ECLI:NL:TGZCTG:2026:171 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2940
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:171 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2940 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een cardioloog. De klacht gaat over de behandeling van de moeder van klaagster, die inmiddels is overleden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft daartoe overwogen dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn te vinden die aannemelijk maken dat klaagster met de indiening van de klacht de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2940 van:
A.,
wonende in B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. W. van Egmond, werkzaam in Amsterdam,
tegen
C.,
cardioloog,
werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de cardioloog,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster heeft op 5 september 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
een klacht ingediend tegen de cardioloog, over de behandeling van haar moeder, die
op 31 mei 2024 is overleden. Klaagster verwijt de cardioloog dat hij haar moeder niet
heeft geïnformeerd over de beslissing om haar niet verder te behandelen en over het
no-returnbeleid. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard. Het heeft daartoe overwogen dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten
zijn te vinden die aannemelijk maken dat klaagster met de indiening van de klacht
de wil van haar overleden moeder vertegenwoordigt.
1.2 Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is in het beroep, omdat het beroepschrift te laat is ingediend. Hierna wordt uitgelegd waarom het college tot dit oordeel komt.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft op 20 augustus 2026 beroep ingesteld tegen de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam van 8 juli 2025, onder nummer A2024/7597
(ECLI:NL:TGZRAMS:2025:173). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 De cardioloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
2.3 De zaak is op de zitting van 15 juni 2026 gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld
met de zaak C2025/2981. Klaagster en de cardioloog en hun beider gemachtigden waren
hierbij aanwezig. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het
college beantwoord.
3. De ontvankelijkheid van het beroep
3.1 In artikel 73, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(hierna: Wet BIG) is de termijn voor het indienen van het beroepschrift gegeven. De
termijn is binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege. Dit is ook zo weergegeven in artikel 3, eerste lid,
van het Reglement van orde van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna:
het reglement).
3.2 In artikel 73, zevende lid, Wet BIG is bepaald dat, wanneer het beroepschrift na afloop van die termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kon worden.
3.3 Een afschrift van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van dinsdag 8 juli 2025, de beslissing waarvan klaagster in beroep is gekomen, is diezelfde dag per aangetekende post aan klaagster verstuurd. Klaagster had daarom tot en met dinsdag 19 augustus 2025 de gelegenheid om schriftelijk beroep in te stellen. De gemachtigde van klaagster heeft op woensdag 20 augustus 2025 (om 17:40 uur) per e-mail een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift is dus na afloop van de beroepstermijn, en daarmee te laat, ingediend.
3.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft de gemachtigde van klaagster op de zitting gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. De gemachtigde heeft daar naar voren gebracht dat zij op grond van de informatie op de website van de tuchtcolleges (www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl) in de veronderstelling verkeerde dat woensdag 20 augustus 2025 de laatste dag van de beroepstermijn was. De gemachtigde van klaagster ging er dan ook van uit dat het beroepschrift tijdig was ingediend. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de geringe termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, omdat zij de informatie op de website niet goed heeft begrepen en gelet op de geringe belangen die hiermee gemoeid zijn. De cardioloog verzoekt het Centraal Tuchtcollege om klaagster in verband met de overschrijding van de beroepstermijn in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
3.5 Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat de tekst van de Wet BIG
en van het reglement over de beroepstermijn duidelijk is en geen ruimte laat voor
twijfel over de laatste dag van die termijn. Onderaan de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege van 8 juli 2025 is dezelfde informatie opgenomen, namelijk dat het beroepschrift
moet zijn ontvangen binnen zes weken nadat dat college de beslissing heeft verstuurd.
Op de website van de tuchtcolleges is over de beroepstermijn opgenomen dat de termijn
van zes weken ingaat op de dag na de dag waarop het Regionaal Tuchtcollege de beslissing
heeft verstuurd. Deze informatie wijkt inhoudelijk niet af van de tekst van de Wet
BIG.
3.6 Gelet hierop, valt niet in te zien dat de onjuiste uitleg die de gemachtigde
van klaagster, die een professionele rechtshulpverlener is, aan de wettelijke regeling
van de procedure in beroep heeft gegeven, haar niet kan worden verweten. Daarmee is
niet aangetoond dat de gemachtigde van klaagster niet eerder beroep heeft kunnen instellen
dan een dag na afloop van de beroepstermijn. Deze termijnoverschrijding, die het gevolg
is van het handelen van de gemachtigde van klaagster, komt voor risico van klaagster.
In hetgeen namens klaagster naar voren is gebracht, ziet het Centraal Tuchtcollege
geen reden om de termijnoverschrijding desondanks verschoonbaar te achten. Klaagster
heeft nog een beroep gedaan op ‘geringe belangen’. Dat gaat naar het oordeel van het
Centraal Tuchtcollege niet op. Voor alle partijen in een tuchtrechtelijke zaak is
het van belang dat wettelijke termijnen omtrent indiening van klachten en het instellen
van beroep gehandhaafd worden, omdat op basis daarvan ook transparant en voorspelbaar
is wat gevolgen zijn die aan niet-inachtneming van termijnen worden verbonden.
3.7 De conclusie is dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in
haar beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het Centraal Tuchtcollege
komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
4. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter,
B.J.M. Frederiks en T. Dompeling, leden-juristen, en E.J.F.M. de Kruijf en R.H.H.
Bemelmans, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.