We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:130 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2939

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:130
Datum uitspraak: 24-06-2026
Datum publicatie: 24-06-2026
Zaaknummer(s): C2025/2939
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen orthopedagoog-generalist. De dochter van klaagster is in 2023 onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Brabant (JBB) en uit huis geplaatst. De orthopedagoog-generalist is werkzaam bij JBB in de functie van gedragswetenschapper. Zij heeft in de maanden februari, maart, april en mei 2024 in een multidisciplinair overleg (MDO) adviezen gegeven aan de jeugdbeschermers, die betrekking hebben op de omgang tussen klaagster en haar dochter. Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij adviezen heeft gegeven op basis van de informatie van de gezinsvoogd, dat zij klaagster heeft verboden Russisch met haar dochter te spreken en dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen op grond van informatie van de jeugdbeschermers te adviseren over de omgangsregeling. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is. Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt hetzelfde als het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van klaagster.


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2939 van:

A.,
wonende te B.,
appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
gemachtigde: mr. A.K. Ramdas, werkzaam te Barendrecht,

tegen


C., 
orthopedagoog-generalist,
werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties, 
hierna: de orthopedagoog-generalist,
gemachtigde: mr. J. Huitema, werkzaam te Haarlem.


1.    Kern van de zaak

1.1     De dochter van klaagster is in 2023 onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming E. (JBB). Zij woont bij haar vader. De orthopedagoog-generalist is werkzaam bij JBB in de functie van gedragswetenschapper. Zij heeft in de maanden februari, maart, april en mei 2024 in een multidisciplinair overleg (MDO) adviezen gegeven aan de jeugdbeschermers, die betrekking hebben op de omgang tussen klaagster en haar dochter. Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij adviezen heeft gegeven op basis van de informatie van de gezinsvoogd, dat zij klaagster heeft verboden F. met haar dochter te spreken en dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen op grond van informatie van de jeugdbeschermers te adviseren over de omgangsregeling. 

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft beslist dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel en zal dat hieronder toelichten.

2.    Verloop van de procedure

2.1    Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te 
‘s-Hertogenbosch met nummer H2024/7374 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:82). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedure in eerste aanleg, het beroepschrift van klaagster en het verweerschrift in beroep van de orthopedagoog-generalist.

2.3    De zaak is op de zitting van 1 juni 2026 behandeld. Daar waren aanwezig klaagster, bijgestaan door mr. A.K. Ramdas, en mr. J. Huitema als gemachtigde van de orthopedagoog-generalist. De orthopedagoog-generalist is zoals tevoren aangekondigd vanwege gezondheidsredenen niet verschenen. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van mr. Ramdas en klaagster zijn aan het dossier toegevoegd.

3.    Feiten

3.1    Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.

3.2     Klaagster heeft samen met de vader het ouderlijk gezag over hun in augustus 2011 geboren dochter. De dochter woont bij de vader. 

3.3    De rechtbank Rotterdam heeft de dochter bij beschikking van 5 december 2023 op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming E. (hierna: JBB). In deze beslissing heeft de rechtbank ook een machtiging uithuisplaatsing bij de vader verleend. De rechtbank heeft onder meer overwogen (alle citaten worden inclusief eventuele type- en spelfouten weergegeven): “Er dient contact te zijn tussen [de dochter] en haar moeder maar wel op een verantwoorde manier. [De dochter] dient het gevoel te krijgen dat zij mag houden van beide ouders. Daarnaast dient zij rust en veiligheid te ervaren in de thuissituatie bij de vader, zonder dat haar ouders in een continue strijd zitten.”.

3.4    De beschikking van de rechtbank is op 1 mei 2024 door het gerechtshof Den Haag bekrachtigd. 

3.5     Klaagster heeft JBB in kort geding gedagvaard en een onbegeleide omgangsregeling met de dochter gevorderd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van klaagster bij vonnis van 6 februari 2024 afgewezen. De voorzieningenrechter heeft onder meer overwogen: “De moeder verzet zich nog steeds tegen de plaatsing van [de dochter] bij de vader. De moeder geeft aan [de dochter] voor haar verblijf bij de vader nog steeds niet haar emotionele toestemming. De moeder heeft [de dochter] in 2020, toen een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar bij de vader aan de orde was, onttrokken aan het gezag van de vader door zonder zijn toestemming met haar naar het buitenland te vertrekken. Vervolgens is [de dochter] drie jaar later in Nederland teruggekeerd. Begeleide omvang is daarom aangewezen, (…) Nu [JBB] tot 5 december 2024 bij beide ouders betrokken is in het kader van de ondertoezichtstelling van [de dochter], is de voorzieningenrechter van oordeel dat de invulling en uitvoering van het contact tussen [de dochter] en de moeder overgelaten moet worden aan de regie van [JBB].”.

3.6     JBB heeft in overleg met de vader, klaagster en de dochter afspraken gemaakt over begeleide omgang tussen klaagster en de dochter. De begeleide omgang is gestart in maart 2023. 

3.7    De orthopedagoog-generalist is werkzaam bij JBB in de functie van gedragswetenschapper en in die hoedanigheid betrokken geweest bij deze zaak. 
    
4.    Beoordeling van het beroep

4.1    Klaagster verwijt de orthopedagoog-generalist dat zij a) adviezen heeft gegeven op basis
van de informatie van de gezinsvoogd, b) klaagster heeft verboden te communiceren met haar dochter in haar moedertaal en c) onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen op grond van informatie van de jeugdbeschermers te adviseren over de omgangsregeling.  

4.2    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. 

4.3    De orthopedagoog-generalist kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en verzoekt om het beroep van klaagster te verwerpen. 

4.4    Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de klachten van klaagster ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de overwegingen die het Regionaal Tuchtcollege hieraan heeft gewijd onder 5.1 tot en met 5.6 en neemt die over. Als gedragswetenschapper binnen JBB had de orthopedagoog-generalist een intern adviserende en vakinhoudelijk ondersteunende rol. De jeugdbeschermers zijn leidend in de uitvoering van de beschermingsmaatregel en verantwoordelijk voor de in dat kader te nemen besluiten. Het is niet gebruikelijk en ook niet noodzakelijk dat een gedragswetenschapper rechtstreeks contact heeft met de personen die bij de beschermingsmaatregel zijn betrokken. De jeugdbeschermers onderhouden die contacten en de gedragswetenschapper adviseert hen naar aanleiding van vragen op de achtergrond; de gedragswetenschapper voert geen zelfstandig onderzoek uit. Anders dan de gemachtigde van klaagster heeft bepleit, was er naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege in deze zaak geen aanleiding voor de orthopedagoog-generalist om af te wijken van deze standaard werkwijze en wél rechtstreeks contact te hebben met de betrokkenen. Op de incidentmelding van G. heeft de orthopedagoog-generalist vanuit haar positie van gedragswetenschapper op een juiste en professionele manier gereageerd, door de jeugdbeschermers te adviseren het een en ander met de vader te bespreken. Het Centraal Tuchtcollege is alles afwegende van oordeel dat de orthopedagoog-generalist op zorgvuldige wijze invulling heeft gegeven aan haar rol van gedragswetenschapper binnen JBB. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. 

4.5    Het voorgaande betekent dat het beroep van klaagster wordt verworpen.  

5.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is genomen door C.H.M. van Altena, voorzitter, 
A.S. Gratama en J. Legemaate, leden-juristen, en N.A.M. Boom en E.E. Szerman-Krabbe, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2026.
Voorzitter w.g.           Secretaris  w.g.