ECLI:NL:TGZCTG:2026:139 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3040
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:139 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 06-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3040 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klaagster werd vanuit het ziekenhuis verwezen naar de afdeling dermatologie in verband met huidklachten. Zij kreeg antibiotica voorgeschreven. Bij ‘verse’ plekken (huiduitslag) kon klaagster terugkomen. Klaagster werd vervolgens door de arts op consult voor een herbeoordeling gezien. Na onderzoek concludeerde de arts dat er op dat moment geen reden was voor aanvullende diagnostiek. Klaagster vindt onder meer dat zij onvoldoende behandeling heeft gekregen en er onterecht geen nader diagnostisch onderzoek is gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege komt tot datzelfde oordeel en verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3040 van:
A., wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C. arts, (destijds) werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de arts,
gemachtigde: mr. K.J. de Wolf, werkzaam te Nijmegen.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster werd vanuit het E.-ziekenhuis verwezen naar de afdeling dermatologie
van het F. in verband met huidklachten. Zij kreeg antibiotica voorgeschreven. Bij
‘verse’ plekken (huiduitslag) kon klaagster terugkomen. Klaagster werd vervolgens
door de arts op consult voor een herbeoordeling gezien. Na onderzoek concludeerde
de arts dat er op dat moment geen reden was voor aanvullende diagnostiek. Klaagster
vindt onder meer dat zij onvoldoende behandeling heeft gekregen en er onterecht geen
nader diagnostisch onderzoek is gedaan.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft beslist dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege komt tot datzelfde oordeel en zal dat hieronder toelichten.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Zwolle met nummer Z2024/7867 (ECLI:NL:TGZRZWO:2025:105).
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure in eerste aanleg, het beroepschrift van klaagster, nadien gestuurde stukken van klaagster en het verweerschrift van de arts in beroep.
2.3 De zaak is op de zitting van 10 juni 2026 behandeld. Daar waren klaagster en
de arts aanwezig. Klaagster werd vergezeld van haar partner. De arts werd bijgestaan
door mr. F.E.A.M Tesser, die waarnam voor mr. K.J. de Wolf. Partijen hebben vragen
van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen
van klaagster (voorgelezen door haar partner) en die van
mr. Tesser zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten.
3.2 Klaagster kwam in 2021 onder behandeling bij een dermatoloog van het E.-ziekenhuis in verband met huidklachten. Verschillende (antibiotica)crèmes werden voorgeschreven, maar deze hielpen niet. Ook werd een huidbiopt van de kin genomen. Klaagster werd doorverwezen naar de afdeling dermatologie in het F. voor een second opinion. Hierover staat in de verwijsbrief van 29 mei 2024 het volgende vermeld (alle citaten letterlijk overgenomen):
’’ (..)
Aanvullend onderzoek
Huidbiopt kin: granulatieweefsel / littekenweefsel bij een (peri) folliculitis.
Geen schimmelds. Herpes PCR: negatief.
Conclusie
Acne tarda, dd rosacea. Tevens component dermatitis artefacta.
(..)’’
3.3 Op 26 juli 2024 had klaagster een consult bij een dermatoloog van het F..
Op dat moment was er geen medische indicatie voor het nemen van een biopt of bloedonderzoek.
Klaagster kreeg antibiotica en bij ‘verse’ plekken (huiduitslag) kon zij een nieuwe
afspraak maken. In augustus en september 2024 stuurde klaagster twee e-mails, in de
laatste e-mail van
12 september 2024 gaf ze aan dat “de zweer” al vier maanden niet genas. Op 18 september
2024 zag de arts klaagster op consult voor een herbeoordeling en onderzocht zij de
huid. De arts noteerde daarover het volgende:
’’(..)
Aanvullend onderzoek werd reeds elders verricht.
Conclusie
Patiënt met anamnestisch recidiverende ulcera gelaat mogelijk bij dd rosacea dd
manipulatie
Beleid
Bevindingen werden met patiënte en partner besproken
Uitgebreid stilgestaan, ook samen met supervisor dat wij als dermatologie bekijken
of en van welke huidziekte er sprake is. Gezien het ulcus nu bijna genezen is werd
besproken dat aanvullende diagnostiek, middels een biopt, geen informatie zal opleveren
maar wel een litteken achterlaat. Patiënte werd tevens geadviseerd geen behandeling,
zoals Protopic, zonder overleg te starten omdat dit het beeld kan beinvloeden. Daarom
is een diagnose stellen lastig(er).
(..)’’
3.4 Klaagster kreeg het advies om bij nieuwe plekjes contact op te nemen met de poli, zodat eventueel een biopt kon worden genomen. Na dit bezoek vond er over en weer nog communicatie plaats tussen de arts en klaagster via het digitale patiëntenportaal. De berichten gingen over de diagnose/diagnostiek en een second opinion. De arts adviseerde klaagster onder andere om zich weer tot haar huisarts te wenden als zij een verwijzing naar een andere specialist wilde. Ook schreef de arts op 14 oktober 2024 aan klaagster:
’’Het stellen van een juiste dermatologisch diagnose kunnen wij enkel doen bij actieve
huidafwijkingen zonder dat deze al behandeld zijn. Daarbij maken wij op indicatie
gebruik van aanvullende onderzoek middels een biopt. Dit hebben wij alhier in het
ziekenhuis nog niet kunnen doen. Conform het laatste consult is het advies om bij
recidief van klachten geen zalven of andere behandeling te starten en contact op te
nemen voor een beoordeling op de poli.’’.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster verwijt de arts dat a) zij bij de second opinion alleen visueel onderzoek
heeft
gedaan op basis van de behandeling van acne en er geen aanvullende diagnostiek is
gedaan zoals bloedonderzoek, terwijl de ziekte zich ontwikkelt, b) zij geen behandeling
heeft ingezet/deze heeft geweigerd, en c) de medische geschiedenis geen informatie
over de zweren op het lichaam bevat.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard.
4.3 De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het beroep van klaagster te verwerpen.
4.4 Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klaagster daarin dus niet worden ontvangen.
4.5 Op basis van de stukken en de mondelinge toelichtingen daarop komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht en op juiste gronden in al haar onderdelen ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in dat wat het Regionaal Tuchtcollege hierover heeft overwogen onder 5.1 tot en met 5.5 en neemt dat over. De behandeling van de zaak in beroep geeft geen aanleiding om anders te beslissen. Ook de in beroep door klaagster ingebrachte medische stukken uit G., die zij mag inbrengen ter onderbouwing van haar standpunt, brengen het Centraal Tuchtcollege niet tot een ander oordeel over het handelen van de arts. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dus net als het Regionaal Tuchtcollege dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit betekent dat het beroep van klaagster wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klaagster niet-ontvankelijk
voor zover zij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; verwerpt het beroep voor
het overige.
Deze beslissing is genomen door R.C.A.M. Philippart, voorzitter, L. van Dijk en R.
Prakke-Nieuwenhuizen,
leden-juristen, en E.J.F.M. de Kruijf en B. Velstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.