ECLI:NL:TGZCTG:2026:150 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2948 Verzet
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:150 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2948 Verzet |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Verzet tegen een voorzittersbeslissing. Klacht tegen GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog, werkzaam bij een instelling die forensische ambulante zorg, klinische zorg en reclassering verleent, heeft zorg verleend aan klager. Klager bedreigt verweerster langdurig na het beëindigen van de behandelrelatie tussen hen. Aan klager is door de rechtbank een contactverbod opgelegd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, omdat tijdens de procedure is gebleken dat klager zijn klacht enkel heeft willen indienen met als doel het opgelegde contactverbod te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten aan het adres van de GZ-psycholoog en dus dat sprake is van misbruik van recht. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klager ingestelde verzet ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2948 van:
A.,
verblijvende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C.,
GZ-psycholoog,
werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. S.F. Tiems, werkzaam in Leiden
1. Verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 28 mei 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in ‘s- Hertogenbosch een klacht ingediend tegen de GZ-psycholoog. Bij beslissing van 16 juli 2025 met nummer H2024/7222 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:81) heeft dat college klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat sprake is van misbruik van recht door klager.
1.2 Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 30 december 2025 het beroep afgewezen, omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing (ECLI:NL:TGZCTG:2026:14). De beslissing van de voorzitter is als bijlage aan deze beslissing gehecht. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend.
1.3 Op 2 maart 2026 zou het verzet op een openbare zitting behandeld worden, waarbij klager digitaal aanwezig zou zijn. De verbinding kon in verband met een technisch probleem niet tot stand worden gebracht. Het verzet zou vervolgens op de zitting van 1 juni 2026 behandeld worden, maar de verbinding kon opnieuw – door technische omstandigheden die niet bij het tuchtcollege liggen - niet tot stand gebracht worden. Omdat uitsluitend het verzet van klager tegen de voorzittersbeslissing op zitting zou worden besproken is de GZ-psycholoog en haar gemachtigde medegedeeld dat hun aanwezigheid op de zitting niet vereist is. Zij zijn dan ook met bericht van afwezigheid op beide zittingen niet verschenen.
1.4 Omdat het mondeling horen van klager niet lukte is klager in de gelegenheid gesteld zijn verzet tegen de voorzittersbeslissing van 30 december 2025 (nogmaals) schriftelijk toe te lichten. Op 9 juni 2026 ontving het Centraal Tuchtcollege een schriftelijke reactie van klager. Het Centraal Tuchtcollege heeft het verzet vervolgens buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer behandeld.
2. Beoordeling van het verzet
Procedureel
2.1 Klager verzoekt in zijn schriftelijke reactie om aanhouding van de zaak om alsnog mondeling gehoord te kunnen worden, hetzij digitaal dan wel fysiek of door middel van een gemachtigde. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden van mondeling horen kan worden afgezien. Deze omstandigheden zijn de volgende. Klager is voldoende in de gelegenheid gesteld om het verzet toe te lichten. Klager heeft immers nogmaals een schriftelijke toelichting kunnen geven. Klager is in deze procedure op 16 december 2024 in het kader van het vooronderzoek en op de zitting van het Regionaal Tuchtcollege op 21 mei 2025 al mondeling gehoord. De processen-verbaal daarvan maken deel uit van het dossier. Het mondeling horen van klager stuit op problemen. Vanuit de penitentiaire inrichting wordt vervoer voor klager niet ondersteund, zodat zijn fysieke aanwezigheid bij de behandeling niet mogelijk is. Het Centraal Tuchtcollege heeft tweemaal tevergeefs geprobeerd klager mondeling via een beeldverbinding vanuit de penitentiaire inrichting te horen. Hoewel het Centraal Tuchtcollege het belang van klager om (digitaal) bij de zitting aanwezig te kunnen zijn onderkent, heeft het aan de andere kant ook het belang van de GZ-psycholoog bij een voortvarende behandeling van de klacht af te wegen. Alles afwegende zal het Centraal Tuchtcollege dus overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzet.
Inhoudelijke beoordeling van het verzet
2.2 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 30 december 2025 het volgende overwogen:
“3.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen dat klager zijn klacht enkel heeft willen indienen met als doel het contactverbod te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten aan het adres van de GZ-psycholoog. Dit is een ander doel dan het bewaken en verbeteren van de gezondheidszorg. Nu klager het tuchtrecht heeft gebruikt met een volstrekt ander doel dan waarvoor het is ingesteld, komt het Regionaal Tuchtcollege tot de slotsom dat sprake is van misbruik van procesrecht door klager. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
3.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klager is van mening dat de strafbare feiten die hij heeft gepleegd tegen de GZ-psycholoog geen reden mogen zijn om een klacht met voldoende bewijsvoering niet-ontvankelijk te verklaren.
3.3 In het aanvullend beroepschrift noemt klager de GZ-psycholoog bij herhaling “een seksverslaafde psycholoog met borderline” en “gore slet” en verwijt hij haar ontucht vanuit een machtspositie en aanranding, terwijl klager die forse aantijgingen op geen enkele manier onderbouwt. Daarnaast uit klager in het aanvullend beroepschrift wederom bedreigingen tegen de GZ-psycholoog en haar gezin. Zo schrijft klager: “Zij heeft liever twee dode kinderen met BIG dan twee kids zonder BIG”, “dit type seksverslaafden roepen het over zichzelf af”, “Als zij niet zo een gore slet was zat ik niet vast (..) en zou haar familie niet in angst leven” en “Als het tuchtcollege hier geen consequenties aan hangt doe ik dat zelf.”
3.4 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege constateert dat klager gedurende
een lange periode in grove bewoordingen forse beschuldigingen jegens de GZ-psycholoog
heeft geuit terwijl hij deze aantijgingen niet met feiten heeft onderbouwd en het
dossier hier ook geen aanknopingspunten voor biedt. Verder is er sprake van ernstige
bedreigingen. Zo heeft klager bijvoorbeeld vlak voor de zitting bij het Regionaal
Tuchtcollege een brief aan het college gestuurd met een minutieus stappenplan hoe
de kinderen van de GZ-psycholoog gemarteld zouden worden en hoe de GZ-psycholoog zou
moeten toekijken waarna zij levend in brand zou worden gestoken. Het Regionaal Tuchtcollege
heeft in onderdeel 3 van de beslissing van 16 juli 2025 ook een aantal voorbeelden
van laster en bedreigingen opgenomen en tijdens de mondelinge behandeling bij het
Regionaal Tuchtcollege heeft klager zich zodanig bedreigend uitgelaten over de GZ-psycholoog
en haar gezin dat hij als ordemaatregel is verwijderd uit de (digitale) zittingszaal.
In het aanvullend beroepschrift heeft klager zijn onheuse gedragingen voortgezet.
De voorzitter is op basis van de hiervoor omschreven gedragingen van klager van oordeel
dat het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden heeft geoordeeld dat er sprake is
van misbruik van recht door klager. De voorzitter is het met het Regionaal Tuchtcollege
eens dat het klachtrecht een groot goed is dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen
mag worden beperkt. Naar het oordeel van de voorzitter is in deze zaak sprake van
zo’n uitzonderlijke situatie gelet op de handelwijze van klager zowel voorafgaand
als tijdens de tuchtprocedure. Dit betekent dat de voorzitter het beroep zal afwijzen.
3.5 Het beroep kan niet leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege en wordt daarom afgewezen.’
2.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verzetschrift en de aanvullende schriftelijke reactie van klager die op 9 juni 2026 is ontvangen.
2.4 Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
2.5 Klager heeft naar voren gebracht dat de voorzittersbeslissing onjuist is, omdat de voorzitter onder 2.1. heeft opgenomen dat klager beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle in plaats van ’s-Hertogenbosch. Dit betoog slaagt niet. Uit de beslissing volgt ondubbelzinnig tegen welke beslissing klager beroep aantekent omdat dit niet alleen wordt beschreven in de beslissing, maar de voorzitter ook het juiste dossiernummer en het juiste ECLI-nummer heeft opgenomen.
2.6 Klager herhaalt in het verzet verder dat hij van mening is dat niet is voldaan aan de beginselen van een behoorlijke procedure omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld nader bewijsmateriaal in te brengen en de psycholoog niet is verzocht het medisch dossier in te brengen. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat pas toegekomen wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de verwijten die klager de GZ-psycholoog maakt als het verzet gegrond wordt verklaard. Het college is echter van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling van het beroep van klager de juiste maatstaf heeft toegepast en daarbij rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. De voorzitter heeft deze feiten en omstandigheden duidelijk beschreven in de beslissing. Dit betekent dat de voorzitter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht en het beroep van klager niet kan leiden tot een ander oordeel.
2.7 Klager heeft in verzet geen gronden aangevoerd die het college aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter van 30 december 2025. Het verzet levert geen nieuwe gezichtspunten op, zodat geen plaats is voor een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege acht het verzet daarom ongegrond.
3. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is op 13 juli 2026 gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter,
A.S. Gratama en J. Legemaate, leden-juristen, en F.D.F. Steenbakkers en M. Verkade,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Deze beslissing is genomen op 13 juli 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.