Zoekresultaten 1311-1320 van de 3036 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:10 Kamer voor het notariaat Amsterdam 613721 / NT RK 16/58

    Vooropgesteld wordt dat de notaris heeft erkend dat zij een bedrag van € 95.887,00 heeft ontvangen en dat zij (een gedeelte van) dit bedrag vervolgens ook heeft toegevoegd aan het bedrijfsresultaat van haar kantoor. Verder heeft de notaris ter zitting naar voren gebracht dat zij aan de hand van haar administratie een gedeelte van dit bedrag heeft kunnen herleiden als zijnde nog verschuldigde overdrachtsbelasting ter zake van de door haar in 2005 gepasseerde akten. In die wetenschap heeft de notaris dan ook, gelet op artikel 25 vierde lid van de Wet op het notarisambt, niet op goede gronden laatstgenoemd bedrag kunnen toerekenen aan haar kantoorresultaat. De notaris wist, dat de gelden niet aan haarzelf maar aan haar cliënten toebehoorden, nu het door haar ingehouden, maar uiteindelijk niet afgedragen, overdrachtsbelasting betrof. Uit een brief van de notaris aan de Belastingdienst volgt bovendien dat de notaris in ieder geval tot aan de datum van deze brief zelf ook de mening was toegedaan dat het teruggestorte bedrag derdengelden betrof. De gelden zijn ook eerder in haar administratie verwerkt als nog te betalen overdrachtsbelasting. Dat de Belastingdienst de gelden normaliter direct aan de rechthebbende(n) uitkeert en dat, nu dit niet is gebeurd, leidt er niet toe dat de notaris er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gelden aan haar zouden toekomen. De omstandigheid dat de rechtsvordering van de Belastingdienst jegens de notaris dan wel haar cliënten ter zake van de overdrachtsbelasting is verjaard of dat de notaris zich heeft geconformeerd aan het advies van een de door haar ingeschakelde fiscalist leidt niet tot een andere conclusie. De notaris blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de correcte nakoming van de op haar rustende verplichtingen jegens haar cliënten. Een eventueel onjuist gegeven advies van een derde dient dan ook voor haar rekening te blijven. Ook de inspanningen van de notaris jegens de Belastingdienst met betrekking tot de inning van de verschuldigde overdrachtsbelasting rechtvaardigen niet de toe-eigening van de gelden.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2016:38 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2015/42

    Gemeente geeft notaris opdracht tot executieveiling van percelen grond van klagers. Zij stellen dat executie onrechtmatig is. Temeer omdat de rechtmatigheid van de executie al in twee instanties in rechte was getoetst, was er voor de notaris geen grond om aan de rechtmatigheid van de executie te twijfelen en zij heeft het initiatief om de veiling te voorkomen dan ook terecht bij klagers gelegd. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:8 Kamer voor het notariaat Amsterdam 612622 / NT RK 16/47

    Uit de handgeschreven aantekeningen van de notaris kan onder meer worden afgeleid dat zij bij klagers heeft geïnformeerd naar de schulden van de moeder, en naar de vordering van de kinderen op de moeder ter zake van de nalatenschap van de vader en dat daarbij aan de orde kwam dat die vorderingen op dat moment niet bekend waren, maar niet groot zouden zijn. Gegeven deze omstandigheid kon de notaris niet louter volstaan met de algemene informatie over de risico’s van een zuivere aanvaarding en de mogelijkheid van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van de moeder van klagers. Het had op de weg van de notaris gelegen om klagers indringender te wijzen op de risico’s van zuivere aanvaarding en hen aan te sporen om eerst nader onderzoek te doen naar (de omvang van) de vorderingen van de vier kinderen ter zake van het erfdeel van hun vader alvorens tot aanvaarding (of niet) te besluiten, zeker nu aannemelijk is dat op 4 augustus 2015 aan de notaris wel al gebleken was dat de activa van de nalatenschap niet erg omvangrijk waren. Hoewel de wet geen beschrijving geeft van de taak, bevoegdheden en verplichtingen van de boedelnotaris, dient hij naar het oordeel van de kamer te worden aangemerkt als belangenbehartiger van de nalatenschap. Het lag dan ook in de rede dat de notaris op verzoek van de twee overige erfgenamen, hun vorderingen indiende bij klagers in hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap. Dat dit gepaard ging met een advies aan klagers in hun hoedanigheid van erfgenaam moge voor hen onaangenaam zijn geweest, onjuist was het niet. Naar het oordeel van de kamer is echter bij het opmaken van een testament niet vereist dat de betreffende (kandidaat-)notaris tot in detail op de hoogte is van de actuele vermogenspositie van de erflater. Zeker als een testateur die vermoedelijk niet lang meer te leven heeft zich tot een notaris wendt met bepaalde, duidelijke wensen voor een nieuw testament, zal de notaris in beginsel tot inwilliging daarvan over hebben te gaan zonder zich te hoeven verdiepen in de exacte vermogenspositie van de testateur. Daarbij neemt de kamer in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de vorderingen van de kinderen ter zake van het erfdeel van de vader in dat stadium door of namens erflaatster zelf aan de orde zijn gesteld. Daarnaast kunnen er andere, niet primair financiële motieven voor het opmaken of wijzigen van een testament zijn, zoals, gelijk ook hier, een executeursbenoeming of het regelen van de uitvaart.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:9 Kamer voor het notariaat Amsterdam 615221 / NT RK 16/61

    Vooropgesteld wordt dat handelingen van de notaris privé – gelet op het bepaalde in artikel 2 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 – onder omstandigheden ook tuchtrechtelijk laakbaar kunnen zijn. Dit kan onder meer het geval zijn indien het handelen in privé voldoende verband houdt met (de uitoefening van) het ambt van de notaris. Nog daargelaten dat tenminste de vraag is of een dergelijk voldoende verband hier aanwezig is, terwijl bij de ontvankelijkheid voorts vragen te stellen zijn omdat niet in te zien valt welk belang klaagster heeft gehad bij de overname van een evident waardeloze vordering (voor een tegenprestatie die klaagster zich desgevraagd niet kon herinneren), zodat voor de hand ligt dat de huidige klacht alleen is ingediend om de notaris ten aanzien van een andere kwestie onder druk te zetten, valt in het aan de orde gestelde handelen van de notaris in zijn hoedanigheid van penningmeester van de stichting niets onzorgvuldigs of anderszins klachtwaardigs te ontwaren.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:8 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/311806 KL RK 16-133

    Gezien de van belang zijnde omstandigheden komt klaagster in dit geval geen beroep toe op de uitzonderingsclausule van artikel 99 lid 15 Wna. De kamer ziet in deze zaak ook overigens geen redenen om de klacht van klaagster over het passeren van de in 1999 door haar ondertekende akte aan te merken als tijdig ingediend.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:7 Kamer voor het notariaat Amsterdam 620323 / NT RK 16/84

    Nu de notaris voor de uitspraak redelijkerwijs bekend kon zijn met de nieuwe informatie, is er geen grond voor herziening. Daarnaast heeft de notaris ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het herzieningsverzoek erkend dat hij (in ieder geval) één dag voor het verstrijken van de beroepstermijn kennis heeft genomen van de betreffende verklaringen. Het had dan ook op weg van de notaris gelegen om op dat moment appèl in te stellen tegen de beslissing van de kamer. Herziening is in dat geval niet het geijkte middel om het gewenste resultaat te bewerkstelligen. Gelet op de rechtszekerheid dient herziening terughoudend en onder strikte voorwaarden toegepast te worden. Voorts bestaat er evenmin aanleiding te vermoeden dat de kamer tot een andere beslissing zou zijn gekomen, al dan niet met betrekking tot de strafmaat. Of de notaris de betreffende betaling al dan niet heeft geïnitieerd en/of geaccordeerd, is derhalve niet redengevend geweest, nu hij de initiator was voor het elders onderbrengen van de derdengelden en niet gebleken is dat hij op enigerlei wijze, indien al van de juistheid van zijn stelling dient te worden uitgegaan, heeft getracht om de betreffende transactie te voorkomen.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2016:37 Kamer voor het notariaat Amsterdam 594416/NT 15-71 CO

    Deels gegronde klacht over afhandeling nalatenschap. Gelet op de vele slordigheden in het dossier en het niet (dan wel te laat) reageren legt de kamer de notaris een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2016:38 Kamer voor het notariaat Amsterdam 600937 NT 16-5

    Het is in beginsel in strijd met de zorg die een notaris jegens een (voormalig) cliënt moet betrachten, om aan hem gerichte correspondentie niet (tijdig) te beantwoorden. Ook dient de notaris deze correspondentie op zorgvuldige en niet op grievende wijze te beantwoorden. Nu klager tegenover de betwisting van de ontvangst van de correspondentie niet nader heeft onderbouwd dat de notaris op enigerlei wijze kennis heeft genomen daarvan, kan niet worden vastgesteld dat de notaris deze bewust onbeantwoord heeft gelaten. Naar de maatstaven van zorgvuldigheid die de notaris bij de afhandeling van correspondentie dient te betrachten is niet passend om op de wel ontvangen correspondentie van klager te reageren op de wijze zoals hij heeft gedaan. Enige inhoudelijke reactie op de aansprakelijkstelling door klager had, zeker gelet op het eerder vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbare handelen van de notaris, voor de hand gelegen. Ook is de reactie van de notaris onnodig grievend en niet ter zake dienend. De notaris heeft – hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld – ook ter zitting geen nadere toelichting willen verstrekken over de aard en de context van de uitlating, dan wel zijn vijandige houding jegens klager. Het niet inlichten van de verzekeringsmaatschappij op grond van de aansprakelijkstelling van klager is niet tuchtrechtelijk laakbaar.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2016:39 Kamer voor het notariaat Amsterdam 605771 / NT RK 16/28 605773 / NT RK 16/29

    De notaris heeft voldoende onderbouwd dat voorafgaand aan de aanvaarding van de opdracht door zijn kantoor onderzoek is gedaan naar [*] en haar uiteindelijk belanghebbende(n) (Ultimate Benificial Owner). In dat kader is het handelsregister geraadpleegd en is via de zoekmachine Google naar informatie gezocht omtrent [*]. Daaruit is niet gebleken van enige bijzonderheden en is [*] aangemerkt als uiteindelijk belanghebbende (UBO) bij [*]. Uit voornoemd onderzoek is niet gebleken van enige betrokkenheid van [*] bij [*] en/of [* ]en klagers hebben ook niet concreet onderbouwd dat de notaris bij dit onderzoek steken heeft laten vallen. Met de invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht per 1 oktober 2012 is de verplichte accountantsverklaring bij een inbreng in natura komen te vervallen. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de (reële) waardering van inbreng in natura thans voorbehouden aan een door de oprichters of bestuurders op te maken inbrengbeschrijving. Een notaris mag in beginsel af mag gaan op een dergelijke beschrijving van een bestuurder en/of aandeelhouder. Dit kan naar het oordeel van de Kamer anders zijn indien er (evidente) aanwijzingen om aan de juistheid van deze beschrijving te twijfelen. In dat geval kan dit aanleiding zijn voor de notaris om de ministerieverlening te staken, totdat de waarde van de aandelen van een vennootschap op andere (objectieve) wijze is vastgesteld, teneinde misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. De Kamer is met de notaris van oordeel dat in het onderhavige geval geen aanwijzingen bestonden om aan de juistheid van de beschrijving van [*] te twijfelen en dientengevolge de ministerieverlening te staken. De notaris heeft als extra waarborg nog een verklaring met betrekking tot de waarde van de aandelen vanuit Zwitserland opgevraagd en verkregen. Dat de inhoud van deze verklaring al aanleiding vormt om aan de juistheid ervan te twijfelen volgt de Kamer niet. Daarnaast volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dat de betrokkenheid van [*] zich vooreerst manifesteerde na voltooiing van de werkzaamheden door de notaris, zodat dit evenmin aanleiding had kunnen zijn om de ministerieverlening te staken. Dat de Zwitserse advocaat [*] naar achteraf is gebleken op enig moment medebestuurder is geworden van [*] is eveneens een omstandigheid waar de notaris geen rekening mee heeft kunnen en behoeven te houden. De notaris heeft in dat kader onweersproken gesteld dat [*] pas medebestuurder van [*] is vanaf 2016.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2017:7 Kamer voor het notariaat Den Haag 16-66

    Klaagster verwijt de notaris het volgende: 1. de notaris heeft een opdracht aanvaard van een niet-belanghebbende voor het opstellen van een verklaring van erfrecht; 2. de notaris heeft op aangeven van een niet-belanghebbende een onjuiste naam van de boedelgevolmachtigde in de verklaring van erfrecht opgenomen; 3. de notaris heeft onzorgvuldig en partijdig gehandeld door alleen te overleggen met de opdrachtgever en vermoedelijk drie van de vier erfgenamen. De notaris heeft klaagster buitengesloten; 4. de notaris heeft haar informatieplicht onvoldoende uitgeoefend door klaagster niet te betrekken bij het opstellen van de verklaring van erfrecht; 5. de notaris verzuimde en weigerde de erfgenamen in te lichten over de gebruikelijke regels met betrekking tot de noodzaak van de verklaring van erfrecht; 6. de notaris bracht de kosten voor het herstellen van de naam van de juiste boedelgevolmachtigde in de verklaring niet in rekening bij de opdrachtgever, maar bij de erven, hetgeen onzorgvuldig is, aangezien de notaris verantwoordelijk is voor deze gemaakte beroepsfout.