ECLI:NL:TGZRSHE:2025:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7272

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:48
Datum uitspraak: 16-04-2025
Datum publicatie: 16-04-2025
Zaaknummer(s): H2024/7272
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht. Huisarts wordt in verband met een euthanasieverzoek onvoldoende en warrige communicatie over de gezondheidstoestand van de patiënte verweten, onvoldoende bereikbaar en beschikbaar zijn, onduidelijke verslaglegging en het in strijd met de wens van patiënte niet uitvoeren van euthanasie. Door patiënte opgesteld behandelverbod. Beoordeling en herbeoordeling van de gezondheidstoestand van patiënte en het te voeren beleid. De verwarring van klager op dit punt is te begrijpen, maar dat wil niet zeggen dat sprake is van onzorgvuldig handelen. Uitgangspunt is dat medisch dossier een juiste weergave is van wat is genoteerd en besproken, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Die aanwijzingen zijn er niet. Onvoldoende onderbouwing dat huisarts niet bereikbaar en beschikbaar zou zijn. Medisch dossier is voldoende helder en duidelijk. Euthanasiewens van patiënte is wel degelijk serieus genomen. Terechte beslissing om euthanasie niet uit te voeren en geheel in lijn met de geldende richtlijnen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 16 april 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],

huisarts,
destijds werkzaam in [B], verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1   De echtgenote van klager (verder: de patiënte) was ernstig ziek en had gevraagd om 
euthanasie. Daarop heeft de huisarts van de patiënte het euthanasietraject ingezet. Klager verwijt 
de huisarts dat zij onvoldoende en warrig heeft gecommuniceerd over de gezondheidstoestand van de 
patiënte. Ook verwijt hij de huisarts dat zij onvoldoende bereikbaar en beschikbaar was, een 
onduidelijke verslaglegging heeft en geen euthanasie heeft uitgevoerd bij de patiënte.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 juni 2024;
-  de brief van 18 juli 2024 van de secretaris aan klager;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
-  de brief van 25 juli 2024 van de secretaris aan klager;
-  het verweerschrift met de bijlagen.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   De patiënte (geboren in 1945) stond ingeschreven in de huisartsenpraktijk van verweerster. 
Door de patiënte is op 5 augustus 2020 een “Volmacht medische besluitvorming & beslissingen” 
ondertekend. Ook heeft zij op die datum een behandelverbod en -gebod opgesteld. Hierin staat onder 
meer (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “Ik wil geen actieve 
euthanasie. Te weten op uur X wordt mij, bij bewust zijn of volledige onbewust zijn, een spuitje of 
infuus gegeven waarna ik kort daarna overlijd. Wat ik wil is op uur X, bij bewust zijn of volledige 
onbewust zijn, inslaap gebracht te worden en door verhoging van medicijnen, zoals bv morfine, na 
een aantal uren tot maximaal 2 dagen te overlijden. Feitelijk palliatieve zorg bij ondragelijk 
lijden.”

3.2   Op 15 januari 2024 kwam de patiënte op het spreekuur van verweerster om levenseinde- en 
behandelwensen te bespreken. In het dossier noteerde verweerster: “Gesprek 
levenseinde/behandelwensen besproken, palliatieve sedatie echt in terminale fase (levensverwachting 
<2 wk). onze hulp bij actieve levensbeeindiging zou in de vorm van
euthanasie kunnen zijn of begeleiden bij stoppen met eten en drinken. met dit laatste slechte 
ervaringen bij moeder. uitleg euthanasie moet altijd aan zorgvuldigheidseisen voldoen. gaat zich er 
verder in verdiepen en komt er indien gewenst op terug.”

3.3   Op 27 februari 2024 ondertekende de patiënte een aanvulling op het eerder opgestelde 
behandelverbod, waarin onder meer is opgenomen:”Formele palliatieve sedatie kan dan kennelijk niet, 
omdat er dan geen kans op een natuurlijk overlijden is binnen 14 dagen. Ik vind dat een enorme 
betutteling van mijn eigen wil.” Als laatste zin staat daarin
vermeld: “In een dergelijke omstandigheid vind ik dat geen aanvaardbaar leven meer. Ik wil dan 
afscheid nemen van het leven doormiddel van passieve euthanasie.” Naar aanleiding van deze 
aanvulling op het behandelverbod, legde de huisarts op 18 maart 2024 een visite af bij de patiënte. 
In het dossier noteerde de huisarts:
“S   visite tav aanvulling op behandelwensen; in aanvulling in corr staat dat ze geen
‘actieve euthanasie’ wil. geeft echter aan dit wel te willen. (…) heeft vragen over het 
euthanasieproces.(…) ook verdere behandelwensen besproken (…).
E   ACP: niet reanimeren, geen ziekenhuisopname. euthanasiewens. uitgebreid
gesproken. (…) proces rondom euthanasie besproken, zorgvuldigheideisen en P   consultatie scen 
arts. aangegeven dat rugklachten nu niet uitzichtloos zijn,
verwachting is dat dit na 6wk stuk beter zal gaan. afgesproken om na 4-6wk stand van zaken te 
evalueren. als haar euthanasiewens actueel blijft is consultatie scen arts mogelijk, dit advies is 
leidend.”

3.4   Op 19 maart 2024 ondertekende de patiënte opnieuw een aanvullend behandelverbod, waarin zij 
als laatste zin opnam: “Ik wil een einde aan mijn leven via euthanasie.” In een telefoongesprek met 
de huisarts op 28 maart 2024 gaf de patiënte aan dat zij bij haar euthanasieverzoek blijft.

3.5   Op 4 april 2024 heeft de dienstdoende huisarts van de huisartsenpost een huisbezoek aan de 
patiënte afgelegd. Tijdens dit gesprek vertelde zij dat er bij de patiënte sprake was van 
uitgezaaide darmkanker.

3.6   Vanwege de snelle achteruitgang van de patiënte gaf de huisarts tijdens een huisbezoek op 
vrijdag 5 april 2024 aan dat er geen tijd meer was om alle stappen van het euthanasietraject te 
doorlopen. De patiënte ging ermee akkoord dat het beleid op comfort werd gericht. In het medisch 
dossier staat hierover vermeld: “(…) beleid gericht op comfort. sc morfine besproken ivm moeite met 
pillen slikken nu/misselijkheid. weer reeds 1x 10mg morfine sc toegediend. uitleg hiermee dus geen 
euthanasietraject.” Na advies van een specialistisch team werd een morfinepomp bij de patiënte 
geplaatst.

3.7   Op zondagochtend 7 april 2024 bracht een arts van de huisartsenpost een bezoek aan de 
patiënte. Tijdens dit bezoek verzocht de familie om palliatieve sedatie. De arts vond dat er op dat 
moment geen indicatie was voor palliatieve sedatie vanwege het ontbreken van een refractair 
symptoom. Na overleg tussen de arts en verweerster, bevestigde verweerster dit standpunt van de 
arts.

3.8   Op maandag 8 april 2024 legde de huisarts opnieuw een huisbezoek af en constateerde dat 
sprake was van een terminale situatie. Met de familie besprak zij het te voeren beleid en noteerde 
in het dossier: “Naast de palliatieve situatie van mw., lijkt ook onduidelijkheid over het beleid 
in het afgelopen weekend, i.c.m. regieverlies (toch geen euthanasie; toch geen sedatie) (…). 
Uiteindelijk zo’n 25 minuten met familie gepraat, waarbij volgens mij in voldoende mate van 
gedachten gewisseld. Met name partner blijft ontevreden met uitblijven actie nu.” Omdat de patiënte 
zelf op dat moment goed aanspreekbaar was, sprak verweerster met de patiënte over haar 
euthanasiewens. In het dossier noteerde zij: “dhr is het er in eerste instantie niet mee eens dat 
ik met mw spreek, aangegeven dat dit erg van belang is ihkv euthanasiewens. mw zelf geeft aan dat 
ze graag wil dat nu de scen arts inschakel. uitleg fam tav morfine en pall sedatie, op medische 
indicatie, voor pall sedatie is deze er nu niet. besproken dat ik scen arts ga raadplegen ivm nu 
actuele euthanasiewens (…)”

3.9   De SCEN-arts nam op woensdag 10 april 2024 telefonisch contact op met klager. Omdat de 
patiënte op dat moment diep in slaap en niet meer aanspreekbaar was, bezocht de SCEN-arts haar op 
donderdag 11 april 2024. Na dit bezoek sprak de SCEN-arts met de huisarts. In het huisartsendossier 
staat hierover: “scen arts [naam] gesproken op de praktijk na zijn consultatie. zie ook zijn verslag. geeft aan dat wilsbekwaamheid niet ingeschat kan worden ivm niet aanspreekbaar tijdens consult. hiermee kan niet worden voldaan aan de wettelijk eisen voor euthanasie.”

3.10  Op 12 april 2024 had de huisarts telefonisch contact met klager. In het dossier staat 
hierover genoteerd dat klager onvrede voelt over de situatie en het er niet mee eens is dat 
euthanasie niet mogelijk was.

3.11  Op … 2024 is de patiënte overleden.


4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klager verwijt de huisarts dat zij:
a) onvoldoende en warrig heeft gecommuniceerd over de gezondheidstoestand van de patiënte;
b) onvoldoende bereikbaar en beschikbaar was;
c) een onduidelijke verslaglegging heeft;
d) geen euthanasie heeft uitgevoerd bij de patiënte.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling
5.1   Het college heeft oog voor het verdriet van klager. Dat laat onverlet dat het college een 
zakelijke afweging moet maken op de vraag of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar 
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. 
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden.

5.2   Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat 
de klacht kennelijk ongegrond is. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

Uitleg
5.3   Het college wijst allereerst op het verschil tussen palliatieve sedatie en euthanasie. Dit 
verschil is ook te lezen in de KNMG-factsheet ‘Palliatieve sedatie & euthanasie’ van januari 2023 
(hierna: de factsheet). Hierin wordt het volgende opgemerkt:
“Bij palliatieve sedatie geeft een arts medicijnen aan de patiënt waardoor het bewustzijn van de 
patiënt verlaagt. Hierdoor heeft de patiënt geen last meer van pijn, benauwdheid of andere ernstige klachten. Een arts doet dit alleen als het niet lukt om deze ernstige klachten op een andere manier op te lossen.
(…) “Bij euthanasie vraagt de patiënt aan de arts zijn leven te beëindigen (…). De patiënt kan dit 
verzoeken bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Als de arts euthanasie (wettelijk mag én) wil 
uitvoeren, gebeurt dit door de patiënt een infuus of injectie te geven met een dodelijke vloeistof. 
(…)”.
Aanvullend staat in de factsheet beschreven dat het doel van euthanasie het opheffen van het lijden 
door het beëindigen van het leven is. Euthanasie betreft bijzonder medisch handelen dat strafbaar 
is, tenzij aan alle voorwaarden van de euthanasiewet wordt voldaan. Het doel van palliatieve 
sedatie is het verlichten van het lijden door opzettelijk het bewustzijn te verlagen. Het gaat 
hierbij om normaal medisch handelen, waarop de Richtlijn Palliatieve sedatie van toepassing is. Bij 
palliatieve sedatie gaat het dus niet om het leven te bekorten of te beëindigen.

Klachtonderdeel a) onvoldoende en warrige communicatie
5.4  Uit de tekst van het door de patiënte opgestelde behandelverbod en de tekst van de latere 
aanvullingen hierop, maakt het college op dat het voor de patiënte en wellicht ook voor klager niet 
helemaal helder is geweest dat er verschil was tussen een palliatieve sedatie en het toepassen van 
euthanasie, zoals hiervoor is weergegeven. Daar komt bij dat, zoals door het college is 
vastgesteld, met name de communicatie over het te voeren beleid in de dagen van 5 tot en met 8 
april 2024 door klager, en wellicht ook door de patiënte, als verwarrend is ervaren. Immers gaf 
verweerster op vrijdag 5 april 2024 aan dat de situatie van de patiënte dusdanig slecht was, dat er 
geen tijd meer was om alle stappen van een euthanasietraject te volgen. Bij haar bezoek op maandag 
8 april 2024 kwam verweerster daarop terug en zette zij de euthanasieprocedure alsnog in gang.

5.5  Hoewel het college de verwarring van klager op dit punt kan begrijpen, wil dat niet zeggen dat 
verweerster onzorgvuldig gehandeld heeft. De huisarts heeft immers naar bevind van zaken gehandeld 
met het oog op de situatie van de patiënte, zoals ze haar tijdens de afgelegde huisbezoeken 
aantrof. Gelet op de ernst van de medische situatie van de patiënte op vrijdag 5 april 2024, kon de 
de huisarts terecht tot het oordeel komen dat er alleen nog ruimte was voor een beleid dat gericht 
was op comfort. Daarbij heeft zij met juistheid meegewogen dat een euthanasietraject tenminste 
enkele dagen in beslag neemt. Vanwege de slechte gezondheidstoestand van de patiente op vrijdag 5 
april 2024 zou een euthanasietraject mogelijk onhaalbaar zijn. Dat neemt niet weg dat de mededeling 
aan klager dat er geen tijd meer was om alle stappen van het door de patiënte gewenste 
euthanasietraject te doorlopen, wellicht emotie heeft opgeroepen en op dat moment ook niet hetgeen 
was wat klager voor zijn echtgenote wenste. Dat de gezondheidstoestand op maandag 8 april 2024 
minder slecht leek en de patiënte die dag ook goed aanspreekbaar was, doet niet af aan de juistheid 
van de afwegingen op vrijdag 5 april 2024. Op maandag 8 april 2024 heeft de huisarts op grond van 
de toen door haar beoordeelde gezondheidstoestand kunnen komen tot een heroverweging, waarbij zij 
de afweging heeft

gemaakt dat het euthanasietraject toch haalbaar zou kunnen zijn. Daarop heeft zij, overeenkomstig 
de wil van de patiënte, dit traject ook ingezet.

5.6  Klager voert in verband met dit klachtonderdeel ook aan dat enkele dossiernotities van de 
huisarts niet op waarheid gebaseerd zijn. De notitie die klager als een leugen bestempelt, betreft 
die van maandag 8 april 2024 (zie alinea 3.7).

5.7  Uitgangspunt is dat het medisch dossier een juiste weergave is van hetgeen omtrent de patiënte 
is genoteerd en hetgeen met de patiënte is besproken. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als er 
aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Het is dan aan klager om deze aanwijzingen te benoemen. 
Klager heeft dat echter nagelaten, waardoor zijn verwijt dat sprake is van een leugen, niet kan 
worden vastgesteld. Het college stelt vast dat gedurende de gehele periode, vanaf eind 2023 tot aan 
het overlijden van de patiënte, sprake is van een duidelijk, transparant en zorgvuldig bijgehouden 
dossier. De huisarts heeft meerdere keren, zowel aan de patiënte als aan klager, uitleg heeft 
gegeven over de (on)mogelijkheden met betrekking tot de geuite levenseinde- en behandelwensen. Het 
college heeft in het medisch dossier ook geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van de 
dossiernotities te twijfelen.

5.8   Als voorbeeld van warrige communicatie voert klager ook nog aan dat de dienstdoende huisarts 
van de huisartsenpost op 4 april 2024 sprak over uitgezaaide darmkanker bij de patiënte, terwijl 
daar geen sprake van was. Het college is van oordeel dat deze mededeling van de dienstdoende 
huisarts hoogst ongelukkig was, maar dat dit verweerster niet kan worden verweten. Verweerster was 
hier immers niet bij betrokken.

5.9   Klager heeft tot slot nog gesteld dat hij na het overlijden van de patiënte bij de praktijk 
had aangegeven naar een andere huisarts te willen overstappen. Ook vroeg hij om nog een gesprek met 
de huisarts, maar de assistente vertelde hem dat als hij uitgeschreven is, er geen gesprek meer kan 
plaatsvinden. De huisarts betreurt het dat zij van dat verzoek van klager niet op de hoogte was. 
Zij heeft dat pas in het klaagschrift gelezen, anders was zij het gesprek met klager zeker 
aangegaan. Voor zover klager de huisarts verwijt dat het gesprek niet heeft plaatsgevonden, is het 
college van oordeel dat de mededeling van de assistente weliswaar ongelukkig was, maar dat de 
huisarts hierin geen rol heeft gespeeld. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) onvoldoende bereikbaar en beschikbaar
5.10  Klager verwijt de huisarts dat zij onvoldoende bereikbaar en beschikbaar was, omdat zij drie 
dagen per week werkzaam is. De huisarts betwist dat zij onvoldoende bereikbaar is (geweest). Zij 
heeft steeds zorggedragen voor een goede overdracht aan haar collega’s voor de dagen dat zij niet 
zelf werkzaam was. Ook heeft zij zich samen met haar collega’s altijd ingespannen om een goede 
bereikbaarheid te borgen. De patiënte en haar familie hebben de praktijk steeds kunnen bereiken en er is steeds, zo snel als mogelijk en geïndiceerd, contact geweest, telefonisch of door middel van een huisbezoek.


5.11  Het college oordeelt als volgt. Omdat klager heeft nagelaten dit verwijt met concrete 
voorbeelden te onderbouwen, is niet duidelijk op welke momenten de bereikbaarheid en 
beschikbaarheid van de huisarts onvoldoende zou zijn geweest. Voor dit standpunt van klager heeft 
het college ook geen aanwijzingen in het dossier gevonden. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk 
ongegrond.

Klachtonderdeel c) onduidelijke verslaglegging
5.12  Klager stelt dat er sprake is van onduidelijke verslaglegging omdat in het dossier niet staat 
vermeld dat de patiente op 29 februari 2024 bij een collega van de huisarts is geweest nadat zij 
gevallen was. Ook is volgens hem in het dossier niets terug te vinden over de foto’s die op 13 
maart 2024 van de rug van de patiente zijn gemaakt. Van onduidelijke verslaglegging is volgens de 
huisarts geen sprake. De huisarts wijst erop dat klager zijn informatie niet heeft gehaald uit het 
medisch dossier (het elektronisch patiëntendossier), maar uit de persoonlijke gezondheidsomgeving 
(PGO) van de patiënte. Dit is een digitale omgeving waarbinnen de patiënt informatie over zijn 
gezondheid kan inzien, opslaan en beheren.

5.13  Het college stelt vast dat de medische informatie die klager in zijn klaagschrift heeft 
opgenomen, inderdaad afkomstig is uit de PGO. Een PGO bevat echter niet een volledige weergave van 
de medische geschiedenis van een patiënt. Die informatie is opgenomen in het medisch dossier van de 
zorgverlener. Het college stelt vast dat de informatie en de verslaglegging, zoals opgenomen in het 
door de huisarts overgelegde medisch dossier, voldoende helder en duidelijk is. In dit medisch 
dossier staat ook het consult van de patiënte op 29 februari 2024 opgenomen, evenals de vermelding 
dat er op 13 maart 2024 X-foto’s zijn gemaakt. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk 
ongegrond is.

Klachtonderdeel d) geen euthanasie uitgevoerd
5.14  De huisarts heeft geen euthanasie bij de patiënte uitgevoerd. Volgens klager had de huisarts 
dat wel moeten doen, ondanks dat de patiënte niet meer aanspreekbaar was. De huisarts is van mening 
dat zij conform de geldende beroepsnormen heeft gehandeld.

5.15  Het college oordeelt als volgt. Als een arts euthanasie verricht, moet hij zich houden aan de 
zorgvuldigheidseisen van de euthanasiewet. Een van die zorgvuldigheidseisen is dat de arts die 
voornemens is om euthanasie uit te voeren, altijd een onafhankelijke arts (een SCEN-arts) moet 
raadplegen. De SCEN-arts is een arts die speciaal is opgeleid om - onder meer - deskundige en 
onafhankelijke consultatie te geven aan een collega-arts als sprake is van een euthanasieverzoek. 
De SCEN-arts moet de patiënt zelf zien en geeft daarna schriftelijk zijn oordeel of is voldaan aan 
de zorgvuldigheidseisen zoals die door de wet zijn geformuleerd.

5.16  De huisarts heeft op 8 april 2024 het euthanasietraject in gang gezet door een consult van 
een SCEN-arts aan te vragen. Dit deed zij nadat zij de situatie van de patiënte opnieuw had 
beoordeeld. De SCEN-arts heeft de patiënte enkele dagen later bezocht en, gelet op haar toestand 
van verlaagd bewustzijn, geoordeeld dat niet aan alle wettelijke eisen voor het honoreren van een 
verzoek tot euthanasie was voldaan. De SCEN-arts heeft de huisarts voorgesteld het traject van 
palliatieve sedatie in te gaan.
Hoewel de huisarts mag afwijken van het door de SCEN-arts gegeven advies, dient een afwijking van 
dit advies wel gemotiveerd te zijn. De huisarts heeft uiteindelijk geoordeeld, en ook kunnen 
oordelen, dat er geen redenen waren om van het advies af te wijken. Dat heeft noodzakelijkerwijs 
ertoe geleid dat euthanasie niet meer kon worden uitgevoerd bij de patiënte. De huisarts heeft dit 
ook met klager en de familie besproken. Dat dit besluit voor klager voelde alsof hij de laatste 
wensen van zijn echtgenote niet kon vervullen, is begrijpelijk. Dit wil echter niet zeggen dat de 
huisarts de euthansiewens van de patiënte niet serieus heeft genomen. Gelet op al hetgeen daarover 
in het medisch dossier is genoteerd, is het college gebleken dat de huisarts de euthanasiewens van 
de patiënte wel degelijk serieus heeft genomen. Dat de huisarts geen euthanasie heeft uitgevoerd 
was een terechte beslissing en geheel in lijn met de geldende richtlijnen. Ook dit klachtonderdeel 
is kennelijk
ongegrond.


Slotsom
5.17  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.


6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 16 april 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, J.G.E. Smeets en N.B. van der Maas, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris.