We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2754

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:140
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 06-07-2026
Zaaknummer(s): C2025/2754
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een klinisch geriater. Klager is niet tevreden over de wijze waarop de klinisch geriater in opdracht van de rechtbank over zijn vader een deskundigenrapport heeft geschreven. Hij verwijt de klinisch geriater onder meer dat hij de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ niet heeft gevolgd en onvolledig onderzoek heeft gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel a over het niet volgen van de leidraad deels gegrond verklaard, bepaald dat geen maatregel wordt opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot het oordeel dat de klacht ook op andere onderdelen gegrond is en legt aan de klinisch geriater een waarschuwing op.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2754 van:

A., 
wonende in B.,
klager in beide instanties,
hierna: klager,
gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld, werkzaam in Bergen op Zoom.


tegen


C.,
klinisch geriater, 
werkzaam in ‘s-Hertogenbosch,
verweerder in beide instanties, 
hierna: de klinisch geriater,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam in Utrecht.
    

1.    Kern van de zaak
1.1    Klager is niet tevreden over de wijze waarop de klinisch geriater het deskundigenrapport in opdracht van de rechtbank over zijn vader heeft geschreven. Hij verwijt de klinisch geriater onder meer dat hij de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ niet heeft gevolgd en onvolledig onderzoek heeft gedaan. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch heeft klachtonderdeel a over het niet volgen van de leidraad deels gegrond verklaard, bepaald dat geen maatregel wordt opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot het oordeel dat de klacht ook op andere onderdelen gegrond is en legt aan de klinisch geriater een waarschuwing op.

2.    Verloop van de procedure
2.1    Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te 
’s-Hertogenbosch van 8 januari 2025 met nummer H2023/5500 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:5). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 

2.3    De zaak is in beroep behandeld op een openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 september 2025. Tijdens de mondelinge behandeling is een verzoek om wraking van het lid-jurist H. de Hek ingediend. Bij beslissing van 27 oktober 2025, met nummer C2025/2971, is dit wrakingsverzoek afgewezen en is bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet.  

2.4    De mondelinge behandeling van de zaak is op de zitting van 6 mei 2026 voortgezet. Klager en de klinisch geriater zijn beiden verschenen. Klager werd bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld en de klinisch geriater werd bijgestaan door mr. A. Hielkema, werkzaam in Utrecht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van mr. Hielkema zijn aan het dossier toegevoegd. 

3.    Feiten
3.1    Op 23 januari 2015 heeft een notaris een testament opgemaakt voor de vader van klager (hierna: de vader). De broer van klager is hierin onterfd. Op 27 februari 2016 is de vader overleden. 

3.2    De broer van klager heeft bij de rechtbank een procedure tot nietigverklaring van het testament aanhangig gemaakt. Hij heeft in deze procedure gesteld dat de vader ten tijde van het opmaken van zijn testament niet wilsbekwaam was. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 11 augustus 2021 de klinisch geriater tot deskundige benoemd.

3.3    De klinisch geriater heeft in zijn rapport van 18 januari 2022 geconcludeerd dat bij de vader ten tijde van het opmaken van het testament sprake was van een geestelijke stoornis en dat deze geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen heeft belet. 

3.4    De rechtbank heeft de klinisch geriater gevolgd in zijn conclusie. De broer van klager is in het gelijk gesteld. In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 

4.    Het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1    De klinisch geriater wordt verweten dat hij: 
a)    leidraad, richtlijn en model geldend in de civiele procedure niet heeft gevolgd;
b)    onvolledig onderzoek heeft gedaan en heeft toegewerkt naar een eindconclusie;
c)    vooringenomen en partijdig was;
d)    34 relevante vragen niet wilde beantwoorden. 
Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel a deels gegrond verklaard en de andere klachtonderdelen ongegrond.

4.2    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep richt zich alleen op het oordeel van dat college over de klachtonderdelen b, c en d. Klager vraagt het Centraal Tuchtcollege om deze klachtonderdelen alsnog gegrond te verklaren en om de klinisch geriater te veroordelen in de door hem – klager – gemaakte kosten. 

4.3    De klinisch geriater heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij vraagt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen. De klinisch geriater heeft zelf geen beroep ingesteld tegen de gedeeltelijke gegrondverklaring van klachtonderdeel a.

4.4    Dit betekent dat in beroep alleen de klachtonderdelen b, c en d ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorliggen. 

4.5    Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover het beroepschrift nieuwe klachten bevat is klager daarin niet-ontvankelijk.

Toetsingskader
4.6    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de situatie waarin de klinisch geriater het onderzoek moest verrichten complex was. Hem werd in 2021 gevraagd een oordeel te geven over de wilsbekwaamheid van de vader bij het verlijden van zijn testament. De vader was toen al bijna zes jaar overleden. Bovendien waren de zoons van de vader in een ernstig onderling conflict verwikkeld en probeerden zij beiden, soms op indringende wijze, de klinisch geriater van de juistheid van hun eigen visie te overtuigen. Het onderzoek was daarmee voor de klinisch geriater geen eenvoudige opgave. Dit maakt de wijze waarop het Centraal Tuchtcollege het onderzoek en het rapport van de klinisch geriater moet beoordelen echter niet anders. 

4.7    Het Centraal Tuchtcollege moet beoordelen of de klinisch geriater bij zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de voor de klinisch geriater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Volgens vaste tuchtrechtspraak moet een deskundigenrapport voldoen aan de volgende criteria:
1.    Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2.    Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3.    In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4.    Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5.    De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het Centraal Tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de klinisch geriater uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van het rapport beoordeelt het college of de klinisch geriater in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Het Centraal Tuchtcollege toetst uitdrukkelijk niet of de klinisch geriater tot de conclusie had moeten komen dat er geen sprake was van een geestelijke stoornis bij de vader. Het is niet aan dit college om een dergelijke beoordeling te maken. 

Klachtonderdelen b en d
4.8    Klager verwijt de klinisch geriater met klachtonderdeel b onder meer dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Hij verwijt de klinisch geriater met klachtonderdeel d dat hij in het rapport niet heeft gereageerd op de 34 vragen die hij – klager - heeft gesteld naar aanleiding van het concept-rapport en ook niet heeft aangegeven waarom hij hier niet op wilde reageren. Het Centraal Tuchtcollege acht deze klachtonderdelen gegrond en komt tot het oordeel dat het rapport niet voldoet aan de hiervoor vermelde criteria. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

4.9    De klinisch geriater heeft in het rapport zijn werkwijze beschreven. Samengevat heeft hij gesproken met klager en diens broer en kennisgenomen van het procesdossier, het medisch dossier en de reactie van klager en die van zijn broer op het concept-rapport. De klinisch geriater heeft in het rapport de stukken vermeld waarop de uitkomst van zijn onderzoek is gebaseerd. Dit betreft – onder meer – de brief van klinisch geriater I. van 2 november 2012, de brief van neuroloog E. van 18 november 2013, de brief van internist F. van 1 juli 2015, de brief van specialist ouderengeneeskunde G. van 12 september 2015, het huisartsendossier en enkele verslagen van de evaluatie van de zorg in de zorginstelling waar de vader verbleef, opgesteld door medewerkers van die instelling. De klinisch geriater heeft in zijn rapport echter onduidelijkheid laten bestaan over andere stukken die hij van klager en zijn broer had ontvangen, maar waar hij bij zijn onderzoek naar eigen zeggen geen acht op heeft geslagen. Hij is hierover in zijn rapport niet transparant geweest. Het Regionaal Tuchtcollege heeft om deze reden klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond verklaard.

4.10    De klinisch geriater is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat de vader aan dementie leed en een alcoholist was. De dementie was volgens de klinisch geriater alcohol-gerelateerd. De klinisch geriater heeft deze conclusie bovenal gebaseerd op de brief van neuroloog E. van 18 november 2013. Hij heeft verder geconcludeerd dat de vader ten tijde van het onderzoek door neuroloog E. (als gevolg van de alcohol-gerelateerde dementie) op het gebied van overzicht en planning onbewust onbekwaam was. Omdat in verschillende rapportages werd vermeld dat de vader nadien overmatig alcohol is blijven gebruiken, was het volgens de klinisch geriater te verwachten dat de vader op 23 januari 2015 voor overzicht en planning nog altijd onbewust onbekwaam was, ondanks zijn goede verbale vermogens. Daaruit volgde dat het (ook) te verwachten was dat de vader op die datum belangen minder goed heeft kunnen wegen. De alcohol-gerelateerde dementie heeft zo een redelijke waardering van de bij het opmaken van het testament betrokken belangen belet, aldus de klinisch geriater in zijn rapport. De klinisch geriater heeft bij zijn afwegingen over aard en ernst van de dementie en de mate van wilsbekwaamheid zwaar laten meewegen dat de vader hulp nodig had bij het innemen van zijn medicatie en een MMSE-score had van 25/30, terwijl hij een gepromoveerd medisch specialist was, dat hij bij de kloktekentest de wijzers verkeerd had gezet en dat hij regelmatig viel.  

4.11    De neuroloog E. constateerde in haar brief van 18 november 2013 dat met name het geheugen van de vader slecht was. Zij schreef in de brief: “Differentiaaldiagnose: Depressie? Dhr. neigt naar somberheid maar de inhoud van zijn gedachtes houden sterk verband met de laatste levensfaseproblematiek. Meest waarschijnlijk is dat het hier gaat om een dementie van het Alzheimertype. <…> Al met al is er sprake van cognitieve stoornissen bij een MRI scan zonder specifieke bevindingen. Mogelijk is het alcoholgebruik een belangrijke oorzaak, dd wordt gedacht aan de ziekte van Alzheimer. Er is geadviseerd het alcoholgebruik te beperken en zo mogelijk te stoppen. Er zal een follow up plaatsvinden.“ 

4.12    Uit deze brief kan niet worden afgeleid dat de neuroloog E. bij de vader zonder meer dementie heeft vastgesteld. Zij heeft hier juist een slag om de arm gehouden en achtte kennelijk vervolgonderzoek na afbouw van het alcoholgebruik geïndiceerd om tot een definitieve diagnose te kunnen komen. Dit vervolgonderzoek heeft echter niet meer plaatsgevonden. De klinisch geriater heeft dit naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege onvoldoende bij zijn afwegingen betrokken en is er ten onrechte van uit gegaan dat de diagnose dementie een gegeven was. De klinisch geriater heeft daarbij ook te veel waarde gehecht aan de score van de vader op de MMSE-test en aan het verkeerd zetten van de wijzers op de kloktekentest bij het onderzoek door neuroloog E. Deze testen zijn bedoeld voor cognitieve screening en zijn niet geschikt om aard en ernst van een cognitieve stoornis vast te stellen. Een score als die van de vader op de kloktekentest van 3 (<4) duidt op een mogelijke cognitieve stoornis, maar is bovenal een indicatie voor verdere diagnostiek. Het Centraal Tuchtcollege wijst er daarbij op dat de neuroloog E. in haar brief van 18 november 2013 zelf heeft geconstateerd dat de vader een goed overzicht had. De klinisch geriater heeft dit alles onvoldoende (kenbaar) onderkend en meegewogen. 

4.13    Het Centraal Tuchtcollege acht voorts onvoldoende duidelijk waarom de klinisch geriater bij zijn onderzoek geen enkele betekenis heeft toegekend aan de bevindingen van de specialist ouderengeneeskunde G. van 12 september 2015. Deze specialist heeft - ongeveer acht maanden na het verlijden van het testament van de vader en bijna twee jaar na het onderzoek door neuroloog E. - geconcludeerd dat de vader, ondanks zijn vergeetachtigheid en mogelijke beïnvloedbaarheid, volledig wils- en beslissingsbekwaam was ten aanzien van de keuze wie aan te stellen als zijn bewindvoerder. Volgens de klinisch geriater voldeed deze beoordeling van de wilsbekwaamheid van de vader niet aan de daarvoor geldende voorwaarden en was de specialist ook niet een onafhankelijke deskundige, omdat hij klager persoonlijk kende. De specialist ouderengeneeskunde heeft echter in het kader van zijn beoordeling, anders dan de klinisch geriater, wel met de vader kunnen spreken, zonder anderen erbij, en heeft ook met de zorgcoördinator van de instelling waar de vader verbleef gesproken. Hij heeft zich bij zijn beoordeling voorts gebaseerd op de criteria van Appelbaum. Gelet hierop, had van de klinisch geriater mogen worden verwacht dat hij de bevindingen van de specialist ouderengeneeskunde niet naast zich had neergelegd zonder eerst contact te hebben opgenomen met de specialist ouderengeneeskunde. Het enkele feit dat G. klager persoonlijk kende is in dit geval onvoldoende om aan diens rapportage voorbij te gaan.

4.14    De notaris die het testament van de vader heeft verleden heeft daaraan voorafgaand vele gesprekken met de vader gevoerd, en daarvan steeds een verslag gemaakt in de vorm van een proces-verbaal. Sommige van deze gesprekken waren zonder anderen erbij, zoals op 24 november en 24 december 2014. De notaris heeft de vader kennelijk wel wilsbekwaam geacht. De klinisch geriater heeft hier in zijn rapport geen melding van gemaakt en is hier volledig aan voorbijgegaan. Hij heeft hierover in deze beroepsprocedure onder meer naar voren gebracht dat de notaris het voorgeschreven stappenplan voor beoordeling van de wilsbekwaamheid niet had doorlopen. Dit laat echter onverlet dat van de klinisch geriater had mogen worden verwacht dat hij zich er (kenbaar) rekenschap van zou hebben gegeven dat de notaris, vanuit diens eigen (ambts)verantwoordelijkheid op dit terrein, tot een heel ander oordeel was gekomen over de wilsbekwaamheid van de vader. 

4.15    Klager heeft de klinisch geriater naar aanleiding van het concept-rapport schriftelijk 34 vragen gesteld. Hij is van mening dat de klinisch geriater in het rapport niet afdoende op deze vragen inhoudelijk heeft gereageerd. De klinisch geriater heeft hiertegen ingebracht dat hij de vragen van klager naar aanleiding van het concept-rapport als bijlage in het definitieve rapport heeft opgenomen en dat hij in het rapport heeft vermeld wat hij met de vragen heeft gedaan. Hij heeft volstaan met het beantwoorden van drie vragen die naar zijn oordeel binnen de reikwijdte van de door de rechtbank gestelde vragen vielen. Hiermee heeft hij voldaan aan zijn plicht als rapporteur, aldus de klinisch geriater. 

4.16    Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat op de klinisch geriater niet de verplichting rust is om zonder meer alle door klager gestelde vragen te beantwoorden. In dit geval waren echter veel meer dan de drie door de klinisch geriater bedoelde vragen relevant voor het onderzoek en de inhoud van het definitieve rapport. Verschillende van deze vragen legden juist de vinger op een aantal kwetsbaarheden van het rapport, waarvan een aantal hiervoor ook is besproken. Het Centraal Tuchtcollege wijst in dit verband bijvoorbeeld op de vragen 15, 17, 30 en 31. Gelet hierop, had van de klinisch geriater mogen worden verwacht dat hij op deze vragen in of bij het rapport wel een inhoudelijke reactie zou geven. In het rapport is dat onvoldoende gebeurd. Het Centraal Tuchtcollege betrekt hierbij dat het in deze zaak gaat om een deskundigenrapport in een gerechtelijke procedure waarbij geldt dat de rechter in beginsel de deskundige volgt en dat de rechter in het rapport dit soort belangrijke verschillen van inzicht moet kunnen teruglezen. Omdat de klinisch geriater dit heeft nagelaten, is klachtonderdeel d gegrond.  

4.17    Op grond van al het vorenstaande komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het onderzoek van de klinisch geriater zodanige gebreken vertoont, dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest om de conclusie dat de vader ten tijde van het verlijden van zijn testament niet wilsbekwaam was te kunnen dragen. Dit betekent dat het deskundigenrapport niet voldoet aan de in overweging 4.7 vermelde criteria, met name het tweede en het derde criterium.

Klachtonderdeel c
4.18    Klager verwijt de klinisch geriater met klachtonderdeel c dat hij vooringenomen en partijdig was. Hij baseert dit bezwaar kennelijk vooral op de wijze van verslaglegging door de klinisch geriater. Het Centraal Tuchtcollege ziet echter in het onderzoek en het rapport van de klinisch geriater geen aanwijzingen dat deze laatste zijn conclusie op voorhand al had getrokken of zich heeft laten leiden door antipathie tegen klager, waardoor een neutraal en objectief oordeel niet meer mogelijk was. Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond. 

Conclusie 
4.19    De conclusie is dat naast klachtonderdeel a, ook de klachtonderdelen b en d gegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover daarbij de klachtonderdelen b en d ongegrond zijn verklaard, vernietigen en deze klachtonderdelen alsnog gegrond verklaren. 

Maatregel
4.20    Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel a gegrond verklaard en bepaald dat aan de klinisch geriater geen maatregel wordt opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege komt tot het oordeel dat de klinisch geriater in meer opzichten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft bij zijn onderzoek en in het door hem opgestelde rapport op een aantal belangrijke punten steken laten vallen. Het Centraal Tuchtcollege acht daarom de oplegging van een maatregel gerechtvaardigd. Gelet op de hiervoor in overweging 4.6 geschetste complexe situatie waarin de klinisch geriater het onderzoek moest verrichten, en het feit dat de klinisch geriater zich ter zitting toetsbaar heeft opgesteld, kan naar het oordeel van dit college in dit geval echter met een waarschuwing worden volstaan. 

Kostenveroordeling
4.21      Een kostenveroordeling voor kosten die zijn gemaakt in de tuchtrechtelijke procedure kan worden opgelegd als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu de klacht in relevante mate gegrond wordt verklaard en alsnog een maatregel wordt opgelegd, ziet het Centraal Tuchtcollege aanleiding om het verzoek van klager om de klinisch geriater te veroordelen in de kosten die klager in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, toe te wijzen. Het Centraal Tuchtcollege sluit voor de begroting van de proceskosten aan bij de Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor juridische bijstand bedragen € 666,00 per punt (1 punt voor het beroepschrift + 2 punten voor de zittingen bij het Centraal Tuchtcollege), waarbij de wegingsfactor 1 zal worden gehanteerd. Dit komt neer op € 1.998,00. De reiskosten worden begroot op € 50,00. Het totaalbedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten komt daarmee op € 2.048,00.

5.    Beslissing 
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
            
vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarbij de klachtonderdelen b en d ongegrond zijn verklaard;

        en doet opnieuw recht:
        verklaart de klachtonderdelen b en d gegrond;

        legt aan de klinisch geriater op de maatregel van waarschuwing;

        verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt de klinisch geriater in de vastgestelde kosten van klager van € 2.048,00 en gelast hem het totaalbedrag te voldoen op de bankrekening van klager binnen een maand nadat hij hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten;

gelast dat VWS-Financieel Dienstencentrum aan klager het betaalde griffierecht ten bedrage van € 50,00 (zegge: vijftig euro) voor de behandeling van het beroep bij het Centraal Tuchtcollege vergoedt. 

Deze beslissing is genomen door E.J. Daalder, voorzitter, 
H. de Hek en A.S. Gratama, leden-juristen, en D. Coppoolse en B.J.P Vis-Janssens de Varebeke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris. 

Uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026. 
Voorzitter w.g.        Secretaris  w.g.