Zoekresultaten 9411-9420 van de 48369 resultaten
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2023:23 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4217
- Datum publicatie: 19-01-2023
- Datum uitspraak: 16-01-2023
- ECLI:NL:TGZRZWO:2023:23
Klacht tegen chirurg. Klager heeft in het verleden meerdere TIA’s gehad bij paroxismaal atriumfibrilleren, hypertensie en hypercholesterolemie. Voor een symptomatische stenose van de arteria carotis werd op 11 maart 2016 een reconstructie van de halsslagader rechts (CEA) verricht. In september 2021 werd een symptomatische stenose van de linker halsslagader vastgesteld. Klager liet weten na de CEA rechts veel problemen te hebben gehad en liever niet nog een CEA te willen ondergaan. Beklaagde legt uit dat een stent (CAS) ook mogelijk is. Deze geeft een iets hogere kans op een postoperatieve CVA maar heeft wel de voordelen van een endovasculaire ingreep. Klager verwijt beklaagde dat deze hem een te summiere uitleg heeft gegeven over de risico’s van de stent. Na korte tijd was er sprake van een occlusie. Het college overweegt dat het risico op een nieuw CVA bij het plaatsen van een stent waarschijnlijk nog altijd minder groot was dan het risico op een CVA bij niet-ingrijpen. Van een onverantwoord risico was naar het oordeel van het college bij een stent-plaatsing bij klager daarom geen sprake. Uit de dossieraantekeningen blijkt voorts dat klager uitleg heeft gekregen dat het plaatsen van een stent een iets hoger risico op een CVA gedurende de operatie zou betekenen. Klager is voorgelicht over het te verwachten beloop, complicaties, risico’s en prognose van de behandeling, waaronder cerebrale ischemie. Het college concludeert dat klager met het plaatsen van een stent akkoord is gegaan nadat hij voldoende was voorgelicht over de risico’s van de ingreep. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:368 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-102/AL/MN
- Datum publicatie: 19-01-2023
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:368
In een erfrechtkwestie procedeert klaagster tegen haar broer. Klacht over de advocaat van de broer die weigert om aan klaagster informatie te verstrekken over de declaraties die door hem aan een Holding zijn gezonden waarvan klaagster en haar broer beiden aandeelhouder zijn. Klaagster is geen bestuurder maar enkel aandeelhouder van de Holding. De raad overweegt dat klaagster niet de belangen van de Holding vertegenwoordigt, maar als aandeelhouder slechts een van de Holding afgeleid belang bij haar klacht heeft. De vermeende normschending door verweerder – namelijk het mogelijk ten onrechte zenden van facturen voor privé werkzaamheden aan de Holding – heeft betrekking op een norm die primair de belangen van de Holding beoogt te beschermen. Klaagster heeft daarbij in haar hoedanigheid van aandeelhouder een onvoldoende rechtstreeks belang. De raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2023:6 Raad van Discipline Amsterdam 22-966/A/MN
- Datum publicatie: 19-01-2023
- Datum uitspraak: 16-01-2023
- ECLI:NL:TADRAMS:2023:6
Voorzittersbeslissing; Kennelijk ongegronde klacht over verweerster in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2023:24 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4085
- Datum publicatie: 19-01-2023
- Datum uitspraak: 16-01-2023
- ECLI:NL:TGZRZWO:2023:24
De klacht gaat over de behandeling van de overleden echtgenoot (hierna: patiënt) van klaagster door beklaagde (cardioloog). Klaagster vindt dat de cardioloog patiënt niet serieus heeft genomen en hem onvolledig heeft geïnformeerd over zijn gezondheidstoestand. Het college verklaart de klacht ongegrond. Dat de cardioloog het onderwerp “leefstijl” inclusief stressreductie herhaaldelijk naar voren bracht kan haar, gezien het belang van leefstijl voor de klachten, niet worden verweten. Aandacht voor leefstijl getuigt in beginsel zelfs van goed zorgverlenerschap. Het betekent niet dat de cardioloog patiënt en de medische oorzaak van zijn klachten niet serieus nam. Niet objectief kan worden vastgesteld dat de cardioloog woorden als “liefje” of “schatje” of anderszins minder gepaste bewoordingen heeft gebruikt bij het aanspreken van patiënt en of en in welke context het advies is gegeven een yogamatje te gebruiken. Ook kan niet objectief worden vastgesteld dat patiënt van de cardioloog geen 112 zou mogen bellen. Uit het dossier blijkt niet dat de cardioloog patiënt onvoldoende heeft geïnformeerd over de bevindingen en het daarop afgestemde beleid.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:6 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1325
- Datum publicatie: 18-01-2023
- Datum uitspraak: 18-01-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:6
Klacht tegen een gz-psycholoog die klaagster heeft behandeld. Klaagster is behandeld wegens overspannenheid niet door de gz-psycholoog zelf, maar door een psychosociaal therapeut die haar moedertaal sprak. De klachten dat de medische behandelinformatie en de informatie over de financiële afwikkeling niet (tijdig) zijn verstrekt, zijn door het RTG gegrond verklaard, evenals de klacht dat onvoldoende duidelijk was dat klaagster niet door een BIG-geregistreerd gz-psycholoog is behandeld. Het RTG legt een berisping op. Het CTG verklaart het beroep over de behandelinformatie en de financiële afwikkeling alsmede de hoogte van de maatregel gegrond; tegen de klacht over de delegatie van werkzaamheden is geen beroep ingesteld, zodat dat klachtonderdeel gegrond blijft. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:14 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1388
- Datum publicatie: 18-01-2023
- Datum uitspraak: 18-01-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:14
Klacht tegen orthopedisch chirurg. Bij klaagster zijn door een orthopedisch chirurg (C2022/1341) van een ander ziekenhuis twee knieschijfprothesen geplaatst. Vanwege aanhoudende pijnklachten is klaagster gezien voor een second opinion door een orthopedisch chirurg (C2022/1386). Daarna is klaagster vanwege aanhoudende pijnklachten op consult gezien door een orthopedisch chirurg (C2022/1387) die (destijds) als fellow-orthopedie in hetzelfde ziekenhuis werkzaam was. Hij achtte een operatie niet nodig en adviseerde een conservatief beleid met een verwijzing naar een revalidatiearts eventueel met een evaluatie door een pijnpolikliniek en heeft dit na zijn consult met klaagster mede namens zijn supervisor teruggekoppeld. Verweerder is orthopedisch chirurg en was destijds supervisor van deze orthopedisch chirurg (C2022/1387). Later zijn in weer een ander ziekenhuis na een CT-scan van de knieën bij klaagster twee totale knieprothesen. Klaagster verwijt verweerder dat hij medeverantwoordelijk is voor het besluit om geen verdere beeldvorming te doen, voor de onjuiste diagnoses en voor het advies naar een revalidatiearts te gaan en dat verweerder de orthopedisch chirurg (C2022/1387) heeft geïnstrueerd niet naar klaagster te luisteren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:7 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1433
- Datum publicatie: 18-01-2023
- Datum uitspraak: 18-01-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:7
Klacht tegen een verpleegkundige. Klager verblijft op de long-stay afdeling van de instelling waar de verpleegkundige als zorgmanager bij de Medische Dienst werkt. Voor de tandheelkundige zorg is een overeenkomst gesloten met een bedrijf. Eens per maand komt een aan dat bedrijf verbonden tandarts met een mobiele praktijk naar de instelling. Eind augustus 2021 meldde klager zich bij de medische dienst met erge kiespijn. Klager kon een paar dagen later terecht bij de tandarts op locatie van de instelling in een andere stad. Dit was een andere tandarts dan waar de instelling een overeenkomst mee heeft. Klager liet daarna weten dat hij geen gebruik meer wilde maken van de gecontracteerde tandarts. Klager verwijt de verpleegkundige dat hij niet wil tegemoetkomen aan de wens van klager niet meer behandeld te worden door de tandarts die eens per maand op locatie is, maar door de tandarts in de andere niet gecontracteerde kliniek. In de vrachtwagen waarmee de tandarts komt, kunt je niet spoelen. Daarom is zijn gebit kapot gemaakt. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2023:14 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-266/DH/DH
- Datum publicatie: 18-01-2023
- Datum uitspraak: 18-01-2023
- ECLI:NL:TADRSGR:2023:14
Voorzittersbeslissing. In het grootste deel van de klachtonderdelen zijn klagers kennelijk niet ontvankelijk bij gebrek aan een rechtstreeks belang. Een enkel klachtonderdeel is kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk.Het verloop van de zaak is a-typisch. De oorspronkelijke klaagster heeft de klacht ingetrokken, nadat zij in een civiele zaak een schikking had getroffen waarvan intrekking van tuchtklachten onderdeel was. Vervolgens hebben enkele “overige klagers” de klacht overgenomen en voortgezet.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:8 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1493
- Datum publicatie: 18-01-2023
- Datum uitspraak: 18-01-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:8
Klacht tegen een verpleegkundige. De verpleegkundige was werkzaam in de instelling waar klager verbleef. Zij hield zich bezig met behandeling en ondersteuning van cliënten bij hun resocialisatieproces. De verpleegkundige heeft gedurende zes weken als persoonlijk begeleider nazorg aan klager verleend waarna klager zelfstandig ging wonen met ambulante begeleiding. Op enig moment heeft de verpleegkundige klager thuis bezocht en is een seksuele relatie ontstaan die circa 1,5 jaar heeft geduurd. Vijf maanden na het beëindigen van de relatie heeft klager de instelling over de relatie geïnformeerd. Na onderzoek is de verpleegkundige op staande voet ontslagen. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij hem seksueel heeft misbruikt, hem heeft voorgelogen en valse aangifte heeft gedaan, dat hij door haar gedetineerd heeft gezeten en nu geestelijk onstabiel is, waardoor hij weer bij psychologen in behandeling moet, dat door haar zijn huisdieren dood zijn en hij nu weer schulden heeft, en dat zij klager niet onder ogen wil komen om uitleg te geven, zodat klager het kan afsluiten. Het Regionaal Tuchtcollege acht het eerste klachtonderdeel gegrond en legt aan de verpleegkundige de maatregel van voorwaardelijke schorsing van twee maanden met een proeftijd van twee jaar op, en verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:10 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1249
- Datum publicatie: 18-01-2023
- Datum uitspraak: 18-01-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:10
Klacht tegen huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar heeft aangemeld als een geestelijk gestoorde persoon bij instanties, zoals eerste hulp en politie, en dat hij haar ten onrechte als orgaandonor heeft opgegeven. Klaagster verwijt de huisarts verder dat hij in de verwijsbrief voor het Medisch Centrum Kinderwens ten onrechte heeft gesteld dat zij lijdt aan schizofrenie en psychoses. Volgens klaagster heeft de huisarts haar daardoor het recht op voortplanting ontnomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.