ECLI:NL:TGZCTG:2026:104 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2825
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:104 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-05-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2825 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een KNO-arts in zijn hoedanigheid van SCEN-arts. De echtgenote van klager (de patiënte) was ernstig ziek en had gevraagd om euthanasie. Daarop heeft de huisarts van de patiënte het euthanasietraject ingezet en de SCEN-arts geraadpleegd. Klager verwijt de SCEN-arts dat hij te laat is gekomen en dat hij, in strijd met de wens van patiënte, niet akkoord is gegaan met het uitvoeren van euthanasie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2825 van:
A.,
wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C.,
Keel-, neus- en oorarts (KNO-arts), in zijn hoedanigheid van SCEN-arts,
destijds werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de SCEN-arts.
1. Kern van de zaak
1.1 De echtgenote van klaagster (hierna: de patiënte) was ernstig ziek en had gevraagd om euthanasie. Daarop heeft de huisarts van de patiënte het euthanasietraject ingezet. Onderdeel van het traject is dat de arts die overweegt om de euthanasie uit te voeren een SCEN-arts raadpleegt. Klager verwijt de SCEN-arts dat hij te laat is gekomen en dat hij, in strijd met de wens van patiënte, niet akkoord is gegaan met het uitvoeren van euthanasie.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Hertogenbosch heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de ongegrondverklaring van de klacht en verwerpt het beroep.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te
’s-Hertogenbosch van 16 april 2025 met nummer H2024/7268 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:49). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het verweerschrift en de nadere correspondentie van klager.
2.3 De zaak is op de zitting van 11 maart 2026 behandeld. Klager en de SCEN-arts waren aanwezig. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De door klager voorgelezen samenvatting van zijn pleitnota is aan het dossier toegevoegd. Dit geldt ook voor de door klager ter zitting overgelegde integrale pleitnota, die in verband met de omvang ervan niet mocht worden voorgelezen. De SCEN-arts is door deze toevoeging aan het dossier niet in zijn belangen geschaad.
3. Feiten
3.1 Het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 De patiënte heeft in januari 2024 haar levenseinde- en behandelwensen met haar huisarts besproken. Op 19 maart 2024 ondertekende de patiënte een tweede aanvulling op een eerder door haar opgestelde schriftelijke verklaring met betrekking tot een behandelverbod. Hierin staat als laatste zin opgenomen (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “Ik wil een einde aan mijn leven via euthanasie.”
3.3 De huisarts heeft op maandag 8 april 2024 het euthanasietraject in gang gezet
door via ATACOM een SCEN-consult aan te vragen. Naar aanleiding van die aanvraag,
nam de SCEN-arts telefonisch contact met de huisarts op, van wie hij vervolgens de
relevante dossierstukken ontving. De SCEN-arts heeft op dinsdag 9 april 2024 het dossier
bestudeerd. Na het bestuderen van het dossier belde hij op woensdag 10 april 2024
met klager voor het maken van een afspraak. Op donderdag 11 april 2024 bracht hij
een bezoek aan de patiënte. In het SCEN-verslag staat vermeld:
“Bezoek aan de patiënt
Datum: 11-04-2024
Ik had de avond ervoor gebeld om een afspraak te maken voor vandaag. Haar man nam
op en vertelde me dat na de slaapmedicatie van gisteren vandaag niet meer wakker was
geworden, maar dat hij hoopte dat ze morgenochtend wel weer wakker zou zijn en dat
het consult absoluut door moest gaan.
Ik bezocht patiënte thuis (…). Ik zag een cachectische dame die niet aanspreekbaar
en ook niet wekbaar was. Hiermee was haar wilsbekwaamheid niet meer controleerbaar.
Uitvoerig met de familie besproken dat van actieve euthanasie geen sprake meer kon
zijn. Haar man probeerde dit te weerleggen (…) Hij was van mening dat het wel mogelijk
zou moeten zijn. (…) het was duidelijk dat hij mijn standpunt niet kon delen.
(…)
Conclusie
Naar aanleiding van bovenstaande ben ik van mening dat NIET aan alle wettelijke
eisen die de wet stelt aan het honoreren van een verzoek tot euthanasie is voldaan.”
3.4 In 2024 is de patiënte overleden.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klager verwijt de SCEN-arts dat hij:
a) veel te laat op consult kwam;
b) zich niet aan de wet heeft gehouden door het verzoek tot euthanasie niet te
honoreren.
4.2 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De SCEN-arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
4.4 Dit betekent dat in beroep de oorspronkelijke klacht in volle omvang ter beoordeling van het Centraal Tuchtcollege voorligt.
Procedurele beroepsgronden
4.5 Klager heeft in beroep naar voren gebracht dat hij door het Regionaal Tuchtcollege
in zijn klachtrecht is beperkt en dat daar geen sprake is geweest van een eerlijk
proces. Hij is onder meer van mening dat dat college hem ten onrechte niet heeft toegestaan
te reageren op het verweerschrift dat aldaar door de SCEN-arts was ingediend. Deze
beroepsgrond treft geen doel. De behandeling bij het Centraal Tuchtcollege is bedoeld
om eventuele verzuimen in de behandeling bij het Regionaal Tuchtcollege in beroep
te herstellen. Mocht er in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege sprake zijn
geweest van een onjuiste gang van zaken, dan is dit hersteld door de behandeling van
de zaak in beroep. Daar zijn partijen zowel schriftelijk als mondeling in de gelegenheid
gesteld om dat naar voren te brengen wat volgens hen voor de beoordeling van de zaak
van belang is. Klager heeft daar alsnog op de stellingen van de SCEN-arts kunnen reageren.
Toetsingskader
4.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft oog voor het verdriet dat klager heeft van
het feit dat de patiënte niet is overleden op de manier waarop zij dat had gewenst.
Dit neemt niet weg dat op een zakelijke manier moet worden beoordeeld of de SCEN-arts
de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een
redelijk bekwame en redelijk handelende SCEN-arts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor de SCEN-arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden,
waaronder de KNMG-richtlijn voor SCEN-artsen: Steun en consultatie bij euthanasie
(juli 2023), de EuthanasieCode 2022 en de KNMG-richtlijn Euthanasie bij een verlaagd
bewustzijn.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel a) te laat op consult
4.7 Klager is van mening dat de SCEN-arts te laat op consult kwam. De SCEN-arts
stelt zich op het standpunt dat hij volgens de richtlijn heeft gehandeld.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen 5.3 tot en met 5.5 van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze hier integraal over. Gelet op het tijdsverloop tussen het verzoek voor het SCEN-consult enerzijds en het eerste contact met de huisarts en het bezoek aan de patiënte anderzijds, heeft het Regionaal Tuchtcollege terecht geconcludeerd dat de SCEN-arts volgens de richtlijn Steun en consultatie bij euthanasie (juli 2023) heeft gehandeld. Daarbij merkt het Centraal Tuchtcollege op dat niet is gebleken dat de huisarts aan de SCEN-arts eerder dan 10 april 2024 kenbaar heeft gemaakt dat er sprake was van een spoedeisende situatie. Gelet hierop, is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.9 Klager stelt dat de SCEN-arts in strijd met de wet heeft gehandeld door in
zijn SCEN-verslag te concluderen dat aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen voor euthanasie
niet was voldaan. Daarover oordeelt het Centraal Tuchtcollege als volgt.
4.10 De in Nederland geldende regelgeving met betrekking tot euthanasie sluit niet per definitie uit dat een SCEN-arts ook in een geval waarin hij niet meer met de patiënt kan communiceren op grond van overige informatie tot de conclusie komt dat aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen voor euthanasie is voldaan. Ook kunnen er omstandigheden zijn waarin een arts euthanasie uitvoert in een situatie waarin er op het moment van de uitvoering bij de patiënt sprake is van een verlaagd bewustzijn. Het Centraal Tuchtcollege wijst in dat kader op de EuthanasieCode 2022 (p. 54) en op de KNMG-richtlijn Euthanasie bij een verlaagd bewustzijn (p. 29).
4.11 Het is aan de SCEN-arts en aan de arts die de euthanasie uitvoert om te beoordelen of van deze omstandigheden sprake is. Waar het gaat om de SCEN-arts dient het Centraal Tuchtcollege zijn conclusies in een individueel geval met terughoudendheid te beoordelen. Van de SCEN-arts mag worden verwacht dat hij een consult uitvoert en een verslag opstelt conform de daarvoor geldende richtlijnen. Hij heeft met betrekking tot de conclusies die hij trekt een eigen, op de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding gebaseerde verantwoordelijkheid. De omstandigheid dat klager met de SCEN-arts van mening verschilt over diens inhoudelijke conclusies biedt onvoldoende basis voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de SCEN-arts. Om die reden is de klacht dat de SCEN-arts heeft gehandeld in strijd met de wet naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege ongegrond.
Conclusie
4.12 De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege terecht, zij het op iets
andere gronden, de klacht tegen de SCEN-arts ongegrond heeft verklaard. Het Centraal
Tuchtcollege zal het beroep van klager daarom verwerpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter,
R. Prakke-Nieuwenhuizen en J. Legemaate, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.