ECLI:NL:TGZRAMS:2025:188 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7578
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:188 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-08-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7578 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klacht tegen internist omdat moet worden getwijfeld aan het uitgangspunt dat klaagster de wil van patiënte vertegenwoordigt. |
A2024/7578
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 1 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
gemachtigde: mr. W. van Egmond, werkzaam in Amsterdam,
tegen
C,
internist-nefroloog,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de internist-nefroloog, gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam
te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster klaagt namens haar moeder, mevrouw D (hierna: de patiënte), die
in behandeling bij
de internist-nefroloog is geweest. De internist-nefroloog was sinds 2017 betrokken
bij de
behandeling van de patiënte. Op 31 mei 2024 is de patiënte overleden. Klaagster
verwijt de
internist-nefroloog dat zij zonder medeweten van de patiënte na haar ontslag uit
het ziekenhuis
afspraken heeft gemaakt over haar medische behandeling. Daarbij heeft zij onjuistheden
genoteerd en
geweigerd de patiënte door te verwijzen naar een andere internist-nefroloog.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is.
‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de
klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe
de procedure is
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 september 2024;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de reactie van de gemachtigde van klaagster op het niet-ontvankelijkheidsverweer
van
verweerster;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 maart 2025;
- aanvullende stukken van de zijde van klaagster;
- de reactie op de aanvullende stukken door de gemachtigde van de internist-nefroloog,
binnengekomen op 17 april 2025.
2.2 Het college heeft van de internist-nefroloog de beschikking gekregen over medische
stukken
betreffende de patiënte. Daarbij is de voorzitter van het tuchtcollege verzocht
in het belang van
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de overledene te bepalen dat
het kennisnemen van
deze stukken niet zou worden toegestaan aan klaagster persoonlijk (op basis van
artikel 67 lid 3
Wet BIG). De voorzitter heeft dit verzoek gehonoreerd. In verband daarmee zullen
in deze uitspraak
geen medische details vermeld worden die niet al uit een andere bron dan uit de
voor klaagster
kenbare processtukken bekend zijn geworden.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De patiënte was sinds 2017 in behandeling bij het E waar de internist-nefroloog
werkzaam is.
Hoewel de internist-nefroloog met de patiënte in haar moedertaal kon communiceren
was er, omdat de
patiënte de Nederlandse taal niet machtig was, bij alle contacten in ieder geval
één dochter
aanwezig. Haar dochter mevrouw F (hierna: F) was geregistreerd als de eerste contactpersoon.
De
internist-nefroloog communiceerde regelmatig met F.
3.2 Eind 2023 heeft de internist-nefroloog een opname voorgesteld in verband met
een algehele
achteruitgang van de gezondheid van de patiënte. De patiënte wees dit af. Op 26
januari 2024 heeft
de patiënte, in verband met nieuwe klachten, op verzoek van de internist- nefroloog
de spoedeisende
hulp bezocht. Daar is zij op de afdeling cardiologie opgenomen. In de periode van
januari tot en
met maart 2024 is de patiënte driemaal opgenomen op de afdeling cardiologie.
3.3 Na de derde opname heeft de internist-nefroloog een consult op 15 april 2024
gepland omdat de
nierfunctie van de patiënte zó gedaald was dat sprake was van eindstadium nierfalen.
Op dat consult
verschenen twee dochters van de patiënte, niet zijnde klaagster. Patiënte zelf was
niet in staat
naar het ziekenhuis te komen. In het gesprek met die twee dochters is in het kader
van advance care
planning ter sprake gekomen dat een intensieve dialyse behandeling bij het ernstige
hartfalen bij
een patiënte die te zwak is op de poli te komen, geen behandeloptie is. De dochters
begrepen dit en
zouden het thuis bespreken. De internist-nefroloog, die de taal van de patiënte
en haar familie
spreekt en de culturele achtergrond van de patiënte kent, heeft specifiek gevraagd
naar de reactie
van de patiënte en haar familie op de hele situatie.
3.4 Na dit gesprek heeft de internist-nefroloog overleg gevoerd met verschillende
collega’s over
haar advies om van dialyse af te zien. Ook heeft zij met de dienstdoende cardioloog
de casus besproken. Allen deelden haar advies. Vervolgens heeft de internist- nefroloog een
terugkoppeling aan de huisarts gegeven.
3.5 Op 19 april 2024 ontving de internist-nefroloog een email van het G dat de patiënte
niet kon
accepteren dat ze niet mocht dialyseren en een second-opinion wilde. De internist-
nefroloog nam
contact op met F, die van niets wist. Later bleek dat het verzoek om een second-opinion
van een
andere dochter afkomstig was. F vond het vreemd dat de huisarts dit verzoek had
ingewilligd; die
andere dochter was immers niet de eerste contactpersoon. De internist-nefroloog
heeft patiënte en
haar familie uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.
3.6 Op 23 april 2024 ontving de internist-nefroloog een email van het G waarin de
collega
internist een email, afkomstig van de patiënte doorstuurt. Hierin wordt benoemd
dat gegevens uit
het E zonder toestemming worden verstuurd door specialisten waar zij niet in behandeling
is. Zij
verzoekt de afspraak voor een second-opinion op 6 juni 2024 te herstellen.
3.7 De internist-nefroloog heeft gereageerd naar het G en gezegd dat deze mail niet
van de
patiënte afkomstig kan zijn, omdat zij analfabeet is en dat de eerste contactpersoon
en andere
familie niet met het verzoek om een second-opinion instemmen.
3.8 Op een geplande afspraak met de internist-nefroloog op 27 mei 2024 verscheen
de patiënte
niet. Telefonische navraag bij F leerde dat de patiënte niet lekker was en de afspraak
wilde
verzetten.
3.9 Op 28 mei 2024 werd de internist-nefroloog gebeld door een cardioloog uit het
G die meedeelde
dat de patiënte was opgenomen op de spoedeisende hulp vanwege hartfalen. In de dagen
erna is de
internist-nefroloog op de hoogte gehouden door F en zij kreeg op 31 mei 2024 het
bericht dat de
patiënte was overleden. Zij heeft de familie een nazorggesprek aangeboden maar daar
had de familie
geen behoefte aan.
4. De klacht en de reactie van de internist-nefroloog
4.1 Klaagster verwijt de internist-nefroloog dat zij:
a) zonder medeweten van de patiënte afspraken heeft gemaakt over haar medische behandeling,
terwijl
de patiënte na haar ontslag op 29 maart 2024 niet meer is behandeld;
b) onjuistheden heeft opgeschreven en haar informatie niet overeenstemt met die
van de cardioloog
op 12 april 2024;
c) de patiënte niet wilde doorverwijzen.
4.2 De internist-nefroloog heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk
te verklaren en
de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft de internist-nefroloog het college verzocht de klacht (kennelijk)
ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De internist-nefroloog heeft primair verzocht klaagster niet-ontvankelijk
te verklaren, omdat
niet gebleken is dat patiënte wilsonbekwaam was en dat zij bij leven geen klacht
heeft willen
indienen tegen de internist-nefroloog. Ook is niet gebleken dat patiënte heeft ingestemd
met het
indienen van de klacht danwel een volmacht aan klaagster heeft verstrekt. Daarbij
komt dat
klaagster niet de eerste contactpersoon was en de zussen en broer van klaagster
de klacht kennelijk
ook niet ondersteunen. De internist-nefroloog had tot deze klacht nooit contact
gehad met
klaagster. De internist-nefroloog heeft bij de familieleden met wie zij contact
had nooit een teken
van onvrede over de behandeling bij de patiënte of haar familie gesignaleerd.
5.2 Klaagster heeft tegen het niet-ontvankelijkheidsverweer gesteld dat zij op verzoek
en met
instemming van patiënte de klacht heeft ingediend. Zij had een nauwe en betrokken
rol bij de
verzorging en begeleiding van de patiënte. Dat haar zus eerste contactpersoon was,
was niet in
overeenstemming met de wens van de patiënte en komt omdat zij zichzelf als zodanig
heeft
geregistreerd. Dit kon zij doen omdat zij in het E werkte.
5.3 Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van klaagster geldt als uitgangspunt
dat het recht
van een nabestaande om een klacht in te dienen ten aanzien van de behandeling van
een overleden
familielid is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van het overleden
familielid. In
beginsel geldt dat de nabestaande geacht wordt de wil van de overleden patiënt te
vertegenwoordigen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven daaraan
te twijfelen.
Het college is van oordeel dat in dit geval van zulke bijzondere omstandigheden
sprake is. In de
eerste plaats omdat een schriftelijke wilsverklaring, een volmacht of een andere
rechtsgeldige
vertegenwoordiging is nergens uit gebleken dat de patiënte de wens had om een klacht
tegen de
internist-nefroloog in te dienen. De door klaagster overgelegde e-mail van 24 april
2024, waarvan
is betwist of deze door de patiënte is opgesteld, acht het college daarvoor onvoldoende.
Ook is
niet gebleken van ontevredenheid van de patiënte en de overige familieleden over
de behandeling en
bejegening door de internist-nefroloog.
Integendeel: uit de weergave van de behandeling door de internist-nefroloog blijkt
dat er naar
tevredenheid langdurig en betrokken contact is geweest tussen haar en (de familie
van) de patiënte.
5.4 Dat klaagster in reactie op het niet-ontvankelijkheidsverweer, nog heeft gesteld
dat de
klacht voor een belangrijk deel ziet op de wijze waarop de internist-nefroloog is
omgegaan met
klaagster als verzorgster kan deze beslissing niet anders maken. De door klaagsters
ingediende klacht ziet inhoudelijk immers op de behandeling van de patiënte en op
geen enkele wijze is onderbouwd welk klachtonderdeel op de omgang met klaagster zelf
betrekking heeft. Het ontbreken van een dergelijke onderbouwing knelt temeer nu de
internist-nefroloog zelf nooit contact heeft gehad met klaagster tot zij de thans
voorliggende klacht ontving.
5.5 Het college zal de klacht daarom niet inhoudelijk bespreken en beslissen dat
klaagster
kennelijk niet-ontvankelijk is.
5.6 Ten overvloede merkt het college op dat de klacht, zou deze inhoudelijke zijn
beoordeeld,
kennelijk ongegrond zou worden verklaard. De behandeling door de internist- nefroloog
eindigde niet
met het ontslag van de patiënte uit het ziekenhuis. Dat blijkt reeds uit het feit
dat zij op 15
april 2024 met twee dochters van de patiënte heeft gesproken omdat de patiënte onverwacht
en
onaangekondigd niet in staat bleek naar het consult te komen. Overigens lag dit
in lijn met de
voorgaande jaren waarin vragen en afspraken altijd via deze twee dochters verliepen.
De beslissing
om af te zien van dialyse was een vooruitziende maatregel in het kader van advance
care planning
omdat er geen sprake was van een dialyse-mogelijkheid. Verder heeft de internist-nefroloog
zich bij
haar brief van 15 april 2024 gebaseerd op informatie van de afdeling cardiologie
van dat moment.
Zij was niet op de hoogte van een behandeling door een andere cardioloog in een
ander ziekenhuis.
Tenslotte heeft een verzoek tot een doorverwijzing de internist-nefroloog nooit
bereikt. Nadat zij
over de second-opinion werd geïnformeerd heeft zij contact opgenomen met de eerste
contactpersoon
die haar vertelde dat de patiënte geen second-opinion wilde. Het college is dan
ook van oordeel dat
bij een inhoudelijke behandeling, alles overziend, geen aanknopingspunten te vinden
zouden zijn
voor een onzorgvuldige behandeling of bejegening.
5.7 Slotsom
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht.
6. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven op 1 augustus 2025 door A. van Maanen, voorzitter, J.W.
de Fijter en
W.J.W. Bos, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.