Zoekresultaten 10201-10210 van de 48158 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:387 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-746/AL/NN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3850

    Klacht tegen huisarts. Ongegrond. Klacht over behandeling van gehandicapte (inmiddels overleden) oom van klager, waarvan klager de mentor was. Klager verwijt verweerder, die klager als waarnemend huisarts tijdens een visite heeft bezocht, (onder meer) dat hij zijn toestand niet goed heeft ingeschat en hem ten onrechte niet heeft doorgestuurd naar de SEH. Het college overweegt dat uit het dossier en de toelichting ter zitting van zowel klager als van verweerder volgt dat de toestand van de oom sinds de eerdere visite was verslechterd, en enkele dagen daarna tijdens de avondvisite zorgelijk was. Dat blijkt ook uit de aantekeningen van verweerder. Daar staat tegenover dat de oom (in ieder geval) al vanaf begin van dat jaar in een slechte gezondheidstoestand verkeerde, en het in de avond per ambulance verplaatsen naar de SEH ook belastend zou zijn geweest in de conditie waarin de oom zich op dat moment bevond. Het college acht voorts van belang dat verweerder (al dan niet terecht) in de veronderstelling was dat de oom nog kon eten en dus het reeds voorgeschreven antibioticum kon innemen. Verweerder stond voor de afweging om de oom in zijn eigen omgeving de nacht door te laten brengen na het starten van de antibiotica en de volgende ochtend (door zijn eigen huisarts) verder te laten onderzoeken en, indien nodig, verder beleid te bepalen. Onder deze omstandigheden kan volgens het college van de beslissing van verweerder om het nog even aan te zien (en dus die avond nog niet in te sturen naar de SEH) niet worden gezegd dat dit zodanig onbegrijpelijk of onjuist was, dat verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Veeleer moet worden geconcludeerd dat verweerder uit twee ‘kwaden’ een keuze heeft gemaakt waarbij niet op voorhand kon worden gezegd welke de minst slechte was.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3901

    Klacht tegen huisarts. Ongegrond. Volgens klaagster heeft de huisarts onzorgvuldig gehandeld, omdat hij haar twee keer zorg heeft geweigerd omdat zij geen mondkapje droeg. Het college overweegt dat op 24 januari 2022 in Nederland krachtens de wet voor personen van 13 jaar en ouder de verplichting bestond tot het dragen van een mondkapje in publieke binnenruimten. Deze verplichting gold niet voor personen die vanwege een ziekte of beperking geen mondkapje kunnen dragen. Daarnaast waren zorgaanbieders en zorginstellingen, zoals huisartsenpraktijken, bevoegd om te bepalen dat in het gebouw een mondkapje moest worden gedragen. Het beleid bij de huisartsenpraktijk bij verweerder was dat patiënten ofwel een mondkapje ofwel een spatscherm droegen, of als ze daartoe niet in staat waren, een test deden. Dit beleid acht het college redelijk en aanvaardbaar. Klaagster heeft haar stelling dat zij lijdt aan een angststoornis die het haar onmogelijk maakt om een mondkapje of spatmasker te dragen niet aannemelijk gemaakt.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3807

    Klacht tegen huisarts, gedeeltelijk gegrond verklaard. Waarschuwing en publicatie. Klaagster is de moeder van een inmiddels zesjarige dochter. De dochter heeft op vierjarige leeftijd gedurende acht maanden hormooninjecties toegediend gekregen in verband met een zeldzame ziekte. Zeven van de acht injecties heeft de huisarts toegediend. Uiteindelijk is duidelijk geworden dat de dosering elke keer te hoog is geweest. Klaagster vindt dat de huisarts onzorgvuldig heeft gehandeld door de dosering en de daarbij behorende intervallen van de injecties niet te verifiëren bij de kinderarts. Ook vindt zij dat de huisarts nadien onvoldoende moeite heeft gestoken in het herstel van het vertrouwen. Het college is het eens met de klacht dat de huisarts had moeten nagaan wat de juiste dosering was en met welke frequentie de hormooninjecties moesten worden toegediend en acht de klacht in zoverre gegrond. Het college overweegt daartoe dat de norm is dat bij onduidelijkheid over de intervallen en de dosis – bijvoorbeeld door discrepantie tussen de brief van de specialist en de informatie van de ouders of patiënt – de huisarts bij de specialist verifieert wat het juiste interval en de juiste dosering is. De gevolgen van een onjuiste combinatie interval/dosering kan voor een patiënt immers schadelijk zijn.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2022:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4010

    Sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft medische verklaring opgesteld op verzoek van ex-partner van klaagster. Proces: mede geschreven uit naam van hoofdbehandelaar en regiebehandelaar. Inhoud: medewerking klaagster bij omgang met de kinderen en vaderrol ex-partner. Verpleegkundige had verklaring niet mogen opstellen. Gezien proces rond opstellen en inhoud. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3953

    Klacht tegen huisarts. Kennelijk ongegrond. Klager voelt onheus bejegend en niet serieus genomen door de huisarts en stelt dat de huisarts hem passende zorg heeft geweigerd. Het college komt tot de conclusie dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2022:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3594

    Verpleegkundig specialist AGZ (regiebehandelaar) wordt door echtgenote overleden cliënt verweten dat hij verzoek om cliënt te onderzoeken heeft afwezen en alleen telefonische zorg op afstand heeft verleend. VS had cliënt zelf moeten beoordelen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:175 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-718/AL/MN

    Raadsbeslissing. Verzet. De raad verklaart het verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:323 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-834/AL/GLD/H

    Herzieningsverzoek. De voorzitter verklaart het herzieningsverzoek van verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:381 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-634/AL/MN

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De klacht houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door - zonder instemming van de advocaat van klager of overleg met de deken - een confraternele brief in het geding te brengen. Ingevolge Gedragsregel 12 (oud) mag op mededelingen van de ene advocaat aan de ander in rechte geen beroep worden gedaan zonder voorafgaand overleg met de betrokken advocaat. Ingevolge Gedragsregel 26 (nieuw) moet een advocaat die een vertrouwelijke mededeling aan een andere advocaat wenst te doen, dit vooraf duidelijk kenbaar te maken. De overgangsregel bij de inwerkingtreding van Gedragsregel 26 (nieuw) luidt dat communicatie die tot inwerkingtreding van de nieuwe Gedragsregel plaatsvond, vertrouwelijk blijft. De raad stelt vast dat de overgelegde brief is gedateerd op 20 september 2017. Op dat moment was de oude gedragsregel nog van kracht. De brief is op 25 juni 2019 door verweerder in het geding gebracht. Op dat moment waren de nieuwe Gedragsregels 2018 van kracht. Het overgangsrecht bij Gedragsregel 26 is in het onderhavige geval van toepassing. Dat betekent dat verweerder naar het oordeel van de raad met zijn handelen naar de letter in strijd met de gedragsregel heeft gehandeld. De raad acht bij de beoordeling van deze klacht echter van belang dat verweerder - direct - gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de wederpartij om de brief in te trekken. Voorts is van belang dat de inhoud van de brief verder geen rol heeft gespeeld in de procedure en dat verweerder aan de advocaat van de wederpartij zijn excuses heeft aangeboden. Gelet op de genoemde omstandigheden is de raad van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak weliswaar in strijd met de letter van de gedragsregels heeft gehandeld maar niet in strijd met de geest daarvan. De raad is van oordeel dat verweerder dan ook niet onbetamelijk heeft gehandeld zoals bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en dat zijn handelen daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad verklaart deze klacht daarom ongegrond.