verweerder met zijn reactie op 7 januari 2024 heeft besloten dat ondanks de omstandigheid dat klaagster (toch) niet bleek te beschikken over huisartsenzorg, de praktijk geen (overbruggings)zorg zou gaan verlenen aan klaagster. Hij heeft verder volstaan met het advies bij de omliggende huisartsenpraktijken aan te dringen op het aannemen van klaagster als patiënt. Gelet op de ontstane situatie is het college van oordeel dat verweerder in zijn positie als bestuurder kon besluiten dat de praktijk niet opnieuw huisartsenzorg zou verlenen aan patiënte. Hierbij is van belang dat uit de stukken in het dossier afdoende blijkt dat het gedrag van patiënte richting (medewerkers van) de praktijk zeer bedreigend was. Het college acht de overweging van verweerder dat het opnieuw verlenen van zorg aan patiënte zou kunnen leiden tot een (verdere) ontwrichting van de praktijk en de continuïteit van zorg voor de overige patiëntenpopulatie zou bedreigen, navolgbaar. Het college is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
5.10 Het is te betreuren dat klaagster niet meer bij de praktijk terecht kon, maar dit kon gelet op de concrete omstandigheden in dit geval in redelijkheid niet meer van de praktijk worden gevergd en maakt niet dat verweerder verweten kan worden dat hij de continuïteit van zorg voor klaagster onvoldoende heeft gewaarborgd. Verweerder mocht dan ook inzetten op het vinden van een andere huisartsenpraktijk waar klaagster terecht zou kunnen. Het advies aan de praktijkmanager contact op te nemen met de huisartsenpraktijken in de omgeving was ook adequaat. De praktijkmanager zal namelijk in het algemeen meer bekend zijn met de huisartsenpraktijken in de omgeving dan verweerder als bestuurder op afstand. Het college meent hierin wel dat het beter was geweest als verweerder meer regie had genomen in het opvolgen van de e-mail van 7 januari 2024. Verweerder heeft ter zitting zelf ook aangegeven dat het op dit punt beter had gekund. Een en ander is echter onvoldoende voor het oordeel dat het handelen van verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.
Publicatie
5.12 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners en/of zorginstellingen mogelijk iets
kunnen leren van wat hiervoor over het beëindigen van de behandelingsovereenkomst
is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere
tot personen of instanties herleidbare gegevens.
- De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door Th.A. Wiersma, voorzitter, H.B.C. van der Meer, lid-jurist,
R.M. Oosterhout, A.D.J. van Empel en M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door J.E.A. van Dooren-Gerding, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op
19 december 2025 .
secretaris voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.