ECLI:NL:TGZCTG:2025:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2673
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:215 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 17-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2024/2673 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klagers verbleven in 2012 met hun twee minderjarige dochters in een AZC. Klagers en hun jongste dochter zijn verschillende keren bij de praktijkverpleegkundige van het AZC geweest en eenmaal bij de huisartsenpost. Op twee momenten heeft de praktijkverpleegkundige over het ingezette beleid contact gehad met de huisarts. De dag na het bezoek aan de huisartsenpost is het gezin overgeplaatst naar een detentiecentrum in verband met uitzetting. Nadat het gezin is uitgezet naar bleek zeer kort na aankomst de jongste dochter aan lymfoblastaire leukemie te lijden, waaraan zij in 2014 is overleden. Klagers verwijten de arts dat hij tekort is geschoten in de zorg aan de jongste dochter door onvoldoende onderzoek te hebben verricht, ten onrechte niet doorverwezen te hebben en niet de juiste diagnose gesteld te hebben. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klagers. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2024/2673 van:
A., en B., wonende in C., appelanten, klagers in eerste aanleg
gemachtigde: mr. M. Delnoy-Garske, werkzaam in Maastricht,
tegen
D., huisarts, destijds werkzaam in E., verweerder in beide instanties, hierna: de
huisarts, gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klagers verbleven in 2012 met hun twee minderjarige dochters in een F.. Klagers
en hun jongste dochter zijn verschillende keren bij de praktijkverpleegkundige van
het F. geweest en eenmaal bij de huisartsenpost. Op twee momenten heeft de praktijkverpleegkundige
over het ingezette beleid contact gehad met de huisarts. De dag na het bezoek aan
de huisartsenpost is het gezin overgeplaatst naar een detentiecentrum in verband met
uitzetting. Nadat het gezin is uitgezet naar G. bleek zeer kort na aankomst de jongste
dochter aan lymfoblastaire leukemie te lijden, waaraan zij in 2014 is overleden. Klagers
verwijten de arts - kort weergegeven - dat hij tekort is geschoten in de zorg aan
de jongste dochter door onvoldoende onderzoek te hebben verricht, ten onrechte niet
doorverwezen te hebben en niet de juiste diagnose gesteld te hebben.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van
klagers.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klagers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg in ‘s-Hertogenbosch van 20 november 2024 met nummer H2022/5049
(ECLI:NL:TGZRSHE:2024:136). De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
2.2 De zaak is op de zitting van 19 november 2025 tegelijk behandeld met zaak
C2024/2674. De zaken zijn niet gevoegd. Partijen en hun gemachtigden waren daar aanwezig.
De spreekaantekeningen die mr. Delnoy-Garske heeft gebruikt zijn toegevoegd aan het
dossier van het Centraal Tuchtcollege.
3. Feiten
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
zoals weergegeven
in overweging ‘3. Wat is er gebeurd?’ van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
met uitzondering van overweging 3.2 waar staat dat de huisarts werkzaam was in het
F.. De huisartsenzorg aan het F. werd geleverd door een huisartsenpraktijk op bijna
tien kilometer afstand van het F.. De huisarts was in die praktijk werkzaam als huisarts
in loondienst.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over?
4.1 Klagers verwijten de huisarts dat hij:
1. onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de klachten van de dochter en haar
klachten niet serieus heeft genomen dan wel klagers niet serieus heeft genomen, waardoor
een (ernstige) diagnose is gemist, de dochter een kans op (tijdige) behandeling is
ontnomen en zij uiteindelijk
is overleden;
2. als zorgverlener niet de zorg heeft verleend die van hem als redelijk handelend
en redelijk bekwaam arts mocht worden verwacht en onzorgvuldig heeft gehandeld;
3. tekort is geschoten in zijn zorgplicht als behandelaar/zorgverlener en specifiek,
dat hij niet (tijdig) de juiste diagnose heeft gesteld, onvoldoende regie heeft gevoerd
ten aanzien van het medische beleid, onvoldoende heeft geluisterd, een verkeerde diagnose
heeft gesteld en de dochter onjuist en onvolledig heeft behandeld;
4. heeft gehandeld op basis van de door de Inspectie vastgestelde kwetsbare huisartsenzorg,
met tekortkomingen in verslaglegging en dossiervorming, met een tekortschieten in
de informatieoverdracht bij overplaatsing en uitgaande van beperkte informatie hetgeen
gefragmenteerde zorgverlening opleverde. Hierdoor heeft verweerder ondeskundig en
onprofessioneel gehandeld, waarbij de inhoud van de medische feiten, het medisch dossier
en het rapport van de Inspectie uitgangspunt zijn;
5. de dochter ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een andere beroepsbeoefenaar
of specialist.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen ongegrond
verklaard. Klagers zijn het niet eens met deze beslissing. Zij verzoeken het Centraal
Tuchtcollege om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De huisarts heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege
om het beroep van klagers te verwerpen.
Toetsingskader
4.4 Het Centraal Tuchtcollege merkt allereerst op dat het zich realiseert dat
het overlijden van hun dochter een zeer verdrietige en ingrijpende gebeurtenis is
voor klagers, die een grote invloed heeft gehad en nog altijd heeft op hun leven.
Het college heeft daar oog voor, maar zal op een zakelijke manier moeten beoordelen
of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor
is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Het gaat om wat de huisarts ten tijde van de behandeling bekend was en
bekend kon zijn. Kennis achteraf mag daarbij geen rol spelen, omdat de huisarts die
kennis op het moment van handelen ook niet had.
4.5 Dat een zorgverlener eventueel beter of anders had kunnen handelen, is niet
altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
4.6 Het missen van de juiste diagnose is niet doorslaggevend voor het slagen
van de klacht. De klacht is pas gegrond, als vast komt te staan dat de wijze waarop
de huisarts tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts mag worden verwacht.
Inhoudelijk oordeel
4.7 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep
geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal
Tuchtcollege en neemt wat het Regionaal Tuchtcollege 5. De overwegingen van het college’
heeft overwogen hier over met één uitzondering. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in
punt 5.5 het volgende overwogen: “Buiten de informatie van 13 november 2012 dat de dochter sinds ongeveer drie dagen
hoge koorts en keelpijn had, was haar medisch dossier op dat moment blanco.” In plaats daarvan overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende: Buiten de informatie
van 13 november 2012 dat de dochter sinds ongeveer drie dagen hoge koorts en keelpijn
had, was haar medisch dossier voor de huisarts op dat moment blanco. Het Centraal
Tuchtcollege is net als het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de huisarts niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Conclusie
4.8 Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege
de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klagers
wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter, T.W.H.E. Schmitz
en
T. Dompeling, leden-juristen, en J. van Krimpen en W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door K.M. ten Pas, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2025.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.