ECLI:NL:TGZCTG:2022:97 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.047
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:97 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-05-2022 |
| Datum publicatie: | 17-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021.047 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts. Klaagster heeft een WIA-uitkering aangevraagd en het UWV heeft geoordeeld dat zij niet aan de voorwaarden voor het toewijzen van die uitkering voldeed. Verweerder heeft klaagster in verband met haar bezwaar tegen deze beslissing op verzoek van het UWV medisch beoordeeld. In zijn rapport heeft verweerder geconcludeerd dat klaagster niet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering voldeed. Hij heeft de rapportage door een verzekeringsarts laten contrasigneren. Klaagster verwijt verweerder dat hij op basis van ondeugdelijk onderzoek een ondeugdelijke rapportage heeft opgemaakt en die rapportage heeft laten contrasigneren door de verzekeringsarts die eerder betrokken was bij het deskundigenoordeel. Klaagster vindt dat het rapport te lang op zich heeft laten wachten en stelt dat de arts de beoordeling niet had mogen doen omdat hij geen verzekeringsarts is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
zaaknummer Centraal Tuchtcollege: C2021.047
zaaknummer Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam: 20/209 (ECLI:NL:TGZRAMS:2021:7)
beslissing in de zaak van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg, hierna: klaagster,
tegen
F., arts, werkzaam in H., verweerder in beide instanties,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. drs. G.P. van Delft
te E.
1. Procesverloop
Klaagster heeft op 24 juli 2020 een klacht tegen de arts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle. De klacht is doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam en daar ontvangen op 21 september 2020. Dit College heeft de klacht in zijn beslissing van 12 januari 2021 kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijk maar niet gevoegd met het beroep in de zaak van klaagster tegen C. (C2021.046) behandeld op de zitting van 16 maart 2022. Klaagster en de arts zijn beiden verschenen. De arts werd bijgestaan door mr. A.B. Schippers-Juergens, collega van de gemachtigde van de arts.
Partijen hebben hun standpunten tijdens de zitting verder toegelicht en hebben daarbij gebruik gemaakt van notities. Het Centraal Tuchtcollege heeft een kopie van die notities ontvangen.
2. Waar gaat deze zaak over?
2.1 Klaagster is op 24 oktober 2015 als gevolg van een auto-ongeluk uitgevallen voor haar werk. Op 13 oktober 2017 heeft klaagster een WIA-aanvraag gedaan. Het G. heeft geoordeeld dat klaagster niet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering voldeed omdat zij de wachttijd van 104 weken niet volledig had vervuld. Het G. heeft de aanvraag op 6 november 2017 afgewezen. Klaagster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2 Het G. heeft de arts in verband met dit bezwaar gevraagd klaagster medisch te beoordelen. Op 10 januari 2018 heeft de arts haar gezien. In zijn rapportage van 3 mei 2018 heeft ook de arts geconcludeerd dat klaagster de wachttijd niet heeft vervuld. Hij heeft de rapportage door een verzekeringsarts laten contrasigneren.
2.3 Het G. heeft de beslissing van 6 november 2017 vervolgens heroverwogen en bij beslissing op bezwaar van 9 juli 2018 geoordeeld dat de wachttijd wel was volgemaakt zodat klaagster alsnog in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering.
2.4 Klaagster verwijt de arts dat hij op basis van ondeugdelijk onderzoek een ondeugdelijke rapportage heeft opgemaakt en die rapportage heeft laten contrasigneren door de verzekeringsarts die eerder betrokken was bij het deskundigenoordeel. Klaagster vindt dat het rapport te lang op zich heeft laten wachten en stelt dat de arts de beoordeling niet had mogen doen omdat hij geen verzekeringsarts is.
2.5 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht op alle punten afgewezen. De bedoeling van het beroep van klaagster is dat de klacht door het Centraal Tuchtcollege alsnog geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard.
3. Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
3.1 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klaagster hierna bespreken. De conclusie zal zijn dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft.
3.2 In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en verder toegelicht. Zij maakt daarbij bezwaar tegen een deel van de weergave van de feiten in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Voor wat betreft dit laatste bezwaar geldt dat het Centraal Tuchtcollege bij de behandeling van het beroep uitgaat van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor vermeld onder 2.1 tot en met 2.3.
Het onderzoek en het rapport voldoen aan de eisen
3.3 Het enkele feit dat het G. bij beslissing van 9 juli 2018 alsnog heeft geoordeeld dat de wachttijd wel was volgemaakt betekent niet dat het onderzoek van de arts niet deugdelijk is geweest. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder 5.3 tot en met 5.6 en onder 5.8 tot en met 5.10 goed onderbouwd geoordeeld dat het onderzoek en het rapport voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dat het feit dat het rapport langere tijd op zich heeft laten wachten de arts niet tuchtrechtelijk kan worden verweten. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze overwegingen en met dit oordeel zodat het beroep van klaagster op dit punt faalt.
De arts was bevoegd de beoordeling te doen en het contraseign was volgens de regels
3.4 Volgens de binnen het G. geldende afspraken kan een rapportage als in dit geval aan de orde worden opgesteld door een arts die geen verzekeringsarts is. In zo’n geval is dan wel vereist dat het rapport wordt gecontrasigneerd door een verzekeringsarts. De arts heeft tijdens de zitting in beroep verklaard dat hij zich destijds niet bewust was van de onvrede bij klaagster over de verzekeringsarts die eerder bij het deskundigenoordeel betrokken was. Daarom was er voor hem geen reden de WIA-beoordeling door een andere verzekeringsarts te laten contrasigneren.
De arts heeft verklaard dat als hij wel van de bij klaagster bestaande onvrede had geweten hij een andere verzekeringsarts had gevraagd de rapportage te contrasigneren. Hij heeft aangegeven dat hij naar aanleiding van deze klacht in voorkomend geval expliciet met cliënten bespreekt of zij het een probleem vinden als hij een eerder betrokken verzekeringsarts benadert voor een contraseign.
3.5 Klaagster heeft tijdens de zitting in beroep verwezen naar een beslissing van de Centrale Raad van Beroep en heeft betoogd dat de gang van zaken rondom de beoordeling en het contraseign met deze beslissing in strijd is. De door klaagster aangehaalde zaak heeft echter betrekking op een andere casus dan hier aan de orde is.
Conclusie
3.6 Het beroep van klaagster wordt verworpen.
4. De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter; R.C.A.M. Philippart en L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en J.H.M. de Brouwer en E.H. Groenewegen, leden- beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen.
Uitgesproken ter openbare zitting van 16 mei 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.