ECLI:NL:TGZRAMS:2025:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7149
ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:77 |
---|---|
Datum uitspraak: | 01-04-2025 |
Datum publicatie: | 01-04-2025 |
Zaaknummer(s): | A2024/7149 |
Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Patiënte kwam vanuit het verpleeghuis naar de SEH in verband met benauwdheidsklachten. In de avond is patiënte met een zorgambulance naar het verpleeghuis teruggegaan. Klaagster verwijt de arts dat zij geen terugkoppeling heeft gegeven over morfinebehandeling aan het verpleeghuis en dat zij totaal onbegripvol en respectloos was naar patiënte en haar familie. Dat de arts geen terugkoppeling heeft gegeven blijkt niet uit het medisch dossier. Het telefonisch informeren van het avondhoofd van het verpleeghuis en het meegeven van de SEH status met patiënte, toen zij werd teruggebracht naar het verpleeghuis, getuigt van een zorgvuldige handelwijze. De klacht over de bejegening is ook kennelijk ongegrond.Kenmerk: onvoldoende informatie |
A2024/7149
Beslissing van 1 april 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 1 april 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
arts,
destijds werkzaam te B, verweerster, hierna ook: de arts, gemachtigde: mr. D, werkzaam
te B.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend
in het E
(hierna: het ziekenhuis). Zij is - kort gezegd - niet tevreden over de zorg die
haar moeder kreeg,
deze was onvoldoende, waardoor haar moeder op 14 maart 2022 is komen te overlijden.
De arts was
destijds arts in opleiding op de spoedeisende hulp (SEH) en betrokken bij de behandeling
van de
moeder van klaagster op 24 februari 2022 op de SEH van het ziekenhuis. De arts heeft
in haar
verweerschrift uitgelegd welke inspanningen zij heeft gedaan wat betreft de behandeling
van de
moeder van klaagster.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, waaronder een USB-stick met geluidsopnamen,
ontvangen op 18
april 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klaagster ontvangen op 11 oktober 2024, met als bijlagen transcripties
van de
geluidsopnamen;
- de brief van de gemachtigde van de arts van 11 november 2024, ingekomen op
15 november 2024.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het
college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen
daarbij aanwezig
waren. Deze klacht is gelijktijdig behandeld met de klacht tegen:
- dr. F, SEH-arts (geregistreerd onder nummer A2024/7145);
- dr. G, longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7147);
- dr. H, destijds arts-assistent op de SEH (geregistreerd onder nummer A2024/7148);
2.4 Deze klacht hangt verder samen met andere klachten bij het college tegen:
- dr. I, longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7144);
- dr. J, longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7146. Deze zaken zijn op 18
februari 2025 op
zitting behandeld.
3. De feiten
3.1 De moeder van klaagster (hierna: patiënte) had een uitgebreide voorgeschiedenis
met onder meer
diabetes, een verhoogde bloeddruk, schizofrenie,
obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en mammacarcinoom (borstkanker). Begin
2021 heeft
patiënte contact opgenomen met de poli longgeneeskunde van het ziekenhuis na verwijzing
door de
huisarts. Inmiddels waren er in een ander ziekenhuis uitzaaiingen van het mammacarcinoom
vastgesteld in de lever van patiënte. Patiënte is voor die aandoening onder behandeling
in het
andere ziekenhuis. Patiënte komt voor haar longklachten (opnieuw) in behandeling
bij een collega in
het ziekenhuis, longarts I (verweerder in de zaak onder nummer A2024/7144). In februari
2021 worden
er diverse verspreide noduli (verdichtingen) in de longen gezien, welke differentiaal
diagnostisch
konden passen bij sarcoïdose dan wel bij metastasen van het mammacarcinoom. Nader
onderzoek
hiernaar werd zowel risicovol als niet bijdragend gevonden voor de behandeling van
patiënte.
3.2 Op 24 februari 2022 kwam patiënte vanuit het verpleeghuis K, waar zij inmiddels
vanaf 10
februari 2022 verbleef, naar de SEH van het ziekenhuis. Er was al langere tijd sprake
van
benauwdheidsklachten en zij was sinds een aantal weken zuurstofbehoeftig. Op 5 en
7 februari 2022
is patiënte ook bij het ziekenhuis geweest in verband met refractaire dyspnoe.
3.3 De arts was op 24 februari 2022 op de SEH van het ziekenhuis werkzaam als SEH
arts in
opleiding. Patiënte is op die dag door collega’s (een arts-assistent en longarts
G, verweerder in
de zaak onder nummer A2024/7147) op 24 februari 2022 beoordeeld en er is besproken
dat er
aanvullend onderzoek zou worden gedaan. Om 15.30 uur is patiënte overgedragen aan
de arts vanwege
een dienstwissel.
3.4 De arts heeft patiënte (en enkele naasten) een aantal keer gesproken tijdens
haar dienst en zij heeft patiënte uitgelegd dat er sprake was van een toename van
het vocht in haar
longen en dat er eventueel een pleurapunctie kon worden gedaan. Uiteindelijk heeft
patiënte in
overleg met haar naasten besloten daarvan af te zien en maakte zij kenbaar graag
naar huis te
willen.
3.5 De patiënte is in de avond van 24 februari 2022, na daartoe een uitdrukkelijk
verzoek gedaan
te hebben aan de arts, met een zorgambulance teruggegaan naar verpleeghuis K.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Volgens klaagster heeft de arts onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a) geen terugkoppeling heeft gegeven over morfinebehandeling aan verpleeghuis K;
b) totaal onbegripvol en respectloos was naar patiënte en haar familie en dat zij
aangaf dat
patiënte zich thuis maar moest voorbereiden op de dood.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt voorop dat patiënte bij de opname op de SEH op 24 februari
2022 in een
medisch kwetsbare positie verkeerde. Zij had uitgezaaide borstkanker en onderging
een oncologisch
traject. Daarnaast had zij longklachten en was zij vaak benauwd. Het college begrijpt
dat de zorg
voorafgaand aan en het uiteindelijke overlijden van patiënte veel impact op klaagster
en haar
familie heeft gemaakt. Het is echter aan het college om een zakelijke afweging te
maken van de
klacht en het daartegen gevoerde verweer. Het college begrijpt dat klaagster zich
ernstige zorgen
maakte over de situatie van patiënte en dat zij van mening is dat in onvoldoende
mate zorg werd
verleend. Daar staat tegenover dat de arts van opvatting is dat zij naar vermogen
de zorg heeft
verleend die van haar verwacht mocht worden.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
5.3 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Hieronder
licht het college dit toe.
Klachtonderdeel a) Terugkoppeling over morfinebehandeling
5.4 Klaagster stelt dat de arts heeft verzuimd het verpleeghuis te informeren over
morfine handeling. Daardoor is pas later begonnen met de morfine behandeling. Als
de arts dit
beter had geregeld, waren de dyspnoeklachten wellicht beter onder controle geweest.
5.5 De arts heeft als reactie hierop in het verweerschrift opgenomen dat zij weldegelijk
het
verpleeghuis een terugkoppeling heeft gegeven.
5.6 Het college stelt op basis van het dossier en met name de SEH-status, vast dat
de arts op 24
februari 2022 met patiënte en haar naasten gesproken heeft over de toename van het
pleuravocht en
de mogelijkheid om een pleurapunctie uit te voeren. Nadat patiënte had besloten
daarvan af te zien
en naar het verpleeghuis terug te willen, is de morfine behandeling aan de orde
geweest. Dit blijkt
uit de SEH status:
“ Addendum L
(…)
Om 20.00uur:
(…)
Wil graag naar huis, voelt zich moe en benauwd. Vraag of er niet iets anders gedaan
kan worden aan
het vocht. Voor nu helaas geen andere behandelopties geïndiceerd. Bij toename dyspnoe
overleg met
de verpleeghuisarts of er mogelijk indicatie morfine is. (..)”
5.7 Dat de arts, zoals klaagster stelt, verzuimd heeft het verpleeghuis K te
informeren hierover, blijkt niet. De arts verwijst in haar verweerschrift naar de
SEH status waarin
in een addendum staat opgenomen:
“(…) >>K (avondhoofd) telefonisch op de hoogte gesteld van het bovenstaande.
>> Advies aan verpleeghuisarts om met patiënte en familie in gesprek te gaan over
eventueel
wel/niet insturen en eventueel noodzakelijke symptoombestrijding.
>>Verslaglegging meegegeven. (…)”
5.8 Het telefonisch informeren van het avondhoofd van het verpleeghuis en het meegeven
van de SEH
status met patiënte, toen zij met de zorgambulance terug werd gebracht naar het
verpleeghuis,
getuigt naar het oordeel van het college van een zorgvuldige handelwijze ten aanzien
van de zorg
voor de patiënte. Dit maakt dat niet geconcludeerd kan worden dat de arts onjuist
heeft gehandeld.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) Onbegripvol en respectloos gedrag
5.9 Klaagster verwijt de arts dat zij patiënte en klaagster respectloos heeft
bejegend. Ze was
afwerend en zou patiënte en klaagster hebben afgesnauwd. Ook zou zij het niet nodig
hebben gevonden
om patiënte met de zorgambulance naar het verpleeghuis terug te laten keren. Tenslotte
zou de arts
in verslagen en aan collega’s op een onbegripvolle en respectloze manier hebben
geschreven over
patiënte.
5.10 De arts herkent zich op geen enkele manier in wat klaagster schrijft in dit klachtonderdeel.
5.11 Het college overweegt dat klachten over bejegening in het algemeen moeilijk
zijn te
beoordelen, omdat boodschappen altijd anders kunnen overkomen dan zij zijn bedoeld.
Bij
communicatie tussen een patiënt en een zorgverlener is vaak sprake van een groot
verschil in
emotionele betrokkenheid en beleving. Uit het dossier volgt dat de arts op
24 februari 2022 op een aantal momenten heeft gesproken over de (on)mogelijkheden
van behandeling.
De arts heeft aangegeven dat er gesproken is over de acceptatie van de laatste levensfase.
Vanwege
de medisch kwetsbare positie van de patiënte had zij zorg nodig en daar werd ook
regelmatig om
gevraagd. Het college begrijpt dat klaagster zich ernstige zorgen maakte over de
situatie van
patiënte. Het college heeft er zeker begrip voor dat klaagster voor haar moeder,
die dus in een
zorgelijke toestand verkeerde, optimale zorg wenste. Het is duidelijk dat klaagster
weinig
betrokkenheid en empathie heeft gevoeld. Het college kan niet in objectieve zin
vaststellen wat er
precies is gebeurd of gezegd en kan daarom ook niet oordelen dat de arts tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Het college wil graag benadrukken dat het woord van
klaagster niet
minder geloof verdient dan dat van de arts. Om vast te stellen dat bepaalde gedragingen
tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, moet echter eerst worden vastgesteld welke feiten
daaraan ten
grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het
woord van
klaagster en de arts evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Wel leidt
het college
uit de diverse gesprekken die de arts heeft gevoerd met patiënte en haar familie
af dat de arts zo
zorgvuldig mogelijk patiënte en haar naasten heeft willen informeren. Niet is onderbouwd
dat de
arts zich in verslagen of richting collega’s op een respectloze manier heeft uitgelaten
over
patiënte of klaagster. Dat de arts, ondanks het ontbreken van een medische indicatie
voor
ambulancevervoer, de zorgambulance heeft geregeld om patiënte terug te brengen naar
het
verpleeghuis geeft enkel blijk van betrokkenheid van de arts.
5.12 Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk
ongegrond
is.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 1 april 2025 door I.K. Spros, voorzitter, W.R. Kastelein,
lid-jurist, P. Baas, B.E.E.M. van den Borne en H.H. Dol, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M.A. Valé, secretaris.