ECLI:NL:TGZCTG:2025:171 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2801 VZ
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2025:171 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-10-2025 |
| Datum publicatie: | 27-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | C2025/2801 VZ |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing: Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder (patiënte) is verleend in het ziekenhuis. De arts was destijds arts in opleiding op de SEH en betrokken bij de behandeling van patiënte op de SEH van het ziekenhuis. Klaagster is – kort gezegd – niet tevreden over de zorg die haar moeder daar kreeg, deze was onvoldoende, waardoor haar moeder is komen te overlijden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep af omdat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2801 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., arts, werkzaam in B., verweerster in beide instanties,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. M.E. Kuijk-Wesdorp, werkzaam in Den Haag.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De moeder van klaagster was voor haar longklachten in behandeling bij een
collega van de arts. De arts was destijds arts in opleiding op de spoedeisende hulp
en betrokken bij de behandeling van de moeder van klaagster op 24 februari 2022. Klaagster
is niet tevreden over de zorg die haar moeder in het ziekenhuis kreeg. Volgens klaagster
was deze onvoldoende, waardoor haar moeder op 14 maart 2022 is komen te overlijden.
Klaagster verwijt de arts dat zij geen terugkoppeling heeft gegeven over de morfinebehandeling
aan het verpleeghuis en dat zij in haar communicatie totaal onbegripvol en respectloos
was.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk
ongegrond verklaard. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat
het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege
en zal het beroep afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing in raadkamer van het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 1 april 2025 met nummer
A2024/7149 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:77). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage aan deze beslissing
gehecht.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg,
het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift met bijlagen waaronder een USB-stick
met onder andere geluidsopnamen en de transcripties van de geluidsopnamen.
3. De feiten
3.1 Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzitter uit van de volgende
feiten.
3.2 De moeder van klaagster (hierna: patiënte) had een uitgebreide voorgeschiedenis
met onder meer diabetes, een verhoogde bloeddruk, schizofrenie, obstructieve slaapapneusyndroom,
obesitas en mammacarcinoom (borstkanker). Begin 2021 heeft patiënte contact opgenomen
met de poli longgeneeskunde van het D. na verwijzing door de huisarts. Inmiddels waren
er in een ander ziekenhuis uitzaaiingen van het mammacarcinoom vastgesteld in de lever
van patiënte. Patiënte was voor die aandoening onder behandeling in het andere ziekenhuis.
Patiënte kwam voor haar longklachten (opnieuw) in behandeling bij een collega van
de arts, longarts E. (verweerder in de zaak onder nummer A2024/7144 (RTG), C2025/2798
(CTG)). In februari 2021 werden er diverse verspreide noduli (verdichtingen) in de
longen gezien, welke differentiaal diagnostisch konden passen bij sarcoïdose dan wel
bij metastasen van het mammacarcinoom. Nader onderzoek hiernaar werd zowel risicovol
als niet bijdragend gevonden voor de behandeling van patiënte.
3.3 Op 24 februari 2022 kwam patiënte vanuit het verpleeghuis F., waar zij inmiddels
vanaf
10 februari 2022 verbleef, naar de spoedeisende hulp (SEH) van het D.. Er was al
langere tijd sprake van benauwdheidsklachten en zij was sinds een aantal weken zuurstofbehoeftig.
Op 5 en 7 februari 2022 is patiënte ook bij het D. geweest in verband met refractaire
dyspnoe.
3.4 De arts was op 24 februari 2022 op de SEH van het ziekenhuis werkzaam als
SEH arts in
opleiding. Patiënte is op die dag door collega’s (een arts-assistent en longarts
G., verweerder in de zaak onder nummer A2024/7147 (RTG), C2025/2800 (CTG)) beoordeeld
en er is besproken dat er aanvullend onderzoek zou worden gedaan. Om 15.30 uur is
patiënte overgedragen aan de arts vanwege een dienstwissel.
3.5 De arts heeft patiënte (en enkele naasten) een aantal keer gesproken tijdens
haar dienst en zij heeft patiënte uitgelegd dat er sprake was van een toename van
het vocht in haar
longen en dat er eventueel een pleurapunctie kon worden gedaan. Uiteindelijk heeft
patiënte in
overleg met haar naasten besloten daarvan af te zien en maakte zij kenbaar graag
naar huis te
willen.
3.6 De patiënte is in de avond van 24 februari 2022, na daartoe een uitdrukkelijk
verzoek gedaan te hebben aan de arts, met een zorgambulance teruggegaan naar verpleeghuis
F..
4. De klacht
4.1 Klaagster heeft in totaal 15 tuchtklachten ingediend tegen zorgverleners
die betrokken waren bij de zorg aan patiënte.
4.2 De klacht tegen de arts is onderdeel van een klacht tegen zeven zorgverleners
die ten tijde van het verweten handelen werkzaam waren bij het D.:
- E., longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7144 (RTG), C2025/2798 (CTG));
- H., SEH-arts (geregistreerd onder nummer A2024/7145 (RTG), C2025/2950 (CTG));
- I., longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7146 (RTG), C2025/2799 (CTG));
- G., longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7147 (RTG), C2025/2800 (CTG));
- J., destijds arts-assistent op de SEH (geregistreerd onder nummer A2024/7148
(RTG), C2025/2951 (CTG)).
4.3 Klaagster verwijt de arts dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij:
a) geen terugkoppeling heeft gegeven over morfinebehandeling aan verpleeghuis
F.;
b) totaal onbegripvol en respectloos was naar patiënte en haar familie en dat
zij aangaf dat patiënte zich thuis maar moest voorbereiden op de dood.
5. De beoordeling
5.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Klaagster wijst erop dat er in het verpleeghuis F. niets bekend was van een morfinebeleid
aangezien daar pas op
4 maart 2022 met morfine is gestart. Als nadere onderbouwing van klachtonderdeel
b heeft klaagster in beroep geluidsopnamen overgelegd van de gesprekken met de arts
op 24 februari 2022.
5.2 De voorzitter heeft begrip voor het verdriet dat klaagster heeft van het
overlijden van haar moeder en de moeilijke periode die daaraan voorafging, maar zal
de klachten van klaagster op een zakelijke manier moeten beoordelen.
Klachtonderdeel a
5.3 Gelet op de inhoud van de SEH-status oordeelt de voorzitter dat de arts niet
heeft verzuimd om het verpleeghuis te informeren over de morfinebehandeling. De voorzitter
overweegt dat het Centraal Tuchtcollege in beginsel uitgaat van het medisch dossier,
tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat daarin onjuistheden staan vermeld. De stelling
van klaagster dat er in het verpleeghuis pas op 4 maart 2022 met morfine is gestart
leidt bij de voorzitter niet tot twijfel aan de juistheid van de SEH-status. De voorzitter
neemt daarom het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en de onderbouwing hiervan
over.
Klachtonderdeel b
5.4 Klaagster heeft de arts als onbegripvol en respectloos ervaren. De voorzitter
heeft de door klaagster in beroep overgelegde geluidsopnamen beluisterd. Op basis
van deze geluidsopnamen is de voorzitter van oordeel dat de arts patiënte en klaagster
tijdens de gesprekken op professionele wijze te woord heeft gestaan en uitleg heeft
gegeven. Van onbegrip of disrespect is niet gebleken. Anders dan klaagster stelt blijkt
uit de geluidsopnamen niet dat door de arts is gezegd dat patiënte zich thuis maar
moest voorbereiden op de dood. De arts heeft patiënte in het gesprek wel geadviseerd
om met haar familie te bespreken hoe zij het liefst haar laatste levensfase wil inrichten.
Gelet op de gezondheidssituatie van patiënte was dit een gepast advies.
5.5 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het
beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het beroep wordt daarom afgewezen.
6. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: wijst het beroep
af.
Aldus gewezen op 1 oktober 2025 en ondertekend door C.H.M. van Altena, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.