ECLI:NL:TGZRAMS:2025:243 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8060
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:243 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-10-2025 |
| Datum publicatie: | 14-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8060 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar, kort samengevat, niet goed heeft begeleid door onder andere een foutieve inschatting van de klachten en het weigeren van een second-opinion.Klaagster wenste een second opinion vanwege gebrek aan vertrouwen enonveiligheidsgevoelens richting de bedrijfsarts. Hoewel klaagster een klacht had over debejegening en het gedrag van de bedrijfsarts en de klachtenprocedure daarvoor deaangewezen route is, is het verzoek van klaagster dusdanig vaak herhaald dat een secondopinion mogelijk nuttig had kunnen zijn voor het herstel van het verstoorde re-integratietraject. De bedrijfsarts hield vast aan het vereiste dat een spreekuur consult moestplaatsvinden voordat een second opinion kon worden aangevraagd. Weliswaar heeft debedrijfsarts de second opinion niet expliciet geweigerd, maar door haar formele en stelligehouding heeft de bedrijfsarts het dringende verzoek van klaagster ook niet gefaciliteerd,waar dit wel van haar verwacht mocht worden. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. De klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard. Er wordt geen maatregel opgelegd. |
A2025/8060
Beslissing van 14 oktober 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 14 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C.
tegen
D,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam te Loenen.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de bedrijfsarts.
Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar, kort samengevat, niet goed heeft begeleid
door onder andere een foutieve inschatting van de klachten en het weigeren van een
second-opinion. De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna
vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college
de
beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het e-mailbericht van klaagster met de bijlagen van 15 april 2025;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van beklaagde met bijlagen van 12 mei 2025;
- het e-mailbericht van klaagster met de bijlagen van 13 mei 2025;
- het proces-verbaal van het op 10 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- het e-mailbericht van klaagster met de bijlagen van 9 augustus 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 2 september 2025. De partijen
zijn
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3 Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster werkte sinds september 2023 als pedagogisch medewerker in opleiding
bij
E. Zij werkte drie dagen per week op locatie en volgde één dag per
week onderwijs, als onderdeel van haar opleiding.
3.2 Sinds 2008 is beklaagde als zelfstandig werkzame bedrijfsarts verbonden aan E.
3.3 In januari 2024 heeft klaagster zich drie keer ziekgemeld bij haar werkgever wegens
lichamelijke klachten waardoor zij haar werkzaamheden niet meer kon verrichten.
Bij de
vierde ziekmelding met dezelfde klachten werd klaagster uitgenodigd voor het spreekuur
bij
de bedrijfsarts.
3.4 Het eerste consult tussen klaagster en de bedrijfsarts vond plaats op 2 februari
2024.
De bedrijfsarts noteerde van dit consult (citaten voor zover van belang en letterlijk
weergegeven):
‘werk:
Contract 24 u/w, 3 x 8 /w werkzaam zijn als PM, daarnaast PM-opl, dwz 1 dag per
week naar school + huiswerk etc
Werk=leuk, maar diverse dingen zijn niet oke op de werkplek: geen vaatwasser; het
tocht op locatie, verwarming doet het niet goed; bedrijfskleding = te koud
vorig jaar geen vergaderplanning (foute email), lange werkdagen, geen pauzes (…).
klachten: wist niet hoe vakantie-opbouw werkte binnen KOV; wist ze pas dec 2023: betreft
de inverdienuren moest overwerken, zichzelf overbelast, gaat daarnaast ook om hoe
ze met haar omgaan geen goede begeleider op werk
coll’s geven haar opdrachten; overleg gaat stroef onderling; gaat bij medestudenten
vergelijkbaar voelt zich niet gehoord
wil werken, maar in minder uren 16 u/w; liefst 3d/w inclus school”…
klachten: pijn laag rug en straalt uit naar schouderbladen, middenrug liggend brandend
gevoel naar met name li been last van urineverlies; ontstaan na bevalling, was getraind
niet meer te hebben, sedert nov 2023 weer opnieuw; had eerder FT daarvoor en daarmee
= goed gegaan; als het druk is meer last,
op locatie geen fatsoenlijk toilet aanwezig, geeft ze aan, te laag, voor kinderen.
(…)
lo: reeds bij lichte aanraking van de huid pijnreactie, behoorlijke aggravatie
lange rugspieren lumbaal forse pijnreactie; ook aanhechtingen bekkenrand en rond
Sl bdzs beweeglijkheid redelijk normaal, Schobert 10-15 cm, lateroflexie en axt normaal
vanuit lumbale WK kan op 1 been staan li en re;
spieren nauwelijks hypertoon en goed relaxerend tijdens 1 been fase (…)
“D; mijn insziens aspecifieke klachten lage rugklachten, beeld past niet bij anamnestisch
en bij onderzoek bij een bekkeninstabiliteit. bovendien is de laatste partus 6jr geleden
klachten en onderzoek passen niet bij een symfyse-probleem. Bovendien past het niet
bij het ontstaan van de kalchten.
B: verzoek medinfo = aanvankelijk goed, maar vervolgens geeft ze aan dat ze het zelf
zal aanleveren, geen medische machtiging, is in F zh geweest, ze kan uiteraard eea
downloaden vanuit haar dossier en mij mailen; uitgelegd ik doe nu een voorlopig advies,
ze kan 3 dgn in passend werk werken, geen medische reden voor een urenbeperking
Als ik van haar medinfo heb verkregen, dan kan ik kijken of ik eea moet aanpassen,
(…)’
3.5 Op 4 februari 2024 heeft klaagster de brief van haar orthopeed, gedateerd 31 mei
2018, aan de bedrijfsarts toegezonden.
3.6 In de terugkoppeling van 9 februari 2024 gaf de bedrijfsarts aan dat de brief
van de
orthopeed geen aanleiding gaf om het voorlopige oordeel te herzien.
3.7 Diezelfde dag liet klaagster in een email weten dat zij het niet eens is met de
bedrijfsarts en dat zij een second opinion wil.
3.8 De bedrijfsarts probeerde telefonisch met klaagster in contact te komen. Omdat
dit
niet lukte stuurde de bedrijfsarts klaagster op 13 februari 2024 een email met uitleg
over
haar oordeel en haar pogingen om telefonisch met klaagster in contact te komen.
3.9 Op 15 februari 2024 diende klaagster een klacht in, welke dezelfde dag door de
klachtenfunctionaris in behandeling is genomen en beantwoord. De klacht betreft
het niet
eens zijn met het oordeel van de bedrijfsarts, het niet serieus genomen worden,
het verzoek
om voortaan uitsluitend schriftelijk te communiceren, het verzoek om een second
opinion en
het inzien van het medisch dossier.
3.10 Voor 23 februari 2024 werd een afspraak gepland om het second-opinion verzoek
te
bespreken.
3.11 Op 16 februari 2024 liet klaagster per e-mail weten het verzoek voor een second
opinion niet voort te zetten.
3.12 De assistente van de bedrijfsarts liet weten dat de afspraak door zou gaan als
een
regulier consult en daarop liet klaagster bij email d.d. 21 februari 2024 weten
dat zij het
vertrouwen in de bedrijfsarts had verloren en een andere bedrijfsarts wilde.
3.13 In een e-mail van de werkgever aan de bedrijfsarts werd uiteengezet dat het salaris
van klaagster was opgeschort wegens het niet bereikbaar zijn en niet-meewerken aan
re-
integratie verplichtingen. De afspraak op 23 februari 2024 bleef op verzoek van
werkgever
gehandhaafd.
3.14 Op deze afspraak en de daarna gemaakte afspraken op 1 maart 2024 en 19 april
2024 is klaagster niet verschenen.
3.15 Klaagster is wel verschenen op de afspraak van 29 mei 2024. Daar werd gesproken
over de begeleiding, de onvrede van klaagster en de second-opinion.
3.16 De werkgever van klaagster heeft op 13 juni 2024 een deskundigenoordeel
“passende werkzaamheden” aangevraagd.
3.17 Op verzoek van werkgever stelde de bedrijfsarts op 30 mei 2024 een
Probleemanalyse op.
3.18 Tegen de inhoud hiervan diende klaagster op 17 juni 2024 een klacht in bij de
klachtenfunctionaris van de bedrijfsarts.
3.19 Op 18 juni 2024 gaf de bedrijfsarts per email haar reactie op de klacht.
3.20 Op 10 september 2024 oordeelde het UWV dat de werkzaamheden vanaf 2 februari
2024 passend zijn.
3.21 Klaagster werd uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 28 november
2024, waar zij niet verschenen is.
3.22 Enige tijd later ging klaagster uit dienst bij werkgever.
3.23 Op 15 januari 2025 diende klaagster een tuchtklacht in tegen de bedrijfsarts.
4 De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij:
a) geen begrip en erkenning heeft getoond voor de pijnklachten en beperkingen van
klaagster;
b) bewijzen heeft weggelaten in de diagnose, behandeladviezen en re-integratie adviezen;
c) haar zorgplicht niet is nagekomen en de klachten heeft ontkend;
d) een second-opinion heeft geweigerd;
e) heeft aangenomen dat klaagster gehele dagen op school aanwezig was en dus hele
dagen kon werken;
f) door haar advisering geen salaris meer ontvangt;
g) door haar advisering een arbeidsconflict heeft met werkgever;
h) geen goede zorgbegeleiding heeft ontvangen;
i) haar in een negatief daglicht heeft gezet.
4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
4.4 Het college ziet aanleiding om sommige klachtonderdelen vanwege de samenhang
gezamenlijk te bespreken. In verband daarmee wordt soms ook een andere volgorde
van de klachtonderdelen aangehouden.
5 De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts.
Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) geen begrip en erkenning tonen voor de pijnklachten en beperkingen
van
klaagster
5.2 In het eerste consult op 2 februari 2024 onderzocht de bedrijfsarts klaagster
en
concludeerde dat op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek, sprake was
van
aspecifieke lage rugklachten maar dat geen sprake was van bekkeninstabiliteit. Het
oordeel
van de bedrijfsarts was dat klaagster haar werkzaamheden voor dezelfde duur echter
wel in
aangepaste vorm, kon hervatten. De bedrijfsarts vermeldde in haar verslag dat zij
graag
medische informatie ontvangt op basis waarvan zij eventueel haar voorlopige oordeel
zou
aanpassen.
5.3 Klaagster meende dat er geen sprake was van rugklachten maar van
bekkeninstabiliteit en heeft conform de afspraak gemaakt in het eerste consult,
medische
informatie aangeleverd in de vorm van een brief van haar orthopeed van 31 mei 2018.
Uit
deze brief blijkt dat er geen afwijkingen van het bekken zijn aangetoond met het
röntgenonderzoek. Er zijn ook geen afwijkingen gevonden aan de SI-gewrichten en
heupen.
5.4 Na ontvangst van informatie door klaagster met het verslag van de orthopeed,
waaruit geen ernstige afwijkingen bleken, zag de bedrijfsarts geen aanwijzing om
het
gegeven oordeel aan te passen en koppelde dit aan klaagster terug op 9 februari
2024.
5.5 Deze zienswijze wordt bevestigd in een MRI-scanverslag van 12 maart 2024 van de
polikliniek Orthopedie van G, waaruit blijkt dat er geen afwijkingen aan het
bekken zijn geconstateerd. Wel zijn lage rugklachten benoemd.
5.6 Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken volgt naar het oordeel van het college
dat de bedrijfsarts een voldoende mate van onderzoek naar de achtergronden van de
klachten van klaagster heeft gedaan en tot de conclusie is gekomen dat klaagster
weliswaar
beperkingen ondervond, maar geen beperkingen uit objectief waarneembare afwijkingen
die
maakten dat zij arbeidsongeschikt was. In de kern is het dat wat klaagster toen
niet met
haar eens was en ook nu ten gronde ligt aan haar klacht in deze procedure. Het college
is
echter van oordeel dat de bedrijfsarts op basis van haar eigen onderzoek en de door
haar
ontvangen medische informatie tot dit oordeel kon komen. Dit klachtonderdeel is
ongegrond.
Klachtonderdeel b) het weglaten van bewijzen in de diagnose, behandeladviezen en re-integratie
adviezen
5.8 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat de medische informatie, te weten de verklaring
van de orthopeed van 31 mei 2018 en het MRI-scanverslag van 12 maart 2024 van de
polikliniek Orthopedie van G, als bewijs niet is meegenomen in de diagnose, de
(behandel)adviezen en de re-integratie adviezen.
5.9 De bedrijfsarts heeft de medische informatie bekeken maar dit heeft niet tot een
ander oordeel geleid. De medische informatie onderstreept juist de diagnose van
de
bedrijfsarts, namelijk dat er geen sprake is van bekkeninstabiliteit maar van lage
rugklachten. Dat de medische informatie niet tot een ander oordeel heeft geleid,
maakt niet
dat deze is weggelaten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) en h) de bedrijfsarts is haar zorgplicht niet nagekomen en heeft
de klachten ontkend; klaagster heeft geen goede zorgbegeleiding ontvangen.
5.10 Uit het medisch dossier en de terugkoppelingen naar werkgever en werknemer blijkt
dat de bedrijfsarts juist erkende dat er lage rugklachten zijn en daarom geoordeeld
heeft dat
het werk in aanpaste vorm moest plaatsvinden. De zorgbegeleiding was minimaal omdat
klaagster niet verscheen op spreekuren en telefonisch niet wilde communiceren. Dit
kan de
bedrijfsarts niet worden verweten. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel d) de bedrijfsarts weigert een second-opinion
5.11 Na het consult heeft klaagster op 9 februari 2024 per e-mail een klacht ingediend,
waarin zij onder andere aangaf een second opinion te wensen. Op 15 februari 2024
diende
zij opnieuw een klacht in. De klachtenfunctionaris heeft vervolgens aangegeven dat
een
second opinion mogelijk was, waarna op 23 februari 2024 een afspraak is gepland
om de
vraagstelling voor de second opinion te bespreken. In reactie hierop heeft klaagster
laten
weten haar verzoek tot een second opinion in te trekken.
5.12 De klachtenfunctionaris en bedrijfsarts hebben herhaaldelijk aangegeven dat een
consult met de bedrijfsarts vereist is voor het aanvragen van een second opinion.
De bedrijfsarts benadrukte tijdens de zitting dat zij klaagster nooit een second
opinion heeft geweigerd, maar dat zij het als haar verantwoordelijkheid ziet om werknemers
te informeren over het verschil tussen een second opinion en een deskundigenoordeel.
Klaagster is herhaaldelijk uitgenodigd voor een consult op het spreekuur in het kader
van de verzuimbegeleiding en om de second opinion te bespreken, maar klaagster kwam
niet opdagen of verscheen niet op de gemaakte afspraken.
5.13 Op 29 mei 2024 is klaagster wel op het spreekuur gekomen en is de second opinion
alsnog besproken. Klaagster wenste een second opinion vanwege gebrek aan vertrouwen
en
onveiligheidsgevoelens richting de bedrijfsarts. Hoewel klaagster een klacht had
over de
bejegening en het gedrag van de bedrijfsarts en de klachtenprocedure daarvoor de
aangewezen route is, is het verzoek van klaagster dusdanig vaak herhaald dat een
second
opinion mogelijk nuttig had kunnen zijn voor het herstel van het verstoorde re-
integratietraject. De bedrijfsarts hield vast aan het vereiste dat een spreekuur
consult moest
plaatsvinden voordat een second opinion kon worden aangevraagd. Weliswaar heeft
de
bedrijfsarts de second opinion niet expliciet geweigerd, maar door haar formele
en stellige
houding heeft de bedrijfsarts het dringende verzoek van klaagster ook niet gefaciliteerd,
waar dit wel van haar verwacht mocht worden. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.
Klachtonderdeel e) De bedrijfsarts heeft aangenomen dat klaagster gehele dagen op
school aanwezig was en daardoor hele dagen kon werken.
5.14 Klaagster volgde één dag per week onderwijs, wat op een bepaald moment
bemoeilijkt werd door haar fysieke klachten. Uit het advies van de bedrijfsarts
blijkt niet dat
zij heeft aangenomen dat klaagster volledige dagen naar school ging en daarom ook
volledige werkdagen kon maken. Het advies is gebaseerd op het consult en de beschikbare
medische gegevens, niet op aanwezigheid of het al dan niet volledig volgen van schooldagen.
In het advies wordt aangepast werk aanbevolen, rekening houdend met de belastbaarheid
van klaagster. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel f) en g) en i): Door advisering van de bedrijfsarts ontvangt klaagster
geen salaris meer; heeft zij een arbeidsconflict met werkgever; is zij door de bedrijfsarts
in een negatief daglicht gezet en is daarom ontslagen.
5.15 Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het adviseren
of
nalaten door de bedrijfsarts heeft geleid (of verwijtbaar heeft bijgedragen) aan
de salaris
opschorting, het arbeidsconflict met de werkgever en het ontslag. Dat klaagster
negatieve
gevolgen heeft ondervonden van het niet meewerken aan re-integratieverplichtingen
waaruit
de loonopschorting, een verstoorde werkrelatie en uiteindelijk het ontslag zijn
ontstaan, zijn
keuzes gemaakt door de werkgever en kunnen de bedrijfsarts niet worden aangerekend.
Deze klachtonderdelen zijn allen ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel d) gegrond is en de
andere klachtonderdelen ongegrond zijn.
Maatregel
5.17 Omdat klachtonderdeel d) gegrond is, moet het college beoordelen of er een
maatregel moet worden opgelegd en als dat het geval is, welke maatregel passend
is.
5.18 Het college vindt het verwijt dat de bedrijfsarts is gemaakt terecht. Zij heeft
vastgehouden aan een formeel standpunt terwijl het faciliteren van een second opinion
in deze situatie aangewezen was. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft
de bedrijfsarts verklaard dat zij in dit geval wellicht anders had moeten handelen.
5.19 Het inzicht van de bedrijfsarts en haar erkenning maken dat het college van oordeel
is dat het opleggen van een maatregel niet doelmatig is.
6 De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel d) gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
Deze beslissing is gegeven op 14 oktober 2025 door J.J. Dijk, voorzitter, W.M. Creemers,
lid-jurist, J. Dogger, R.P. van Straaten en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door T.C. Brand, secretaris.