ECLI:NL:TGZCTG:2026:172 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2981
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:172 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2981 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een internist-nefroloog. Klaagster klaagt over de behandeling van haar moeder, die vanaf 2017 bij de internist-nefroloog in behandeling is geweest en in 2024 is overleden. Klaagster verwijt de internist-nefroloog onder meer dat zij zonder medeweten van de patiënte na haar ontslag uit het ziekenhuis afspraken heeft gemaakt over haar medische behandeling en heeft geweigerd de patiënte naar een andere internist-nefroloog te verwijzen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Dat college overweegt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om te twijfelen dat klaagster met de indiening van de klacht de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2981 van:
A.,
wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. W. van Egmond, werkzaam in Amsterdam,
tegen
C.,
internist-nefroloog,
werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de internist-nefroloog,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster klaagt over de behandeling van haar moeder, mevrouw D. (hierna:
de patiënte), die bij de internist-nefroloog in behandeling is geweest. De internist-nefroloog
was sinds 2017 betrokken bij de behandeling van de patiënte. Op 31 mei 2024 is de
patiënte overleden. Klaagster verwijt de internist-nefroloog dat zij zonder medeweten
van de patiënte na haar ontslag uit het ziekenhuis afspraken heeft gemaakt over haar
medische behandeling. Daarbij heeft zij onjuistheden genoteerd en geweigerd de patiënte
naar een andere internist-nefroloog te verwijzen.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft klaagster in haar klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Dat college heeft daartoe overwogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om te twijfelen dat klaagster met de indiening van de klacht de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam van 1 augustus 2025 met nummer A2024/7578 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:188). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, de e-mail van klaagster van 12 september 2025 (19:47 uur), het beroepschrift van de gemachtigde van klaagster, de aanvullende gronden van het beroep van de gemachtigde van klaagster van 13 september 2025, het verweerschrift, het aanvullend verweerschrift en een door klaagster overgelegde geluidsopname met transcriptie.
2.3 De zaak is op de zitting van 15 juni 2026 gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak C2025/2940 tussen klaagster en een cardioloog. Klaagster en de internist-nefroloog zijn beiden verschenen. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. W. van Egmond, de internist-nefroloog werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. D. Benamari. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat net als het Regionaal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten. Deze feiten zijn in beroep niet betwist.
3.2 De patiënte, geboren in 1940, was sinds 2017 in behandeling bij het E. waar de internist-nefroloog als zodanig werkzaam is. De patiënte was de Nederlandse taal niet machtig. De internist-nefroloog spreekt de moedertaal van de patiënte en kon dus in haar eigen taal met haar communiceren. Desondanks bezocht de patiënte altijd het spreekuur met één of twee van haar dochters, niet zijnde klaagster. Dochter F. was geregistreerd als de eerste contactpersoon. De internist-nefroloog communiceerde ook met de patiënte via F.
3.3 Eind 2023 heeft de internist-nefroloog een opname voorgesteld in verband met een algehele achteruitgang van de gezondheid van de patiënte. De patiënte wees dit af. Op 26 januari 2024 heeft de patiënte, in verband met nieuwe klachten, op verzoek van de internist-nefroloog de spoedeisende hulp bezocht. Zij is toen op de afdeling cardiologie opgenomen. In de periode van januari tot en met maart 2024 is de patiënte driemaal opgenomen op de afdeling cardiologie.
3.4 Tijdens de derde opname in het ziekenhuis heeft de cardioloog in verband met de conclusie dat sprake was van eindstadium hart- en nierfalen meermalen met de patiënte en haar familie een no return-beleid besproken. Dat wil zeggen dat de patiënte niet opnieuw zou worden opgenomen als zij weer zou decompenseren en dat de zorg voor de patiënte aan de huisarts werd overgedragen. Toen is in het ziekenhuis ook een geestelijk verzorger bij de patiënte en haar familie langs geweest, om met haar over de ontstane situatie te spreken en haar te ondersteunen.
3.5 Op 12 april 2024 heeft de patiënte samen met klaagster een cardioloog in een ander ziekenhuis gezien, voor een second opinion. Deze concludeerde onder meer dat sprake was van een opvallende verbetering van de gezondheidssituatie ten opzichte van recente opnames en dat de nierfunctie fors was verbeterd. De internist-nefroloog was niet op de hoogte van deze second opinion door een cardioloog.
3.6 Na de derde opname heeft de internist-nefroloog een consult op 15 april 2024 gepland omdat de nierfunctie van de patiënte zo gedaald was dat sprake was van eindstadium nierfalen. Op dat consult verschenen voornoemde dochters van de patiënte, niet zijnde klaagster. Patiënte zelf was volgens deze dochters niet in staat naar het ziekenhuis te komen. In het gesprek met die twee dochters is in het kader van advance care planning ter sprake gekomen dat een intensieve dialysebehandeling bij een patiënte met dermate ernstig hartfalen die te zwak is om naar de poli te komen, geen behandeloptie is. De dochters begrepen dit en zouden het thuis bespreken. De internist-nefroloog, die de taal van de patiënte en haar familie spreekt en de culturele achtergrond van de patiënte kent, heeft specifiek gevraagd naar de reactie van de patiënte en haar familie op de hele situatie. De dochters gaven aan dat zij en de patiënte de sombere prognose en het no-return beleid van de cardioloog begrepen.
3.7 Na dit gesprek heeft de internist-nefroloog overleg gevoerd met verschillende collega’s over haar advies om van dialyse af te zien. Ook heeft zij met de dienstdoende cardioloog de casus besproken. Allen waren het eens met haar advies. Vervolgens heeft de internist-nefroloog een terugkoppeling aan de huisarts gegeven.
3.8 Op 19 april 2024 ontving de internist-nefroloog een e-mail van een internist-nefroloog van het G. dat de patiënte niet kon accepteren dat ze niet mocht dialyseren en een second-opinion wilde. De internist-nefroloog nam contact op met F., die daarvan niet op de hoogte was. Later bleek dat het verzoek om een second-opinion van een andere dochter – klaagster – afkomstig was. F. vond het vreemd dat de huisarts dit verzoek had ingewilligd; die andere dochter was immers niet de eerste contactpersoon. De internist-nefroloog heeft de patiënte en haar familie uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.
3.9 Op 23 april 2024 ontving de internist-nefroloog een e-mail van dezelfde internist-nefroloog van het G., waarbij deze een e-mail, afkomstig van de patiënte, doorstuurde. Hierin werd benoemd dat gegevens uit het E. zonder toestemming waren verstuurd door specialisten waar zij niet in behandeling was. Zij verzocht de afspraak voor een second-opinion op 6 juni 2024 te herstellen.
3.10 De internist-nefroloog heeft gereageerd naar het G. en gezegd dat deze mail niet van de patiënte afkomstig kon zijn, omdat zij de Nederlandse taal niet sprak of schreef, en dat de eerste contactpersoon en andere familie niet met het verzoek om een second-opinion instemden.
3.11 De patiënte meldde zich op 15 mei 2024 in gezelschap van klaagster op de SEH van het OLVG in verband met symptomen van hartfalen. Daar werd haar door de cardioloog uitgelegd dat men mee ging in het no return-beleid van het E. De patiënte werd daarom toen wel ter plekke behandeld, maar niet opgenomen.
3.12 De patiënte verscheen vervolgens niet op een geplande afspraak met de internist-nefroloog op 27 mei 2024. Telefonische navraag bij F. leerde dat de patiënte niet lekker was en de afspraak wilde verzetten.
3.13 Op 28 mei 2024 werd de internist-nefroloog gebeld door een cardioloog uit
het G. die meedeelde dat de patiënte was opgenomen vanwege hartfalen. In de dagen
erna is de internist-nefroloog op de hoogte gehouden door F. Zij kreeg op 31 mei 2024
het bericht dat de patiënte was overleden. Zij heeft de familie een nazorggesprek
aangeboden. Dit heeft op 28 juni 2024 plaatsgevonden, met F. en met een zoon van de
patiënte.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de internist-nefroloog dat:
a) zij zonder medeweten van de patiënte afspraken heeft gemaakt over haar medische
behandeling, terwijl de patiënte na haar ontslag op 29 maart 2024 niet meer is behandeld;
b) zij onjuistheden heeft opgeschreven en haar informatie niet overeenstemt
met die van de cardioloog op 12 april 2024;
c) zij de patiënte niet wilde doorverwijzen.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege haar alsnog in de klacht ontvankelijk te verklaren en de zaak terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege voor een inhoudelijke behandeling dan wel de zaak zelf inhoudelijk af te doen.
4.3 De internist-nefroloog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege primair om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep. Subsidiair verzoekt zij het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen.
De ontvankelijkheid in het beroep
4.4 De internist-nefroloog betoogt onder meer dat binnen de beroepstermijn geen
beroepschrift is ingediend dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat klaagster
in het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege op vrijdag 1 augustus 2025 is verzonden en dat klaagster dus tot en met vrijdag 12 september 2025 de gelegenheid had om schriftelijk beroep in te stellen. Klaagster heeft bij e-mail van 12 september 2025 aan het Regionaal Tuchtcollege schriftelijk medegedeeld dat beroep zal worden ingesteld tegen de beslissing van dat college van 1 augustus 2025, onder vermelding van het zaaknummer. Uit dit e-mailbericht blijkt duidelijk dat klaagster het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en dat zij deze beslissing in beroep ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege wil voorleggen. Dit e-mailbericht kan worden aangemerkt als een tijdig ingediend inleidend beroepschrift. Dit inleidend beroepschrift is onvolledig en voldoet niet aan de eisen van artikel 19 van het Tuchtrechtbesluit BIG. Het Centraal Tuchtcollege acht dit verzuim echter – in lijn met artikel 21 van het Tuchtrechtbesluit BIG – hersteld met de indiening door de gemachtigde van klaagster van een tweede beroepschrift op 13 september 2025 en een op verzoek van het Centraal Tuchtcollege door dezelfde gemachtigde op 19 januari 2026 ingediende aanvulling daarop. Het Centraal Tuchtcollege ziet in hetgeen de internist-nefroloog naar voren heeft gebracht dan ook geen aanleiding om klaagster in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het feit dat de 12 en 13 september 2025 per e-mail ingediende beroepschriften niet meteen daarna in origineel per gewone post zijn nagezonden, leidt niet tot een ander oordeel. De internist-nefroloog is hierdoor niet in haar belangen geschaad.
4.6 De conclusie is dat klaagster ontvankelijk is in het beroep.
De ontvankelijkheid van klaagster in de klacht
4.7 De klacht van klaagster gaat over de behandeling van haar in 2024 overleden
moeder (de patiënte).
4.8 Klaagster heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij – net als haar zusters – nauw betrokken was bij de zorg voor de patiënte en dat zij met instemming van de patiënte de klacht heeft ingediend. Zij stelt ook dat zij ook met de internist-nefroloog over de behandeling van de patiënte contact heeft gehad. De klacht is in lijn met het feit dat de patiënte zich eind mei 2024 samen met klaagster meldde bij de SEH van het OLVG, aldus klaagster. Klaagster betwist dan ook dat zij met de indiening van de klacht niet de wil van de patiënte vertegenwoordigt.
4.9 Een tuchtklacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende (artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, Wet BIG). Bij een rechtstreeks belanghebbende moet in de eerste plaats worden gedacht aan de patiënt zelf. Na overlijden kunnen de nabestaanden van de patiënt klachtgerechtigd zijn, maar dit recht berust niet op een eigen klachtrecht van de naaste betrekking, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van de patiënt. Met het indienen van een klacht door een nabestaande wordt ook deze geacht de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen, behoudens het geval dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen.
4.10 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is in dit geval sprake van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden. De internist-nefroloog is vanaf 2017 tot aan het overlijden van de patiënte in 2024 bij de zorg en de behandeling van de patiënte betrokken geweest. De patiënte werd op het spreekuur steeds door twee andere dochters dan klaagster vergezeld. Een van deze andere dochters was ook de eerste contactpersoon van de patiënte. De stelling van klaagster dat deze dochter als werknemer van het E. op een oneigenlijke manier zichzelf in het systeem als eerste contactpersoon heeft geregistreerd is niet onderbouwd. In ieder geval is niet gebleken dat de patiënte het er niet mee eens was dat deze dochter als eerste contactpersoon optrad. De internist-nefroloog heeft in de spreekuren steeds in de eigen taal van de patiënte met haar kunnen communiceren. Zij heeft op de zitting verteld dat zij daarom ook zelf heeft kunnen vaststellen dat, wanneer de dochters soms tijdens een spreekuur haar woorden of uitleg aan de patiënte probeerden te verduidelijken, zij dit op een correcte wijze deden en zaken niet omfloerst brachten of weglieten. Zij had daarom vertrouwen in de communicatie tussen de patiënte en de twee dochters. Volgens de internist-nefroloog heeft zij nooit contact gehad met klaagster over de behandeling van de patiënte.
4.11 In de gesprekken met de cardioloog tijdens de opname in maart 2024 is het no return-beleid met de patiënte en haar familie besproken en is afgesproken dat de zorg voor de patiënte aan de huisarts zou worden overgedragen. De geestelijk verzorger is daarna bij haar geweest om in de ontstane situatie steun te verlenen. Er waren toen geen signalen dat de patiënte het met het beleid niet eens was en dit niet accepteerde. Vervolgens heeft de internist-nefroloog op 15 april 2024 met de twee andere dochters van de patiënte het advance care gesprek gevoerd, waarbij is besproken dat de patiënte te zijner tijd niet zou worden gedialyseerd. Ook na dit gesprek zijn er geen signalen geweest dat de patiënte hier niet mee instemde.
4.12 Deze bijzondere omstandigheden zijn voor het Centraal Tuchtcollege reden om te twijfelen dat klaagster met haar klacht de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt. Dat de patiënte zich eind mei 2024 bij de SEH heeft gemeld is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat zij van mening was veranderd. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld die tot een andere slotsom moeten leiden, kan klaagster in deze procedure niet namens haar moeder klagen.
Conclusie
4.13 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege klaagster terecht in de klacht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter,
B.J.M. Frederiks en T. Dompeling, leden-juristen, en E.J.F.M. de Kruijf en R.H.H.
Bemelmans, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.