ECLI:NL:TGZCTG:2026:105 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2826
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:105 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-05-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2826 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. De echtgenote van klager had een slechte gezondheid met veel pijnklachten en heeft de huisarts om euthanasie gevraagd. De huisarts heeft het euthanasietraject ingezet, maar de patiënte is uiteindelijk op natuurlijke wijze komen te overlijden. Klager verwijt de huisarts onder meer dat zij onvoldoende en warrig heeft gecommuniceerd over de gezondheidstoestand van de patiënte, dat zij onvoldoende bereikbaar was en dat zij geen euthanasie heeft uitgevoerd bij de patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege te 's-Hertogenbosch heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing tot ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2826 van:
A.,
wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C.,
huisarts,
destijds werkzaam in D.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.
1. Kern van de zaak
1.1 De echtgenote van klager had een slechte gezondheid met veel pijnklachten. Zij heeft de huisarts om euthanasie gevraagd. De huisarts heeft het euthanasietraject ingezet, maar de patiënte is uiteindelijk op natuurlijke wijze komen te overlijden. Klager verwijt de huisarts dat zij onvoldoende en warrig heeft gecommuniceerd over de gezondheidstoestand van de patiënte. Ook verwijt hij de huisarts dat zij onvoldoende bereikbaar en beschikbaar was, een onduidelijke verslaglegging in het medisch dossier heeft en geen euthanasie heeft uitgevoerd bij de patiënte.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing tot ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te
’s-Hertogenbosch van 16 april 2025 met nummer H2024/7272 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:48). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het verweerschrift en de nadere correspondentie van klager.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 maart 2026 behandeld. Klager en de huisarts waren beiden aanwezig. De huisarts werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.B.M. Vrieling. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De door klager voorgelezen samenvatting van zijn pleitnota is aan het dossier toegevoegd. Dit geldt ook voor de door klager ter zitting overgelegde integrale pleitnota, die in verband met de omvang ervan niet mocht worden voorgelezen. De huisarts is door de toevoeging van de integrale pleitnota aan het dossier niet in haar belangen geschaad.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
3.2 De patiënte (geboren in 1945) stond ingeschreven in de huisartsenpraktijk van de huisarts. Zij was bekend met artrose en had een pacemaker. In verband met aangeboren heupdysplasie waren beide heupen vervangen. De patiënte was erg instabiel en was herhaaldelijk gevallen, met verschillende botfracturen tot gevolg. Ook was de patiënte behandeld voor darmkanker.
3.3 Door de patiënte is op 5 augustus 2020 een “Volmacht medische besluitvorming & beslissingen” ondertekend. Ook heeft zij op die datum een behandelverbod en -gebod opgesteld. Hierin staat onder meer (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “Ik wil geen actieve euthanasie. Te weten op uur X wordt mij, bij bewust zijn of volledige onbewust zijn, een spuitje of infuus gegeven waarna ik kort daarna overlijd. Wat ik wil is op uur X, bij bewust zijn of volledige onbewust zijn, inslaap gebracht te worden en door verhoging van medicijnen, zoals bv morfine, na een aantal uren tot maximaal 2 dagen te overlijden. Feitelijk palliatieve zorg bij ondragelijk lijden.”
3.4 Op 15 januari 2024 kwam de patiënte op het spreekuur van de huisarts om levenseinde- en behandelwensen te bespreken. In het dossier noteerde de huisarts: “Gesprek levenseinde/behandelwensen besproken, palliatieve sedatie echt in terminale fase (levensverwachting <2 wk). onze hulp bij actieve levensbeeindiging zou in de vorm van euthanasie kunnen zijn of begeleiden bij stoppen met eten en drinken. met dit laatste slechte ervaringen bij moeder. uitleg euthanasie moet altijd aan zorgvuldigheidseisen voldoen. gaat zich er verder in verdiepen en komt er indien gewenst op terug.”
3.5 Op 27 februari 2024 ondertekende de patiënte een aanvulling op het eerder opgestelde behandelverbod, waarin onder meer is opgenomen: ”Formele palliatieve sedatie kan dan kennelijk niet, omdat er dan geen kans op een natuurlijk overlijden is binnen 14 dagen. Ik vind dat een enorme betutteling van mijn eigen wil.” Als laatste staat daarin vermeld: “Kortom, door de stapeling van alle fysieke klachten is het een moeizaam leven geworden en raak ik aan de rand van aanvaardbaarheid. Het breken van een heup of dijbeen, niet meer zelfstandig kunnen staan door bijvoorbeeld de verwachte knieoperatie of wat dan ook, waardoor ik niet meer in staat ben mijzelf te verzorgen, geholpen moet worden bij me wassen, aankleden e.d. is voor mij geen optie. In een dergelijke omstandigheid vind ik dat geen aanvaardbaar leven meer. Ik wil dan afscheid nemen van het leven doormiddel van passieve euthanasie.”
3.6 Enkele dagen later is de patiënte thuis opnieuw gevallen. Sindsdien had zij ernstige rugklachten die met pijnmedicatie behandeld werden.
3.7 Naar aanleiding van de aanvulling op het behandelverbod, legde de huisarts
op 18 maart 2024 een visite af bij de patiënte. In het dossier noteerde de huisarts:
“S visite tav aanvulling op behandelwensen; in aanvulling in corr staat dat ze
geen ‘actieve euthanasie’ wil. geeft echter aan dit wel te willen. (…) heeft vragen
over het euthanasieproces.(…) ook verdere behandelwensen besproken (…).
E ACP: niet reanimeren, geen ziekenhuisopname. euthanasiewens. uitgebreid gesproken.
(…) proces rondom euthanasie besproken, zorgvuldigheideisen en
P consultatie scen arts. aangegeven dat rugklachten nu niet uitzichtloos zijn,
verwachting is dat dit na 6wk stuk beter zal gaan. afgesproken om na 4-6wk stand
van zaken te evalueren. als haar euthanasiewens actueel blijft is consultatie scen
arts mogelijk, dit advies is leidend.”
3.8 Op 19 maart 2024 ondertekende de patiënte opnieuw een aanvullend behandelverbod, waarin zij als laatste zin opnam: “Ik wil een einde aan mijn leven via euthanasie.” In een telefoongesprek met de huisarts op 28 maart 2024 gaf de patiënte aan dat zij bij haar euthanasieverzoek bleef.
3.9 Op woensdag 3 april 2024 is de patiënte bij een collega van de huisarts op spreekuur geweest, omdat zij dacht dat zij een longontsteking had. Op basis van onderzoek vermoedde de collega dat van een bacteriële longontsteking geen sprake was.
3.10 Op donderdag 4 april 2024 heeft de dienstdoende huisarts van de huisartsenpost vanwege toegenomen pijn een huisbezoek aan de patiënte afgelegd. Tijdens dit gesprek vertelde zij dat er bij de patiënte sprake was van uitgezaaide darmkanker.
3.11 Vanwege de snelle achteruitgang van de patiënte gaf de huisarts tijdens een huisbezoek op vrijdag 5 april 2024 aan dat er geen tijd meer was om alle stappen van het euthanasietraject te doorlopen. De patiënte ging ermee akkoord dat het beleid op comfort werd gericht. In het medisch dossier staat hierover vermeld: “(…) E achteruitgang dd pneumonie, besproken mw wil geen AB meer, geen zkh opname. beleid gericht op comfort. sc morfine besproken ivm moeite met pillen slikken nu/misselijkheid. weer reeds 1x 10mg morfine sc toegediend. uitleg hiermee dus geen euthanasietraject.” Na advies van een specialistisch team werd een morfinepomp bij de patiënte geplaatst.
3.12 Op zondagochtend 7 april 2024 bracht een arts van de huisartsenpost een bezoek aan de patiënte. Tijdens dit bezoek verzocht de familie om palliatieve sedatie. De arts vond dat er op dat moment geen indicatie was voor palliatieve sedatie vanwege het ontbreken van een refractair symptoom. Na overleg tussen de arts en de huisarts, bevestigde de huisarts dit standpunt van de arts.
3.13 Op maandag 8 april 2024 legde de huisarts opnieuw een huisbezoek af en constateerde dat sprake was van een terminale situatie. Met de familie besprak zij het te voeren beleid en noteerde in het dossier: “Naast de palliatieve situatie van mw., lijkt ook onduidelijkheid over het beleid in het afgelopen weekend, i.c.m. regieverlies (toch geen euthanasie; toch geen sedatie) (…). Uiteindelijk zo’n 25 minuten met familie gepraat, waarbij volgens mij in voldoende mate van gedachten gewisseld. Met name partner blijft ontevreden met uitblijven actie nu.” Omdat de patiënte zelf op dat moment goed aanspreekbaar was, sprak de huisarts met de patiënte over haar euthanasiewens. In het dossier noteerde zij: “dhr is het er in eerste instantie niet mee eens dat ik met mw spreek, aangegeven dat dit erg van belang is ihkv euthanasiewens. mw zelf geeft aan dat ze graag wil dat nu de scen arts inschakel. uitleg fam tav morfine en pall sedatie, op medische indicatie, voor pall sedatie is deze er nu niet. besproken dat ik scen arts ga raadplegen ivm nu actuele euthanasiewens (…)”
3.14 De SCEN-arts nam op woensdag 10 april 2024 telefonisch contact op met klager. Omdat de patiënte op dat moment diep in slaap en niet meer aanspreekbaar was, bezocht de SCEN-arts haar op donderdag 11 april 2024. Na dit bezoek sprak de SCEN-arts met de huisarts. In het huisartsendossier staat hierover: “scen arts [naam] gesproken op de praktijk na zijn consultatie. zie ook zijn verslag. geeft aan dat wilsbekwaamheid niet ingeschat kan worden ivm niet aanspreekbaar tijdens consult. hiermee kan niet worden voldaan aan de wettelijk eisen voor euthanasie.”
3.15 De huisarts is diezelfde middag bij de patiënte en haar familie langsgegaan en heeft verteld dat zij geen euthanasie zou uitvoeren. Op vrijdag 12 april 2024 had de huisarts telefonisch contact met klager. In het dossier staat hierover genoteerd dat klager onvrede voelt over de situatie en het er niet mee eens is dat euthanasie niet mogelijk was.
3.16 In 2024 is de patiënte overleden.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de huisarts dat zij:
a) onvoldoende en warrig heeft gecommuniceerd over de gezondheidstoestand van
de patiënte;
b) onvoldoende bereikbaar en beschikbaar was;
c) een onduidelijke verslaglegging heeft;
d) geen euthanasie heeft uitgevoerd bij de patiënte.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen.
4.4 Dit betekent dat de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.
Procedurele beroepsgronden
4.5 Klager heeft in beroep naar voren gebracht dat hij door het Regionaal Tuchtcollege
in zijn klachtrecht is beperkt en dat daar geen sprake is geweest van een eerlijk
proces. Hij is onder meer van mening dat dat college hem ten onrechte niet heeft toegestaan
te reageren op het verweerschrift dat aldaar door de huisarts was ingediend. Deze
beroepsgrond treft geen doel. De behandeling bij het Centraal Tuchtcollege is bedoeld
om eventuele verzuimen in de behandeling bij het Regionaal Tuchtcollege in beroep
te herstellen. Mocht er in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege sprake zijn
geweest van een onjuiste gang van zaken, dan is dit hersteld door de behandeling van
de zaak in beroep. Daar zijn partijen zowel schriftelijk als mondeling in de gelegenheid
gesteld om dat naar voren te brengen wat volgens hen voor de beoordeling van de zaak
van belang is. Klager heeft daar alsnog op de stellingen van de huisarts kunnen reageren.
Toetsingskader
4.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor het verdriet dat klager heeft van
het feit dat de patiënte niet is overleden op de manier waarop zij dat had gewenst.
Dit neemt niet weg dat op een zakelijke manier moet worden beoordeeld of de huisarts
de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een
redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel a) onvoldoende en warrige communicatie over gezondheidstoestand patiënte
4.7 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen 5.3 tot en met
5.9 van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen hier over. Net als het
Regionaal Tuchtcollege leidt het Centraal Tuchtcollege uit het door de patiënte opgestelde
behandelverbod en de latere aanvullingen hierop af, dat het voor klager en wellicht
ook voor de patiënte niet helemaal duidelijk is geweest dat er een verschil is tussen
palliatieve sedatie en het toepassen van euthanasie. Heel kort gezegd maakt de arts
bij euthanasie een einde aan het leven van de patiënt, op verzoek van de patiënt.
Het doel van palliatieve sedatie is (uitsluitend) het verlichten van het lijden bij
iemand met een levensverwachting van minder dan twee weken door opzettelijk het bewustzijn
te verlagen. Het gaat daarbij dus niet om het bekorten van het leven, maar om het
draaglijker maken van het sterven. Daarnaast betekent een beleid gericht op comfort
niet zonder meer dat sprake is van palliatieve sedatie. Dit hangt onder meer af van
de mate waarin het bewustzijn door medicatie opzettelijk wordt verlaagd. Voorstelbaar
is dat deze verschillen voor klager en mogelijk ook de patiënte niet steeds duidelijk
zijn geweest.
4.8 Uit het klaagschrift en het beroepschrift komt ook naar voren dat met name de communicatie over het te voeren beleid in de dagen van 5 tot en met 8 april 2024 door klager, en wellicht ook door de patiënte, als verwarrend is ervaren. Blijkens het medisch dossier heeft de huisarts op 5 april 2024 aan de patiënte, die toen helder en goed aanspreekbaar was, uitgelegd dat zou worden ingezet op een beleid gericht op comfort en dat geen euthanasietraject in gang zou worden gezet. Gelet op de toelichting van de huisarts, is aannemelijk dat zij toen van mening was dat door de snelle achteruitgang van de patiënte er geen tijd meer was om alle stappen van het euthanasietraject te volgen. Bij haar bezoek op maandag 8 april 2024 kwam de huisarts daarop terug en zette zij de euthanasieprocedure alsnog in gang. Dat dit voor klager verwarrend is geweest, kan het Centraal Tuchtcollege in navolging van het Regionaal Tuchtcollege goed begrijpen.
4.9 Dit betekent echter niet dat de huisarts onzorgvuldig heeft gehandeld of onduidelijk heeft gecommuniceerd. De huisarts heeft met het oog op de situatie van de patiënte, zoals ze haar tijdens de afgelegde huisbezoeken aantrof, naar bevind van zaken gehandeld. Gelet op de slechte gezondheidstoestand van patiënte, kon de huisarts op 5 april 2024 concluderen dat een euthanasietraject – dat normaalgesproken ten minste enkele dagen in beslag neemt – niet meer haalbaar zou zijn en dat daarom moest worden ingezet op een beleid gericht op comfort. Toen op maandag 8 april 2024 de gezondheidstoestand van patiënte minder slecht leek en zij die dag ook goed aanspreekbaar was, heeft de huisarts haar eerdere conclusie heroverwogen en is zij tot de afweging gekomen dat het euthanasietraject toch haalbaar zou kunnen zijn. Het Centraal Tuchtcollege kan deze heroverweging van de huisarts volgen. De heroverweging betekent ook niet dat de op 5 april 2024 gemaakte afwegingen onjuist waren. Dat de huisarts op 5 april 2024, toen zij met de patiënte sprak over een beleid gericht op comfort, bedoelde dat zou worden gestart met palliatieve sedatie, is, gezien de inhoud van het medisch dossier, niet aannemelijk. Dat wat klager hierover heeft aangevoerd geeft ook geen reden om aan te nemen dat de huisarts hierover in haar communicatie onvoldoende duidelijk is geweest.
4.10 Gebleken is dat het medisch dossier van de patiënte in de periode vanaf eind 2023 tot aan het overlijden van de patiënte zorgvuldig is bijgehouden. De inhoud is duidelijk en transparant. Hieruit blijkt dat de huisarts meermalen, zowel aan de patiënte als aan klager uitleg heeft gegeven over de mogelijkheden met betrekking tot de geuite levenseinde- en behandelwensen. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht over gebrekkige communicatie terecht ongegrond heeft verklaard.
Klachtonderdeel b) onvoldoende bereikbaar en beschikbaar
4.11 De huisarts heeft gemotiveerd betwist dat zij onvoldoende bereikbaar en
beschikbaar was, omdat zij drie dagen per week werkzaam is. Het Centraal Tuchtcollege
sluit zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over dit klachtonderdeel.
Klager heeft ook in beroep nagelaten om dit verwijt met concrete voorbeelden te onderbouwen
en voor zijn standpunt zijn in het medisch dossier ook geen aanwijzingen te vinden.
Dit klachtonderdeel is dus terecht ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c) onduidelijke verslaglegging
4.12 De huisarts weerspreekt dat er, zoals klager stelt, sprake is van onduidelijke
verslaglegging in het medisch dossier van patiënte, omdat hierin een aantal zaken
niet is vermeld. Zij wijst erop dat klager zijn informatie niet heeft gehaald uit
het medisch dossier (het elektronisch patiëntendossier), maar uit de persoonlijke
gezondheidsomgeving (PGO) van de patiënte.
4.13 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dat wat het Regionaal Tuchtcollege hierover in 5.13 van zijn beslissing heeft overwogen. Dat college is terecht tot de conclusie gekomen dat de informatie en de verslaglegging, zoals opgenomen in het door de huisarts overgelegde medisch dossier, voldoende en duidelijk is. De volgens klager ontbrekende informatie is hierin ook opgenomen. Dit klachtonderdeel is dus eveneens terecht ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d) geen euthanasie uitgevoerd
4.14 Het Centraal Tuchtcollege leidt net als het Regionaal Tuchtcollege uit het
klaagschrift af dat klager de huisarts in de kern ook verwijt dat zij geen euthanasie
heeft uitgevoerd. Volgens klager heeft zij te afwachtend gereageerd en de wensen van
de patiënte over haar levenseinde niet serieus genomen. Klager stelt dat de huisarts
daarmee ook in strijd met de wet handelde. Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover
als volgt.
4.15 De patiënte heeft op 18 maart 2024 in een gesprek bij haar thuis aan de huisarts
verteld dat zij veel pijn had en dat zij wilde dat het euthanasietraject in gang werd
gezet. De huisarts heeft toen aan de patiënte aangegeven dat de pijn die patiënte
ervaarde na de recente val niet als uitzichtloos kon worden aangemerkt en dat daarmee
niet werd voldaan aan de zorgvuldigheidseisen voor euthanasie. De huisarts sprak met
de patiënte af dat zij ongeveer vier tot zes weken na de val weer contact zou hebben
over de euthanasiewens. Het Centraal Tuchtcollege kan deze afweging van de huisarts
volgen.
4.16 Op 5 april 2024 had de huisarts bij de patiënte thuis een gesprek over haar
aanhoudende euthanasiewens. Zoals hiervoor overwogen, kon de huisarts die dag concluderen
dat een euthanasietraject niet meer haalbaar zou zijn en dat daarom moest worden ingezet
op een beleid gericht op comfort.
4.17 De huisarts heeft op 8 april 2024 het euthanasietraject alsnog in gang gezet door een consult van een SCEN-arts aan te vragen. Dit deed zij nadat zij de situatie van de patiënte opnieuw had beoordeeld. De SCEN-arts heeft de patiënte op 11 april 2024 bezocht. De patiënte was toen niet meer aanspreekbaar en niet wekbaar. De SCEN-arts heeft geoordeeld dat, gelet op haar toestand van verlaagd bewustzijn, niet aan alle wettelijke eisen voor het honoreren van een verzoek tot euthanasie was voldaan. De huisarts heeft vervolgens besloten om van de euthanasie af te zien. Zij kon zich vinden in de mening van de SCEN-arts, omdat bij patiënte vanwege de onomkeerbare verlaging van het bewustzijn geen sprake was van lijden. Om die reden kon de euthanasie geen doorgang vinden, aldus de huisarts.
4.18 De in Nederland geldende regelgeving met betrekking tot euthanasie sluit niet per definitie uit dat een SCEN-arts ook in een geval waarin hij niet meer met de patiënt kan communiceren op grond van overige informatie tot de conclusie komt dat aan de eerste vier wettelijke zorgvuldigheidseisen voor euthanasie is voldaan. Ook kunnen er omstandigheden zijn waarin een arts euthanasie uitvoert in een situatie waarin er op het moment van de uitvoering bij de patiënt sprake is van een verlaagd bewustzijn. Het Centraal Tuchtcollege wijst in dat kader op de EuthanasieCode 2022 (p. 54) en op de KNMG-richtlijn Euthanasie bij een verlaagd bewustzijn (p. 29). Het is aan de SCEN-arts en aan de arts die de euthanasie uitvoert om te beoordelen of van deze omstandigheden sprake is. Beiden hebben met betrekking tot de conclusies die zij trekken een eigen, op de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding gebaseerde verantwoordelijkheid. De arts mag daarbij afwijken van het advies van de SCEN-arts, maar dient de afwijking wel te motiveren. De omstandigheid dat de klager met de huisarts van mening verschilt over diens inhoudelijke conclusies biedt onvoldoende basis voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de huisarts. Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege ten overvloede dat een arts nooit verplicht is om euthanasie uit te voeren.
4.19 Gelet op al hetgeen daarover in het medisch dossier is genoteerd, kan niet worden geoordeeld dat de huisarts te afwachtend heeft gereageerd of de wensen van de patiënte over haar levenseinde niet serieus heeft genomen. Het Centraal Tuchtcollege komt net als het Regionaal Tuchtcollege, zij het op iets andere gronden, tot het oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
Conclusie
4.20 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het beroep van klager wordt daarom verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter,
R. Prakke-Nieuwenhuizen en J. Legemaate, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.